Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
201508384/1/R2 en 201508384/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2015, kenmerk 15-75, heeft de raad het bestemmingsplan "Baron van Nagellstraat-Oude Zeumerseweg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/513
JOM 2017/626

Uitspraak

201508384/1/R2 en 201508384/2/R2.

Datum uitspraak: 18 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2015, kenmerk 15-75, heeft de raad het bestemmingsplan "Baron van Nagellstraat-Oude Zeumerseweg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 februari 2016, waar [appellant] en anderen, in de personen van [appellant], [personen], bijgestaan door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door drs. V.M. Bouma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting voetbalvereniging v.v. De Kieviten, vertegenwoordigd door haar voorzitter gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

Achtergrond van het plan

1. Het plan voorziet in de aanleg van een sportpark. De aanleiding voor het plan is het bij besluit van 17 december 2014 vastgestelde provinciale inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303", dat voorziet in een nieuwe rondweg aan de westzijde van Voorthuizen. Deze rondweg is dwars door het bestaande sportpark De Gelder geprojecteerd, dat ten zuiden van Voorthuizen en ten westen van de Baron van Nagellstraat ligt. Gelet hierop heeft de provincie in overleg met de gebruiker van sportpark De Gelder, voetbalvereniging v.v. De Kieviten, gezocht naar een nieuwe locatie. Deze is gevonden op ongeveer 500 meter van de oude locatie, ten oosten van de Baron van Nagellstraat en ten noorden van de Oude Zeumerseweg. De provincie heeft deze gronden in eigendom verworven en aan de raad verzocht ter plaatse planologisch een sportpark mogelijk te maken. [appellant] en anderen wonen aan de Oude Zeumerseweg of hebben gronden in eigendom in de nabijheid van het plangebied. In de beleving van [appellant] en anderen is geen overleg met hen gepleegd in het kader van de locatiekeuze en de totstandkoming van het plan. Zij voelen zich hierdoor genoodzaakt beroep in te stellen. In de kern zijn [appellant] en anderen van mening dat de verplaatsing van het sportpark zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat, in het bijzonder door licht- en geluidhinder en het verdwijnen van het open landschap. Daarom hebben zij tegen het plan beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid

2. De raad stelt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover het de beroepsgronden over het flora- en faunaonderzoek, het fiets- en wandelpad en de landschappelijke inpassing betreft. [appellant] en anderen hebben deze beroepsgronden volgens de raad niet in hun zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

2.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan of het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

2.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de beroepsgronden over het flora- en faunaonderzoek, het fiets- en wandelpad en de landschappelijke inpassing betrekking op plandelen waarover [appellant] en anderen een zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren hebben gebracht, nu zij daarin het hele plan hebben bestreden. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Bespreking van het beroep

3. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzieningenrechter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzieningenrechter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

5. [appellant] en anderen vrezen dat zij als gevolg van het plan geluidhinder zullen ondervinden. Volgens hen heeft de raad niet ervan kunnen uitgaan dat zich geen onaanvaardbare geluidhinder voordoet omdat is voldaan aan de richtafstand van 50 meter uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Zij voeren daartoe aan dat de raad niet heeft onderzocht of kan worden voldaan aan de geluidnormen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer), terwijl te verwachten is dat deze geluidnormen zullen worden overschreden. In dat verband brengen zij naar voren dat overal in het plangebied tribunes zijn toegestaan en dat daarvan stemgeluid van supporters te verwachten is. Daarnaast wijzen zij erop dat een kantine kan worden gerealiseerd op de bovenste etage van het voorziene clubgebouw, van waaruit supporters eveneens spelers kunnen aanmoedigen. Ten slotte stellen [appellant] en anderen dat de trainingstijden en wedstrijddagen niet zijn onderzocht.

5.1. Blijkens de verbeelding heeft het plandeel met de bestemming "Sport" betrekking op de centrale gronden in het plangebied. Aan dit plandeel zijn de aanduidingen "(spv)" en "(-bw)" toegekend. Voorts is in het zuidwestelijke gedeelte van dit plandeel een bouwvlak opgenomen met de aanduidingen "maximum bouwhoogte (m) 7" en "maximum goothoogte (m) 7". De plandelen met de bestemmingen "Groen" en "Water" hebben betrekking op de gronden langs de rand van het plangebied. Aan deze plandelen is de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke verplichting 1" toegekend.

5.2. De wettelijke bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5.3. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de gevolgen van de geluidbelasting van het sportpark heeft de raad toepassing gegeven aan het afwegingskader in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Vaststaat dat, naar ook niet in geschil is, de afstand van de uiterste situering van de gevel van de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen - die aan de [locatie 1] - tot de gronden waaraan de bestemming "Sport" is toegekend, ongeveer 70 meter bedraagt zodat wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand van 50 meter voor een zogenoemd veldsportcomplex met verlichting.

De raad heeft deze richtafstand gemotiveerd toegepast. Volgens de raad mag er vanuit worden gegaan dat het stemgeluid van aanmoedigende supporters en het geluid vanwege trainingen en wedstrijden bij deze richtafstand voor veldsportcomplexen is meegenomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding deze veronderstelling van de raad onjuist te achten. Voorts heeft de raad bij zijn afweging in aanmerking genomen dat het bouwvlak ter plaatse waarvan het clubgebouw is voorzien is weergegeven op ongeveer 150 meter van de dichtstbijzijnde woning en dat artikel 4.5.2 van de planregels in de weg staat aan de realisatie van een dakterras op het clubgebouw. De voetbalvereniging heeft overigens ter zitting te kennen gegeven dat, om aan de bezwaren van omwonenden tegemoet te komen, de kantine niet op de verdieping maar op de begane grond van het beoogde clubgebouw zal komen. Dit is echter niet in het plan verzekerd, zodat het geen rol speelt bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

Bij het bepalen van de geluidniveaus als bedoeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft ingevolge artikel 2.18, eerste lid, onder a, het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten buiten beschouwing. Voorts blijft ingevolge het derde lid, onder a en b, bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax) als bedoeld in artikel 2.17 het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden en het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan buiten beschouwing. De door [appellant] en anderen naar voren gebrachte geluidniveaus vanwege het stemgeluid van bezoekers en trainingen en wedstrijden, geven reeds hierom geen aanleiding om te betwijfelen dat aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij de richtafstand uit de VNG-brochure in dit geval heeft kunnen toepassen of dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden als gevolg van het plan.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen vrezen geluidoverlast vanwege de ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels toegestane evenementen en manifestaties in het plangebied. Volgens hen zijn ten onrechte geen beperkingen gesteld aan het soort, de omvang en het aantal toegestane evenementen en manifestaties.

6.1. Wat de overlast vanwege evenementen en manifestaties betreft, stelt de raad zich op het standpunt dat uitsluitend is voorzien in kortstondige, incidentele evenementen die een beperkte ruimtelijke uitstraling hebben, zodat geen onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden valt te verwachten. Voorts heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat slechts bij uitzondering een beroep zal worden gedaan op artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels, aangezien het plan ook zonder deze regeling niet in de weg zou staan aan incidentele evenementen waarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift een vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist en is verleend.

6.2. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7286 ligt het op de weg van de planwetgever om over, onder meer, het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, indien dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenemententerrein op een bepaalde locatie van belang is. Het gaat hier om de beoordeling en de afweging of een bestemming die gedurende de planperiode evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet vergunning op grond van de APV wordt verleend. Regulering van evenementen door middel van een vergunningenstelsel in de APV geschiedt immers met name vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde en waarborgt niet de vereiste planologische rechtszekerheid. Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat de APV van de gemeente Barneveld mogelijkheden biedt om het houden van evenementen te reguleren, geen reden kan zijn een planologische regeling van evenementen in het bestemmingsplan achterwege te laten. In het onderhavige geval zijn evenementen, festiviteiten en manifestaties toegestaan

op het voorziene sportpark, zonder dat in de planregels is bepaald wat daaronder of onder "kortstondig" en "incidenteel" moet worden begrepen en zonder dat regels zijn gesteld omtrent, onder meer, het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten en de maximale bezoekersaantallen. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de raad stelt, van een toegekende bestemming afwijkend gebruik niet strijdig met een bestemmingsplan wordt geacht indien dat gebruik zodanig kortdurend en incidenteel is dat de planregels zich daartegen niet verzetten. In dergelijke gevallen gaat het immers om gebruik waarin de betreffende bestemming, anders dan in het onderhavige geval, niet expliciet voorziet. Nu de raad ervoor heeft gekozen planologisch expliciet te voorzien in het gebruik van het voorziene sportpark voor evenementen, manifestaties en festiviteiten, heeft hij zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid, kon worden afgezien van regulering in het plan.

Het betoog slaagt.

7. [appellant] en anderen vrezen dat zij lichthinder zullen ondervinden. Zij stellen dat in het plan weliswaar de hoogte van de voorziene lichtmasten is beperkt, maar niet de uitstraling van licht naar de omgeving.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de voorziene hoogte van de lichtmasten, de afstand tot de omliggende woningen en de afschermde beplanting niet voor onaanvaardbare lichthinder hoeft te worden gevreesd. Voorts wijst de raad erop dat in het inrichtingsplan, waarnaar in artikel 9.1.1 van de planregels wordt verwezen, is weergegeven dat rond het plangebied en met name langs de zuidoostrand een rij bomen zal worden aangelegd. Verder heeft de raad erop gewezen dat de voetbalvereniging voornemens is de lichtmasten uit te rusten met een type verlichting die als een deken over het veld valt en daarbuiten weinig uitstralend effect heeft, teneinde lichthinder voor omwonenden te voorkomen.

7.2. Het plan voorziet in lichtmasten van maximaal 15 meter hoogte ter plaatse van de gronden met de bestemming "Sport", op ten minste 70 meter van de woningen van [appellant] en anderen. Voorts is voorzien in lichtmasten van maximaal 9 meter hoogte ter plaatse van de gronden met de bestemming "Groen". De dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen ligt op ongeveer 30 meter van deze gronden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op deze voormelde hoogten en afstanden geen onaanvaardbare lichthinder zal optreden, zodat kon worden afgezien van een regeling omtrent de mate van uitstraling.

Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen betogen dat het plan tot wateroverlast zal leiden. Zij voeren hiertoe aan dat het plangebied thans bij hevige regenval functioneert als overloopgebied voor de Zeumerse beek, die langs de noordzijde van het plangebied loopt. Doordat het plangebied wordt opgehoogd, verdwijnt deze waterbergende capaciteit en zal volgens hen elders wateroverlast ontstaan, met name op de aangrenzende percelen. Ook stellen zij in dit verband dat de voorziene wadi’s bij een flinke regenbui onvoldoende opvangcapaciteit voor het gebiedseigen water hebben en zullen overlopen naar de op die momenten al overstromende Zeumerse beek. Voorts stellen [appellant] en anderen dat de naastgelegen gronden aan de [locaties] thans afwateren op de lager gelegen gronden in het plangebied. Als de gronden in het plangebied worden opgehoogd, komen de aangrenzende percelen relatief gezien lager te liggen en kunnen zij niet meer op het plangebied afwateren. Voor het water uit deze afwateringsgebieden bieden de voorziene wadi’s geen opvang. Ook hierdoor zal wateroverlast ontstaan, zo betogen [appellant] en anderen.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot wateroverlast omdat in voldoende opvangcapaciteit is voorzien. De raad heeft in dit verband erop gewezen dat als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan is gehanteerd dat kunstgrasvelden worden aangelegd, die vanuit een oogpunt van infiltratie minder gunstig zijn dan gewoon gras. Feitelijk zullen echter gewone grasvelden worden aangelegd, aldus de raad.

8.2. In paragraaf 5.16 van de plantoelichting zijn de effecten van het plan op de waterhuishouding beschreven. Voor de waterhuishouding is van belang dat het plan voorziet in een kantine, parkeervoorziening en twee kunstgrasvelden. Daartoe wordt de bestaande schuur gesloopt en worden de bestaande twee watergangen in het weiland gedempt. Hiermee is voorzien in een toename aan afvoerend verhard oppervlak van 8.500 m2. Dit afvoerend verhard oppervlak betreft het dak van de kantine en het omliggende verhard terrein, het parkeerterrein en een gedeelte van de kunstgrasvelden. Gelet op deze toename is waterberging in het plangebied noodzakelijk geacht. Het plan voorziet daarom ten noorden en zuiden van het oostelijke veld in wadi’s. Deze wadi's hebben een overloop naar de Zeumerse beek onderscheidenlijk de watergang aan de oostzijde. Ook ten westen van het voorziene parkeerterrein wordt een wadi gerealiseerd, met een overloop naar de watergang langs de Baron van Nagellstraat. Het water dat op het oostelijk kunstgrasveld valt, infiltreert deels in de bodem en wordt voor de rest via drainage afgevoerd naar de noordelijke wadi. Bij het westelijk kunstgrasveld wordt overtollig water afgevoerd naar de zuidelijke wadi. Het water dat op het dak van de kantine of het omliggende verhard terrein valt, wordt eveneens naar de zuidelijke wadi afgevoerd. Het water dat op het parkeerterrein valt, wordt afgevoerd naar de naastgelegen wadi. Alle wadi's krijgen een overloopmogelijkheid naar een naastgelegen watergang. De inhoud van de wadi's voldoet ruimschoots aan de eisen voor waterberging als gevolg van de toename aan afvoerend verhard oppervlak, zo is in de plantoelichting vermeld.

8.3. [appellant] en anderen hebben hun stelling dat het plangebied bij hevige regenval functioneert als overloopgebied voor de Zeumerse beek niet onderbouwd en de raad heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar modelgegevens van het waterschap toegelicht dat het plangebied te hoog boven NAP ligt om als overloopgebied te functioneren. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding het standpunt van de raad niet te volgen dat ophoging van het plangebied hierin geen verandering zal brengen. De stelling van [appellant] en anderen dat de wadi’s tijdens een flinke regenbui onvoldoende capaciteit hebben voor de opvang van het gebiedseigen water, zodat door overloop in de Zeumerse beek op de omliggende percelen wateroverlast zal ontstaan, is evenmin met objectieve gegevens onderbouwd. In deze stelling kan dan ook geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen aannemen dat in voldoende opvangcapaciteit voor het gebiedseigen hemelwater is voorzien. Verder is niet gebleken dat, voor zover het water vallend op de gronden aan de [locaties] niet meer op het plangebied kan worden afgevoerd na ophoging daarvan, niet op andere wijze in de afvoer daarvan kan worden voorzien. Te denken valt daarbij met name aan afwatering op de watergang aan de oostzijde van het plangebied of aan realisatie van een sloot in noordelijke richting die aansluit op de Zeumerse beek. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare wateroverlast ter plaatse van de gronden aan de [locaties].

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen, onder wie [persoon A] en [persoon B], betogen dat door het plan de ontwikkelingsmogelijkheden van het door laatstgenoemde personen geëxploiteerde agrarische bedrijf aan de [locatie 2] worden beperkt. Zij voeren hiertoe aan dat het voorziene sportpark een geurgevoelig object is en binnen de geurcontour van het agrarische bedrijf zal komen te liggen.

9.1. Ingevolge artikel 1, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wvg) is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt gebruikt. Gelet op deze definitie valt niet in te zien dat de voorziene sportvelden een geurgevoelig object zijn. Voorts ligt het in het plan voorziene gebouw op ongeveer 145 meter afstand van het bedrijf van [persoon B] en [persoon A]. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting is vermeld dat de geurbelasting van het bedrijf van [persoon B] en [persoon A] ter plaatse van het voorziene gebouw 14 ouE/m³ mag bedragen, zoals volgt uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvg, en dat uit een geurberekening is gebleken dat de geurbelasting ter plaatse 4,1 ouE/m³ is. Gelet hierop wordt door het bedrijf van [persoon B] en [persoon A] na de realisatie van het plan ruimschoots aan de bedoelde norm voldaan, hetgeen [appellant] en anderen ook niet hebben betwist. Daarnaast heeft de raad ter zitting erop gewezen dat de woningen aan de [locaties], die geurgevoelige objecten zijn, op ongeveer 95 meter afstand van het bedrijf liggen, derhalve op kortere afstand dan het voorziene gebouw. Daargelaten of het voorziene gebouw een geurgevoelig object is, leidt verwezenlijking van het voorziene sportpark derhalve niet ertoe dat nieuwe geurgevoelige objecten worden gerealiseerd op kortere afstand van de inrichting dan de bestaande dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling leidt tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf van [persoon B] en [persoon A].

Het betoog faalt.

10. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot aantasting van het landschap, nu het zicht op het beekdal met knotwilgen verdwijnt. Gelet hierop is het plan volgens hen vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid om ongewenste ontwikkelingen in landschappelijke bufferzones tegen te gaan. Dit beleid is volgens hen neergelegd in de op 17 maart 2011 uitgebrachte Gebiedsvisie Zeumeren, de bij besluit van 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied Barneveld, en het bij besluit van 29 mei 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2012".

10.1. Ter zitting is door de raad onweersproken toegelicht dat niet de Gebiedsvisie, maar de nadien vastgestelde Structuurvisie het geldende gemeentelijke beleid weergeeft. Blijkens de kaart die is opgenomen in bijlage 8 bij de Structuurvisie ligt het plangebied binnen de zogenoemde stedelijke zone en niet, zoals [appellant] en anderen hebben gesteld, binnen de zogenoemde landschappelijke bufferzone. Het op pagina 13 tot en met 15 van de Structuurvisie vermelde uitgangspunt om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan binnen de landschappelijke bufferzones is derhalve niet van toepassing. De door [appellant] en anderen aangehaalde passage uit de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", die mede voor het onderhavige plangebied het vorige planologische regime vormde, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze passage, wat daar verder ook van zij, gaat namelijk over de in de Structuurvisie aangewezen landschappelijke bufferzones en zoals vermeld maakt het plangebied daar geen deel van uit.

Het betoog faalt in zoverre.

10.2. Niet in geschil is dat het zicht op het beekdal en de knotwilgen in het plangebied zal verdwijnen, zodat aannemelijk is dat het open en groene karakter ter plaatse van het plangebied enigszins zal worden aangetast. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geeft echter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan het mogelijk maken van het sportpark op deze locatie dan aan het belang van [appellant] en anderen bij behoud van de bestaande situatie. De raad heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat in de omgeving zicht op de beek blijft bestaan en dat het plan voorziet in een groene inpassing van het sportpark. Ook heeft de raad bij zijn afweging kunnen betrekken dat het plangebied binnen de in de Structuurvisie bedoelde stedelijke zone ligt. In dit gebied heeft de raad de in het plan voorziene bebouwings- en gebruiksmogelijkheden niet onaanvaardbaar hoeven achten.

Het betoog faalt in zoverre eveneens.

11. [appellant] en anderen stellen dat in het natuurcompensatieplan dat is opgesteld in het kader van provinciale inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" is vermeld dat het plangebied een geschikt habitat vormt voor de steenuil. Voorts stellen zij onder verwijzing naar de op 10 december 2015 in hun opdracht door Tauw uitgebrachte notitie ‘quickscan Ffw verplaatsing voetbalvelden naar de Oude Zeumenseweg te Voorthuizen’ (hierna: het tegenrapport) dat in het plangebied sporen van een steenuil zijn gevonden. Ter zitting hebben zij gesteld dat zij rond het plangebied de steenuil waarnemen. De raad heeft hiermee volgens hen toen onrechte geen rekening gehouden. Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat de raad niet heeft onderkend dat voor realisering van de bedoelde rondweg een ontheffing als bedoeld in de Flora en faunawet (hierna: Ffw) is verleend voor de steenuil en dat op basis daarvan als verzachtende maatregel in het plangebied een nestkast voor steenuilen geplaatst moet worden. Het plan maakt dit onmogelijk en had derhalve niet mogen worden vastgesteld, zo betogen zij. [appellant] en anderen betogen verder dat het plan zal leiden tot verstoring van de vliegroutes van vleermuizen. Zij voeren hiertoe aan dat is voorzien in hekwerken van 9 meter hoog.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek volgt dat het onderhavige plangebied geen leefgebied van de steenuil is. Voorts stelt de raad dat de plaatsing van een nestkast voor de steenuil binnen het plangebied als optie was vermeld in het natuurcompensatieplan dat is opgesteld in het kader van de met het inpassingsplan mogelijk gemaakte rondweg. Nadien zijn echter in december 2012 voldoende, succesvolle nestkasten opgehangen op andere locaties. Op basis daarvan is voor de rondweg een ontheffing aangevraagd en verleend. Gelet hierop is het niet noodzakelijk dat een nestkast voor de steenuil in het plangebied aanwezig is.

11.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In het kader van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de aanleg van het sportpark. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Quick scan beschermde natuur aanleg voetbalveld Voorthuizen", dat op 6 oktober 2014 in opdracht van de provincie Gelderland is uitgebracht door Natuurbalans-Limes Divergens (hierna: de quickscan). Uit de quickscan blijkt dat een bureaustudie is verricht en dat veldonderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van en potenties van het plangebied voor beschermde diersoorten. De quickscan is aangevuld met de notitie "Onderzoek steenuil voetbalveld Voorthuizen", die op 20 maart 2015 is uitgebracht door Natuurbalans-Limes Divergens (hierna: de notitie).

11.3. Wat de steenuil betreft, is het volgende van belang. In de quickscan wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden mogelijk schadelijk zijn voor de steenuil. Het gebied is door de aanwezigheid van 33 oude knotbomen en grasland zeer geschikt voor deze soort. Bekend is dat de steenuil op nog geen 300 meter van het plangebied voorkomt. Het is dus goed mogelijk dat het plangebied het leefgebied van de steenuil vormt of dat steenuilen er broeden. Leefgebied wordt mogelijk vernietigd en aanbevolen wordt nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van de steenuil. Tijdens dat onderzoek kan vastgesteld worden of de steenuil aanwezig is. In dat geval is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen om schade te compenseren of te mitigeren en een ontheffing als bedoeld in de Ffw aan te vragen. Het onderzoek is uit te voeren in februari - maart, zo staat in de quickscan.

In maart 2015 is het bedoelde nadere onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de notitie. In de notitie is vermeld dat in het broedseizoen in de avonduren drie veldbezoeken zijn gebracht aan het plangebied en de omgeving daarvan, conform de methodiek die is neergelegd in de zogenoemde "Soortenstandaard Steenuil". Onder meer zijn sporen gezocht en ook is met een lokroep gezocht naar steenuilen. Geconcludeerd is dat het plangebied weliswaar geschikt lijkt, maar geen actueel leefgebied vormt van de steenuil. Het dichtstbijzijnde steenuilenterritorium ligt op ongeveer 1 kilometer afstand van het plangebied en gelet op de standaard territoriumgrootte maken de betreffende steenuilen geen gebruik van het plangebied. Er is dan ook voor de steenuil geen ontheffing als bedoeld in de Ffw nodig voor de uitvoering van het plan, aldus de notitie.

11.4. In het tegenrapport, dat is gebaseerd op bronnenonderzoek en één oriënterend veldbezoek aan het plangebied in december, is vermeld dat sporen van faeces van de kerkuil en/of steenuil zijn aangetroffen in het oude schuurtje in het plangebied en bij de schuren op het erf aan de Oude Zeumenseweg 8. Op basis hiervan is het volgens het tegenrapport aannemelijk dat het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied en mogelijk ook als broedlocatie. Ook zou het plangebied geschikt zijn als nestlocatie, zo staat in het tegenrapport.

11.5. De raad heeft gelet op het tegenrapport de notitie "Controle steenuil plangebied de Kieviten, Voorthuizen", dat op 9 februari 2016 is uitgebracht door Natuurbalans-Limes Divergens (hierna: het controlerapport) overgelegd. Hierin is vermeld dat de schuur en het omliggende gebied tijdens een veldbezoek nogmaals zijn onderzocht op sporen van de steenuil. Op basis van het sporenonderzoek kan volgens het controlerapport worden geconcludeerd dat ooit een uil in de schuur aanwezig is geweest, maar dat de sporen oud zijn en de schuur zeker niet als nestlocatie in gebruik is. Het betreffen hoogstwaarschijnlijk sporen van een zwervende kerk- of steenuil. Voorts is vermeld dat de schuur en de omliggende knotwilgen geen deel uitmaken van een steenuilenterritorium en dat de schuur kan worden gesloopt zonder dat schade optreedt voor de steenuil.

11.6. Artikel 11 van de Ffw beschermt niet het gehele leefgebied van de steenuil, maar slechts de vaste rust- en verblijfplaatsen.

Het onderzoek dat is verricht in het kader van de notitie is uitgevoerd volgens een standaardmethode met drie veldbezoeken in het broedseizoen. Van de het tegenrapport vermelde vondst van sporen van faeces in het schuurtje staat niet vast of zij van een steenuil of van een kerkuil zijn en voorts is daarover in het controlerapport vermeld dat het oude sporen betreft. Gelet hierop geven deze sporen geen aanleiding om de conclusie van de notitie dat binnen het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaats aanwezig is te betwijfelen. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben gesteld dat zij rond het plangebied steenuilen hebben waargenomen en gehoord, is die enkele stelling zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat zich ter plaatse, anders dan volgt uit de conclusies van de voormelde onderzoeken, steenuilen bevinden.

Onder verwijzing naar de notitie, waarin is vermeld dat geen steenuilen van het plangebied gebruik maken, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plangebied geen foerageergebied vormt voor deze soort. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

11.7. De aanleg van de rondweg is voorzien in een provinciaal inpassingsplan en niet in het onderhavige plan. Voor de aanleg van de rondweg is bij besluit van 24 juli 2013 een ontheffing als bedoeld in de Ffw verleend voor onder meer de steenuil, voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015. Daargelaten of gebruik kon worden gemaakt van de ontheffing indien binnen het plangebied geen nestkast aanwezig was, staat die omstandigheid niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het in deze procedure bestreden plan binnen de planperiode van in beginsel 10 jaar.

11.8. Niet in geschil is dat het plan niet zal leiden tot aantasting van verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied van vleermuizen. Wat betreft de vliegroutes van vleermuizen staat in de quickscan dat geen waarnemingen van vleermuizen bekend zijn uit de omgeving van het plangebied. Voorts is vermeld dat de buitenste rij knotwilgen mogelijk als vliegroute wordt gebruikt door enkele vleermuizen, maar dat deze rij knotwilgen intact blijft in de met het plan beoogde situatie. Er is geen ontheffing nodig krachtens de Ffw voor de uitvoering van het plan, aldus de quickscan.

Weliswaar is ter plaatse van de gronden in het centrale gedeelte van het plangebied, waaraan de bestemming "Sport" is toegekend, voorzien in hekwerken in de vorm van ballenvangers, maar uit de quickscan volgt dat ter plaatse geen vliegroutes van vleermuizen lopen die hierdoor kunnen worden verstoord. [appellant] en anderen hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling daartoe is onvoldoende.

11.9. Gelet op hetgeen onder 10.7 is overwogen over de steenuil en onder 10.8 is overwogen over de vleermuis, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

12. [appellant] en andere betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij voeren hiertoe aan dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling omdat de oppervlakte van de nieuwe locatie ten opzichte van de oude locatie verdubbelt. Volgens [appellant] en anderen strekt de relevante regio zich uit tot buiten de ruime kern van het dorp Voorthuizen, nu het merendeel van de spelers en sponsoren niet uit het dorp of zelfs van buiten de gemeente komt. Gelet hierop zijn ten onrechte alternatieve locaties in deze regio, zoals het voetbalterrein van de opgeheven sportvereniging De Glind, niet in overweging genomen, zo betogen [appellant] en anderen.

12.1. De raad heeft toegelicht dat, nu het plan voorziet in de verplaatsing van de bestaande lokale voetbalvereniging, als uitgangspunt is gehanteerd dat de nieuwe locatie in de nabijheid van de oude locatie dient te liggen en dat die locatie in eigendom is of kan komen van de provincie. Volgens de raad voldoet het door [appellant] en anderen bedoelde sportterrein niet aan deze twee voorwaarden.

12.2. In paragraaf 5.7 van de plantoelichting is toepassing gegeven aan het in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro neergelegde toetsingskader. De tekst van deze bepaling treft u aan in de bijlage

Voor zover het sportcomplex al kan worden aangemerkt als een andere stedelijke voorziening in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, hebben [appellant] en anderen niet betwist dat, mede gelet op de omstandigheid dat met het plan is beoogd de verplaatsing van een lokale, bestaande sportclub mogelijk te maken en er ook vanuit de beoogde nieuwbouwwijk Holzenbosch vraag zal zijn naar sportvoorzieningen, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat uit de plantoelichting onvoldoende blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zou zijn vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a.

Wat betreft het tweede lid, onder b, heeft de raad toegelicht dat de aanleiding van het plan de verplaatsing van een bestaande lokale voetbalvereniging is, zodat het nieuwe sportpark in de nabijheid van de oude locatie dient te liggen. De voetbalvereniging heeft in dit verband nog aangevuld dat het merendeel van haar leden per fiets naar de vereniging komt. Daargelaten of het merendeel van die leden en de sponsoren van de vereniging uit het dorp Voorthuizen afkomstig zijn en of het bedoelde terrein van een voormalige sportvereniging in het dorp De Glind binnen bestaand stedelijk gebied ligt, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de benutting van dit terrein voor deze voetbalvereniging geen optie is omdat het over de weg gemeten op ongeveer 13 kilometer van de huidige locatie ligt en aan de overzijde van de A1 ten westen van Barneveld. Verder heeft de raad toegelicht dat binnen het bestaand stedelijk gebied voor het overige onvoldoende ruimte beschikbaar is om te voorzien in de beoogde sportvoorziening.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad voldoende inzichtelijk gemaakt waarom in de behoefte aan het voorziene sportpark niet kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied in de regio. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog faalt.

13. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte de realisatie van het fiets- en wandelpad niet verplicht is gesteld. Nu bestaat het risico dat de beoogde verbinding van het voorziene sportpark met de omgeving niet wordt gerealiseerd, zo stellen zij.

13.1. In het inrichtingsplan is langs de west- en noordzijde van het plangebied een fiets- en wandelpad weergegeven. In de plantoelichting is vermeld dat dit fiets- en wandelpad als verbinding kan dienen van het plangebied met de ten noorden van het plangebied beoogde nieuwbouwwijk Holzenbosch. De raad heeft realisatie van het bedoelde fiets- en wandelpad echter niet noodzakelijk geacht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling waarin het plan voorziet. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit standpunt niet te volgen. De raad heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om als voorwaarde in het plan op te nemen dat het fiets- en wandelpad wordt gerealiseerd.

Het betoog faalt.

14. [appellant] en anderen betogen dat onduidelijk is op welke wijze de provincie de beoogde landschappelijke inpassing van het plangebied gaat uitvoeren. Zij betwijfelen of de voetbalvereniging voldoende financiële middelen heeft om de beoogde inrichting en beplanting aan te leggen en in stand te houden. [appellant] en anderen voeren hiertoe aan dat de voetbalvereniging klein is en dat de oude locatie niet is voorzien van beplanting.

14.1. De beoogde inrichting en beplanting van het plangebied zijn weergegeven in het inrichtingsplan, dat als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd en waarnaar in artikel 9.1.1 van de planregels wordt verwezen. De raad heeft erop gewezen dat, zoals ook vermeld in paragraaf 7.1 van de plantoelichting, de provincie als eigenaar van de gronden in het plangebied een overeenkomst heeft gesloten met de voetbalvereniging. Daarin is bepaald dat de provincie de voetbalvereniging, gelet op de aanleg van de rondweg, voorziet van een volledige schadeloosstelling voor de kosten die gemoeid zijn met de realisatie van het plan, daaronder begrepen de groene zomen. Ook is hierin bepaald dat de voetbalvereniging zorgdraagt voor de uitvoering van de daarmee gemoeide werkzaamheden. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist. Anders dan zij hebben aangenomen, draagt de voetbalvereniging zorg voor de feitelijke realisatie van het plan en de provincie voor de daartoe benodigde financiële middelen. In hetgeen [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de landschappelijke inpassing van het voorziene sportpark financieel niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

15. [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening) en de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) omdat het plan volgens hen duidelijk leidt tot aantasting van de kwaliteit en verbetering van het bestaande. Zij hebben desgevraagd niet gemotiveerd dat de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie, waarover in paragraaf 4.3.1 van de plantoelichting in algemene bewoordingen is beschreven dat de focus daarvan ligt op de kwaliteit en verbetering van het bestaande, in de weg staan aan een wijziging van een bestaande situatie. Het betoog van [appellant] en anderen faalt om die reden.

16. [appellant] en anderen hebben desgevraagd niet gemotiveerd waarom de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) of Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening), waarover in paragraaf 4.3.1 van de plantoelichting in algemene bewoordingen is beschreven dat de focus daarvan ligt op de kwaliteit en verbetering van het bestaande, in de weg staan aan wijziging van een bestaande situatie. Het betoog van [appellant] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening omdat het plan volgens hen duidelijk leidt tot aantasting van de kwaliteit en verbetering van het bestaande, faalt om die reden.

Conclusie en proceskosten

17. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels (de regeling voor evenementen, festiviteiten en manifestaties), is vastgesteld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Alle overige beroepsgronden slagen niet. Dit betekent dat het plan kan worden gerealiseerd. Het is aan de raad om desgewenst een regeling voor evenementen aan het plan toe te voegen. Dat kan, maar hoeft niet.

18. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de raad op te dragen hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

19. Gelet op het oordeel in de hoofdzaak, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

20. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 30 september 2015, kenmerk 15-75, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Baron van Nagellstraat-Oude Zeumerseweg", voor zover het artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels betreft;

III. wijst het verzoek af;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.330,63 (zegge: dertienhonderddertig euro en drieënzestig cent), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Baaren

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016

579-743.

BIJLAGE

Bij rechtsoverweging 4 e.v.

Planregels bij het plan "Baron van Nagellstraat-Oude Zeumerseweg"

Artikel 4 Sport

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Sport" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. sport, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding zoals in de onderstaande tabel is opgenomen, want daar is alleen de specifieke, met die aanduiding corresponderende sportvoorziening sportveld toegestaan:

Aanduiding Sport

(svp) sportveld

[…]

met daaraan ondergeschikt

d. horecavoorzieningen;

[…].

4.2 Bouwregels

4.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd binnen een bouwvlak.

4.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

[…]

c. de totale bebouwde oppervlakte van gebouwen voor een sportvoorziening mag niet meer bedragen dan de in onderstaande lijst aangegeven oppervlakte:

Straat of aanduiding Huisnummer Oppervlakte (m2)

Oude Zeumerseweg ongenummerd 450

[…].

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van palen, masten en ballenvangers mag niet meer dan 10 m bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' want daar geldt de maat zoals op de verbeelding is weergegeven;

b. de bouwhoogte van tribunes mag niet meer dan 8 m bedragen;

c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;

d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

e. de oppervlakte van overkappingen en tribunes telt mee bij de berekening van de totale bebouwde oppervlakte als bedoeld in artikel 4.2.2, aanhef en onder c.

4.5 Specifieke gebruiksregels

4.5.2 Gebruik strijdig met de bestemming

Als gebruik strijdig met de bestemming wordt aangemerkt het gebruik van gebouwen voor een dakterras.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.2 Gebruik overeenkomstig de bestemming

Als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt in ieder geval aangemerkt: 1. het gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist en deze is verleend;

[…].

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Voorwaardelijke verplichting

9.1.1 Overige zone - Voorwaardelijke verplichting 1

Ter plaatse van de aanduiding "Overige zone - Voorwaardelijke verplichting 1" geldt - in afwijking van de daar geldende bestemming(en) - dat het gebruik volgens de bestemming(en) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw, zoals bedoeld in artikel 4.2.2, de gronden binnen deze bestemmingen zijn ingericht en vervolgens ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en beheersplan, zoals opgenomen in bijlage 3. Dit betekent dat de bestaande bomen, de nieuwe bomen als ook de haag aan de zuidrand en de wadi's hier onder vallen. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze bestemming.

Bij rechtsoverweging 11 e.v.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Artikel 1.1.1

1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6

[…]

2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.