Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
201505888/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7092, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/245 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505888/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2015 in zaak nr. 15/450 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij de stichting Stichting Argus, en het college, vertegenwoordigd door B.H.J. Thedinga, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 5 maart 2014 heeft [appellant] het college op grond van de Wob verzocht om afschriften van de kandidatenlijsten (model H1) van alle politieke partijen zoals die zijn ingediend voor deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat het hem verder uitdrukkelijk gaat om alle verklaringen van ondersteuning (model H4) van de Nederlandse Volks-Unie en handtekeningen met daarop ook de geboortedata en adressen van alle ondersteuners en kandidaten op die lijst en alle correspondentie die op deze lijst betrekking heeft.

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft het college het verzoek afgewezen.

Op 18 april 2014 heeft Van Drunen namens [appellant] daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft de burgemeester dat bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is gesteld dat het besluit van 26 maart 2014 ten onrechte door het college is genomen, nu de burgemeester daartoe bevoegd was.

Bij brief van 18 april 2014 heeft Van Drunen namens [appellant] het college op grond van de Wob verzocht om een afschrift van de verklaringen van ondersteuning (model H4) ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 van alle partijen, voor zover zij deze hebben moeten inleveren.

Bij brief van 17 juli 2014 heeft Van Drunen namens [appellant] het college in gebreke gesteld, omdat nog geen besluit op het verzoek van 18 april 2014 is genomen.

Vervolgens heeft het college het besluit van 31 juli 2014 genomen, waartegen Van Drunen namens [appellant] bezwaar heeft gemaakt.

Bij het besluit van 15 december 2014 op dat bezwaar heeft het college er op gewezen dat artikel I 19 van de Kieswet voorschrijft dat het centraal stembureau de ingeleverde kandidatenlijsten, en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning vernietigt nadat onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de ingeleverde lijsten. Met deze bepaling wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat in de toekomst nog persoonlijke gegevens achterhaald kunnen worden die op de originele kandidatenlijsten en ondersteuningsverklaringen stonden. De documenten zijn nog niet vernietigd, omdat in rechtspraak is bepaald dat het voeren van een bezwaar- of beroepsprocedure na een weigering tot verstrekking van documenten illusoir zou worden indien die documenten wel (vroegtijdig) zouden worden vernietigd. [appellant] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juli 2014. Dit besluit staat dan ook rechtens vast. Indien namens [appellant] geen (herhaald) Wob-verzoek was ingediend, waren de documenten inmiddels vernietigd, aldus het college.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat misbruik van procesrecht is gemaakt door een tweede Wob-verzoek in te dienen dat enkel kans van slagen had doordat tegen het eerste Wob-verzoek bezwaar was gemaakt, hetgeen als een vooropgezette constructie moet worden beschouwd om een bepaling uit de Kieswet te omzeilen en doordat de gemachtigde, wetende dat het Wob-verzoek niet bij het college moet worden ingediend, dit toch heeft gedaan en zich hier eerst in beroep op heeft beroepen. De werkwijze van (de gemachtigde van) [appellant] dient uitsluitend om dwangsommen dan wel een proceskostenveroordeling te incasseren, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft voorts op verzoek van het college aanleiding gezien [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat misbruik van recht is gemaakt. Volgens hem ontbreekt aan het oordeel van de rechtbank dat de Wob-verzoeken uitsluitend zijn ingediend om dwangsommen dan wel een proceskostenveroordeling te incasseren, elke grond. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte een proceskostenveroordeling uitgesproken. Er doet zich geen door een derde verleende rechtsbijstand voor. De gemachtigde van het college is geen jurist en verleent de bijstand niet in een op inkomsten gerichte werkzaamheid, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

3.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dergelijke zwaarwichtige gronden niet aanwezig zijn. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellant] dan wel diens gemachtigde in deze zaak ontwrichtend gedrag jegens het college heeft getoond en dat zijn werkwijze dan wel die van zijn gemachtigde uitsluitend dient om een dwangsom dan wel een proceskostenveroordeling te incasseren. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat misbruik van recht is gemaakt. Reeds hierom heeft de rechtbank eveneens ten onrechte [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep van [appellant] alsnog inhoudelijk beoordelen.

5. [appellant] heeft in beroep betoogd dat het college ter zake niet het bevoegde bestuursorgaan is. Volgens hem is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan. Hiertoe verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1571).

5.1. Ingevolge artikel E 7, tweede lid, van de Kieswet is de burgemeester voorzitter van het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad. Ingevolge artikel E 11, vijfde lid, van die wet treedt het hoofdstembureau tevens als centraal stembureau op. Uit artikel H 1, eerste lid, en artikel H 4, eerste lid, volgt dat kandidatenlijsten en verklaringen van ondersteuning op de dag van de kandidaatstelling kunnen worden ingeleverd bij het centraal stembureau. Ingevolge artikel I 3, eerste lid, worden de ingeleverde kandidatenlijsten en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning onmiddellijk nadat de lijsten zijn onderzocht voor een ieder ter inzage gelegd bij het centraal stembureau. Op grond van artikel J 9 brengt de burgemeester de kandidatenlijsten ter kennis van de kiezers op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze. Ingevolge artikel I 4 beslist het centraal stembureau over de geldigheid van de lijsten. Vervolgens maakt het centraal stembureau ingevolge artikel I 17, eerste lid, de lijsten zo spoedig mogelijk openbaar nadat onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de ingeleverde lijsten. Ingevolge artikel I 19 vernietigt het centraal stembureau de ingeleverde kandidatenlijsten en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, nadat onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de ingeleverde lijsten. Uit voormelde bepalingen van de Kieswet volgt dat de burgemeester als voorzitter van het hoofdstembureau tijdens de verkiezingsperioden verantwoordelijk is voor het beheer van de kandidatenlijsten en de verklaringen van ondersteuning. Zoals hiervoor onder 1 overwogen, heeft het centraal stembureau tot op heden niet voldaan aan de in artikel I 19 van de Kieswet vervatte verplichting tot vernietiging. In het licht van het vorenstaande moeten de door [appellant] gevraagde kandidatenlijsten en verklaringen van ondersteuning dan ook worden geacht thans nog te berusten bij de burgemeester. Zoals de Afdeling ook in de door [appellant] vermelde uitspraak heeft geoordeeld, is derhalve niet het college, maar de burgemeester bevoegd een besluit te nemen op het verzoek van [appellant] en op diens bezwaar tegen de afwijzing daarvan.

Het betoog slaagt.

6. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, alsnog het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van 15 december 2014 op het bezwaar van [appellant] vernietigen. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven, nu de burgemeester geen ander besluit zou kunnen nemen dan het college heeft genomen. Hiertoe is het volgende van belang.

Het verzoek van 18 april 2014 is ingediend nadat onherroepelijk was beslist over de geldigheid van de desbetreffende ingeleverde kandidatenlijsten. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, had het centraal stembureau de origineel ingeleverde kandidatenlijsten en de verklaringen van ondersteuning op dat moment ingevolge artikel I 19 van de Kieswet moeten hebben vernietigd. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Kieswet (Kamerstukken II 2011/12, 33 268, nr. 3, blz. 5) is vermeld dat reden om de vernietiging van de documenten in de Kieswet vast te leggen mede is te voorkomen dat gemeenten ver na de verkiezingen verzoeken moeten behandelen om deze documenten openbaar te maken. De Afdeling maakt hieruit op dat de wetgever heeft bedoeld de kennisneming van kandidatenlijsten en verklaringen van ondersteuning uitsluitend in de Kieswet te regelen.

Gezien het vorenstaande is het verzoek van 18 april 2014 terecht afgewezen.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2015 in zaak nr. 15/450;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 15 december 2014, kenmerk 14-6411467;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Mossel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016

741.