Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
201407249/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:5049, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het verzoek van [appellante] om restitutie van de kosten voor het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland ten behoeve van het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201407249/1/V6.

Datum uitspraak: 25 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2014 in zaak nr. 13/5027 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister van SZW).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het verzoek van [appellante] om restitutie van de kosten voor het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland ten behoeve van het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2013 heeft de minister van SZW het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister van SZW heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L. Matpanözer, advocaat te Amsterdam, en de minister van SZW, vertegenwoordigd door mr. C.M. Speear en C.T. Logger, beiden werkzaam bij het Ministerie van SZW, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en bij brief van 17 februari 2016 krachtens artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht de minister van SZW verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te geven. Bij brief van 30 maart 2016 heeft de minister van SZW aan dit verzoek voldaan. Bij brief van 15 april 2016 heeft [appellante] hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn ingevolge de artikelen 3 en 5 van de Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.

2. Bij Koninklijk Besluit van 5 november 2012, nr. 12.002585 (Stct. 2012, 23044) is de minister van SZW belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van integratie en inburgering, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3. In de Compensatieregeling Basisexamen inburgering in het buitenland voor Turkse onderdanen van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (ten tijde van belang de minister van SZW) van 16 maart 2012 (hierna: de Compensatieregeling) is het volgende vermeld:

1. Aanleiding

Op 16 augustus 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep (LJN: BR4959) geoordeeld dat het opleggen van de inburgeringsplicht aan Turkse onderdanen en hun gezinsleden die onder het Associatieverdrag vallen, op grond van de Wet inburgering in strijd is met het associatierecht EU-Turkije. De uitspraak van de CRvB heeft op grond van artikel 16, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet tot gevolg dat het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland door Turkse onderdanen (en hun gezinsleden) die een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor toelating tot Nederland aanvragen, niet langer kan worden verplicht vanaf 16 augustus 2011.

[…]

2. Wie komen voor teruggave van kosten in aanmerking?

Hieronder genoemde categorieën Turkse onderdanen kunnen in aanmerking komen voor restitutie van de kosten gemaakt in het kader van het basisexamen inburgering in het buitenland. Bij het bepalen van de categorieën is door de Minister voor Immigratie, Integratie & Asiel uitgegaan van het gegeven dat examenkandidaten in het kader van hun MVV- en VVR-procedure bezwaar kunnen maken tegen het gestelde inburgeringsvereiste in het buitenland. Ná het verstrijken van de bezwaartermijn van 4 weken na afgifte van de VVR (Verblijfsvergunning regulier), is sprake van formele rechtskracht van het inburgeringsvereiste in het buitenland. Op basis hiervan kunnen de volgende examenkandidaten in aanmerking komen voor restitutie:

[…]

Examen vóór 16 augustus 2011

c. Turkse onderdanen die vóór 16 augustus 2011 het examen (een of meerdere malen) hebben afgelegd en voor wie op of na 16 augustus 2011 nog rechtsmiddelen openstonden in het kader van de afgegeven MVV dan wel VVR na de MVV. Daarbij moet binnen 4 weken na afgifte van de VVR het rechtsmiddel (bezwaar) zijn aangewend.

[…]

4. [appellante] heeft op 13 oktober 2008 het basisexamen inburgering in het buitenland met goed gevolg afgelegd. Bij besluit van 15 oktober 2009 is haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingewilligd. Op 26 januari 2012 heeft [appellante] een verzoek ingediend om restitutie van de kosten voor het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft dit verzoek afgewezen, omdat [appellante] volgens de Compensatieregeling niet in aanmerking komt voor restitutie nu zij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 15 oktober 2009.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister van SZW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij bezwaar had kunnen maken tegen de van het besluit van 15 oktober 2009 deel uitmakende voorwaarde van het afleggen van het basisexamen inburgering en dat deze in de Compensatieregeling onder 2, sub c, genoemde eis niet als onredelijk kan worden beschouwd. Hiertoe voert zij aan dat de ontwikkeling met betrekking tot restitutieverzoeken langzaam op gang is gekomen, de Immigratie- en Naturalisatiedienst weinig informatie heeft verstrekt en het dan ook niet onredelijk is dat [appellante] het verzoek naar aanleiding van de in 3. vermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2011 eerst op 26 januari 2012 heeft ingediend. [appellante] betoogt verder dat niet van haar mocht worden verwacht bezwaar te maken tegen het besluit van 15 oktober 2009, nu haar bij dit besluit een verblijfsvergunning is verleend. Dit besluit en de daarin opgenomen rechtsmiddelenclausule hadden betrekking op de vergunningverlening; hierbij was niet vermeld dat tegen het maken van kosten voor het basisexamen een rechtsmiddel openstond. Volgens [appellante] heeft de minister van SZW, door het restitutieverzoek niet inhoudelijk te beoordelen, in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gehandeld. Voorts is de Compensatieregeling volgens [appellante] in strijd met het doeltreffendheids-, vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel, nu de minister van SZW geen redelijke termijn heeft gesteld waarbinnen een restitutieverzoek kan worden ingediend.

5.1. De minister van SZW heeft aan zijn afwijzing van het verzoek om restitutie van de kosten voor het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland de Compensatieregeling ten grondslag gelegd. Hij heeft zich in het besluit van 24 juli 2013 en ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat hierbij als uitgangspunt geldt dat de verplichting tot het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland deel uitmaakt van het besluit dat wordt genomen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier. Voor zover [appellante] bezwaar had tegen deze verplichting, had zij bezwaar moeten maken tegen het besluit waarbij aan haar een verblijfsvergunning regulier is verleend, aldus de minister van SZW. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister van SZW nader toegelicht dat het bij de beoordeling van de verzoeken om restitutie in de kern gaat om de vraag of tijdig bezwaar is gemaakt tegen het opleggen van de verplichting om het inburgeringsexamen af te leggen. Nu [appellante] dat niet heeft gedaan, is die beslissing, aldus de minister van SZW, in rechte onaantastbaar geworden. De vraag of [appellante] inburgeringsplichtig was kan daarmee niet opnieuw bij de bestuursrechter aan de orde worden gesteld.

5.2. Het voldoen aan de inburgeringsplicht is een voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning regulier en de daarbij behorende machtiging tot voorlopig verblijf. Dat de betrokkene het inburgeringsexamen moet hebben behaald voordat aan hem of haar een machtiging tot voorlopig verblijf wordt verleend, volgt ook uit het formulier dat de referent moet invullen bij een verzoek om advies voor de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister van SZW heeft een betalingsoverzicht overgelegd, waaruit volgt dat [appellante] op 9 september 2008 € 350,00 voor het inburgeringsexamen heeft betaald, dat zij vervolgens op 13 oktober 2008 heeft afgelegd. [appellante] is voor het examen geslaagd en op 15 oktober 2009 is haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.

5.3. De minister van SZW heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu [appellante] niet is opgekomen tegen de haar opgelegde inburgeringsplicht, zij niet in aanmerking komt voor de door haar verzochte restitutie. Daargelaten kan worden of voorwaarde c van de Compensatieregeling zo geformuleerd kon worden. Uit de onderdelen 1 en 2 blijkt dat met de Compensatieregeling in geen geval is beoogd dat iedere Turkse onderdaan in aanmerking komt voor restitutie van de kosten van het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland, maar slechts zij die tegen de verplichting daartoe hebben geageerd.

Dat van [appellante] werd verlangd het inburgeringsexamen af te leggen was voor haar, anders dan de minister van SZW haar heeft tegengeworpen en de rechtbank bij haar oordeel in aanmerking heeft genomen, in ieder geval kenbaar op het moment dat zij voldeed aan haar betalingsplicht voor de kosten van het examen. Op dat moment had [appellante] tegen haar inburgeringsplicht kunnen opkomen. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft de minister van SZW, gelet op de doelstelling en de reikwijdte van de Compensatieregeling, het verzoek om restitutie kunnen afwijzen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank, zij het op andere gronden, het beroep van [appellante] tegen de afwijzing van het restitutieverzoek terecht ongegrond verklaard. Hetgeen [appellante] verder heeft aangevoerd behoeft gezien het vorenoverwogene geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3., met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016

164-800.