Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201508813/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de minister het projectplan "Stroomlijn Nederrijn en Lek spoor 1" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Crisis- en herstelwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/630
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508813/1/A1.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

en

1. de minister van Infrastructuur en Milieu,

2. het college van burgemeester en wethouders van Zederik,

3. het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard.

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de minister het projectplan "Stroomlijn Nederrijn en Lek spoor 1" vastgesteld.

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zederik een omgevingsvergunning verleend voor het verwijderen van bos, struweel en houtopslag en het plaatsen van een duiker op percelen in de uiterwaarden van de Lek in de gemeente Zederik.

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard een omgevingsvergunning verleend voor het vellen/rooien van houtgewas in de uiterwaarden van de Lek te Kinderdijk, Nieuw-Lekkerland, Streefkerk, Groot-Ammers, Langerak en nabij het noord-oostelijke bastion te Nieuwpoort.

Tegen de besluiten van 2 oktober 2015 en 7 oktober 2015 heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 2 oktober 2015 en 6 oktober 2015.

De minister en de colleges van burgemeester en wethouders van Zederik en Molenwaard hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2016, waar [appellant sub 1] en [appellante sub 2], alsmede de minister en de colleges, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, vergezeld door drs. K.L.M. van Andel, mr. J.J. van Burg, W.M. Wijnen en R. Kuggeleijn, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1. De bestreden besluiten zijn genomen ten behoeve van de uitvoering van de derde fase van het Programma Inhaalslag Stroomlijn. Doel van dit Programma is het waterafvoerend vermogen van de grote rivieren te vergroten door het verwijderen van ruwe vegetatie uit het rivierbed. Deelgebied 4 van het Programma betreft de uiterwaarden langs de Nederrijn en de Lek. De besluiten die nodig zijn om het Programma voor dit deelgebied uit te voeren zijn ingedeeld in drie clusters. De bestreden besluiten behoren tot cluster 1.

2. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de Rijkscoördinatieregeling van paragraaf 3.6.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Voor de mogelijkheid van beroep worden de bestreden besluiten op grond van artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro als één besluit aangemerkt.

3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met categorie 7, onder 7.3, van bijlage I, van de Crisis- en herstelwet is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op deze procedure.

Beroep van [appellant sub 1]

4. Verweerders betogen dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbend bij de door hem bestreden besluiten. De besluiten hebben volgens verweerders geen directe invloed op de woon- en leefomgeving van [appellant sub 1].

4.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan uitsluitend een belanghebbende beroep bij de bestuursrechter instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546), heeft de wetgever deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

4.2. De woning van [appellant sub 1] ligt niet in het projectgebied, maar binnendijks. De meest nabij gelegen locatie waar vegetatie wordt verwijderd, ligt blijkens de bij het projectplan behorende kaarten op een afstand van ongeveer 300 meter van het perceel van [appellant sub 1]. Niet aannemelijk is dat [appellant sub 1] vanaf zijn perceel zicht heeft op de te verwijderen vegetatie. Ook anderszins wordt hij niet geraakt in een persoonlijk belang dat rechtstreeks bij de door hem bestreden besluiten betrokken is. In de gestelde betrokkenheid bij het projectgebied, waar hij vroeger geregeld verbleef en thans nog vaak komt, onderscheidt hij zich onvoldoende van andere bezoekers van het gebied. [appellant sub 1] is derhalve geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

5. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Beroep van [appellante sub 2]

6. Verweerders hebben ter zitting naar voren gebracht dat [appellante sub 2] geen belanghebbende is bij de door haar bestreden besluiten.

[appellante sub 2] heeft ter zitting gesteld dat zij vanaf haar perceel zicht heeft op de uiterwaarden. Gelet hierop en gelet op het in het dossier aanwezige kaartmateriaal, kan niet worden uitgesloten dat [appellante sub 2] de dichtstbijzijnde bomen waarop het projectplan betrekking heeft, vanaf haar perceel kan zien. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat zij geen belanghebbende zou zijn.

7. [appellante sub 2] voert aan dat de door haar bestreden besluiten en de daarbij behorende kaarten met legenda ten onrechte voorzien in de verwijdering van de drie notenbomen op haar perceel, alsmede op het dempen van enkele watergangen en het verwijderen van haar erfafscheiding.

7.1. De woning van [appellante sub 2] ligt niet in het projectgebied, maar binnendijks. Zij heeft geen bezwaar tegen de verwijdering van de buitendijks aanwezige vegetatie.

7.2. De door [appellante sub 2] bestreden besluiten hebben geen betrekking op de notenbomen op haar perceel binnendijks, noch op het dempen van watergangen en het verwijderen van haar erfafscheiding. Haar betoog leidt reeds daarom niet tot vernietiging van deze besluiten.

8. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Visser

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

148.