Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
201600902/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Ooyse Schependom - 2 (Ooyse Sluispad 2-4)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600902/2/R2.

Datum uitspraak: 20 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te Nijmegen,

en

de raad van de gemeente Nijmegen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Ooyse Schependom - 2 (Ooyse Sluispad 2-4)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 mei 2016, waar [verzoekster], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door ing. D.A. te Braake, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. E.M. Vos, advocaat te Groesbeek, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om aan het Ooyse Sluispad 2-4 een vijftiental woningen te realiseren. Deze woningen komen in bestaande gebouwen van onder meer het voormalige noodstation van het vroegere spoortraject Nijmegen-Arnhem. Verder biedt het plan ruimte om op twee locaties parkeergelegenheid aan te leggen voor de toekomstige bewoners. Hiertoe is binnen de bestemming "Groen" een functieaanduiding "parkeerterrein" toegekend. Enerzijds biedt het plan ruimte voor 9 parkeerplaatsen in het westen van het plangebied. Aan de oostzijde van het plangebied, op wat het binnenterrein wordt, biedt het plan ruimte voor 33 parkeerplaatsen.

3. [verzoekster] woont in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied. Zij kan zich niet verenigen met het aantal parkeerplaatsen dat het plan op het binnenterrein mogelijk maakt, omdat zij hiervan hinder en overlast vreest te zullen ondervinden. Zij wijst erop dat de raad bij de vaststelling van het plan de bestemming horeca in de spoorwegloods heeft geschrapt en wenst dat de in het ontwerpbestemmingsplan voorziene parkeergelegenheid daarop wordt aangepast en wordt teruggebracht tot het maximum aantal parkeerplaatsen dat is vereist voor maximaal 15 woningen. Zij heeft geen bezwaar tegen realiseren van parkeerplaatsen aan de westzijde van het plangebied.

4. De raad heeft toegelicht dat de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen ruimte voor het kunnen realiseren van voldoende parkeergelegenheid weliswaar mede was afgestemd op de mogelijkheid van vestiging van horeca in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, welke mogelijkheid bij de vaststelling van het plan is geschrapt, maar dat dit niet tot een aanpassing van de aanduiding voor parkeren heeft geleid, omdat ook voor de in het vastgestelde plan voorziene woningen in voldoende mate in parkeergelegenheid op eigen terrein moet kunnen worden voorzien.

Met een aantal van 31 plaatsen in totaal - dat wil zeggen 22 plaatsen op het binnenterrein - is er in ieder geval voldoende ruimte voor de toekomstige bewoners van het plangebied en wordt voorkomen dat de parkeerdruk buiten het plangebied toeneemt. [belanghebbende] heeft toegelicht dat hij het wenselijk acht dat er in ieder geval 2 parkeerplaatsen per woning zullen zijn, waarvan 22 plaatsen op het binnenterrein. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de herinrichting van het binnenterrein in belangrijke mate wordt bepaald door de eisen ten aanzien van de inrichting in verband met het monumentale karakter van de spoorwegloods, zoals voorgeschreven in het van het plan deel uitmakende inrichtingsplan, dat tevens voorziet in de nodige beplanting ter afscherming van de parkeerplaatsen. Ook heeft hij erop gewezen dat inmiddels ondergrondse kabels en leiding zijn aangelegd, waarboven geen parkeerplaatsen zullen worden ingericht, waardoor op het binnenterrein ruimte voor de aanleg van 22 plaatsen resteert.

5. Het plandeel dat betrekking heeft op het zogeheten binnenterrein heeft de bestemming "Groen". Aan een deel van deze bestemming is hier de functieaanduiding "parkeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1 van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' tevens voor parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingswegen;

(…)

Ingevolge lid 3.3.2 dienen de gronden met de bestemming Groen binnen twee jaren na verlening van de omgevingsvergunning voor de hoofdgebouw(en) op de gronden met de bestemming Wonen te zijn ingericht en ingericht te blijven overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels.

Ingevolge artikel 4, lid 4.4.2 dienen de gronden met de bestemming Groen binnen twee jaren na verlening van de omgevingsvergunning voor de hoofdgebouw(en) op de gronden met de bestemming Wonen te zijn ingericht en ingericht te blijven overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels.

In bijlage 2 van de regels is een inrichtingsplan opgenomen met daarin een beplantingsplan en terreinindeling voor onder meer het binnenterrein van het plangebied.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het voormelde inrichtingsplan kan worden afgeleid dat naast de aan te brengen beplanting ruimte is voor 33 parkeerplaatsen op het binnenterrein. Zoals [belanghebbende] ter zitting heeft toegelicht is hij evenwel van plan om 22 parkeerplaatsen op het binnenterrein aan te leggen en ook dit aantal te betrekken bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat blijkens het eerste ontwerp voor de inrichting van het parkeerterrein de ruimte die vrijkomt door het vervallen van 11 parkeerplaatsen grotendeels benut wordt voor tuinen bij de nieuw te bouwen grondgebonden woningen.

7. In het door [verzoekster] aangevoerde, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de hinder die zij kan verwachten als op het binnenterrein 22 parkeerplaatsen ten behoeve van de nieuwe te bouwen woningen worden gerealiseerd zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van deze parkeerplaatsen zijn gemoeid. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de raad ervan is uitgegaan dat een ruime hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen terrein het risico vermindert van parkeren buiten het plangebied. Dit acht de raad onder meer van belang vanwege de kwetsbare natuur in de omgeving van het plangebied. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het binnenterrein afgeschermd wordt van de tuin en de woning van [verzoekster], omdat het inrichtingsplan voorziet in de aanleg van opgaand groen tussen de woning van [verzoekster] en het binnenterrein en het plan de mogelijkheid biedt om bergingen tussen de woning van [verzoekster] en het binnenterrein op te richten.

8. Niettemin biedt het plan de mogelijkheid om op het binnenterrein 11 auto’s meer te parkeren dan de 22 die hierboven in aanmerking zijn genomen. De voorzieningenrechter overweegt echter dat Huibers niet van plan is om deze plaatsen aan te leggen, dan wel te betrekken bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit betekent dat niet valt te verwachten dat zich in zoverre onomkeerbare gevolgen zullen voordoen bij de inwerkingtreding van het plan voordat uitspraak in de bodemzaak is gedaan. Mochten zich alsnog op dit punt onomkeerbare gevolgen dreigen voor te doen voordat uitspraak in de bodemprocedure is gedaan, dan kan [verzoekster]s een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is overwogen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Scheele

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2016

723.