Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
201507066/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:6046, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 3 november 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) doorgezonden naar de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland & Westerveld (hierna: IGSD).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/231 met annotatie van R. Ortlep
BA 2016/153
Gst. 2016/130 met annotatie van S.D.P. Kole
JOM 2016/516
JB 2016/125 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507066/1/A3.

Datum uitspraak: 25 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2015 in zaak nr. 15/1183 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

Procesverloop

Op 3 november 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) doorgezonden naar de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland & Westerveld (hierna: IGSD).

Bij besluit van 4 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Partijen hebben toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Bij e-mailbericht van 18 november 2014 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de doorzending van zijn Wob-verzoek aan de IGSD.

Bij brief van 20 november 2014 heeft het college [appellant] te kennen gegeven dat het bezwaarschrift via e-mail is ingediend en niet is ondertekend. Het bezwaarschrift voldoet dan ook niet aan de eisen die de Awb daaraan stelt. [appellant] wordt verzocht het bezwaarschrift schriftelijk en ondertekend in te dienen binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief. Als hij aan dit verzoek niet voldoet, kan het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus het college.

Bij e-mailbericht van 11 december 2014 heeft [appellant] het college verzocht de gestelde termijn met vier weken te verlengen.

Bij e-mailbericht van 23 december 2014 heeft het college de termijn verlengd tot 9 januari 2015.

Vervolgens heeft het college het besluit van 4 februari 2015 genomen.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door in het e-mailbericht van 23 december 2014 niet te vermelden dat, indien [appellant] niet binnen de gestelde termijn reageert, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De omstandigheden van het geval brengen echter mee dat, hoewel hierdoor niet aan het zorgvuldigheidsvereiste is voldaan, daaraan niet de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in rechte geen stand kan houden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hiertoe voert hij onder meer aan dat het feit dat de gebleken verzuimen niet binnen de gestelde termijn zijn hersteld, niet maakt dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft ten onrechte nagelaten opnieuw een fataal bedoelde termijn te stellen en daarbij te kennen te geven dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkheid zal leiden. Dit geldt te meer nu, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, het bezwaarschrift door hem zelf is ingediend en niet van een burger kan worden verwacht dat hij op de hoogte blijft van het steeds ingewikkelder wordende rechtssysteem, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend.

Ingevolge het tweede en derde lid kan een bestuursorgaan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, wordt het bezwaarschrift ondertekend.

Ingevolge artikel 6:6 kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaarschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.2. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift, nu dat niet is ondertekend en per e-mail is ingediend, terwijl de elektronische weg niet was opengesteld, niet voldoet aan de in artikelen 2:15 en 6:5 van de Awb gestelde eisen.

3.3. De Afdeling sluit met de rechtbank aan bij de overweging van de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 8 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT3119), herhaald in de uitspraak van 27 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759), dat de in het kader van de bezwaarschriftprocedure in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat een bestuursorgaan, dat de indiener van het bezwaarschrift een als fataal bedoelde termijn stelt om een gepleegd verzuim te herstellen, daarbij dient te vermelden dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat dit niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg zal hebben. Aan dit zorgvuldigheidsvereiste wordt niet voldaan, indien bij een eerdere, voor het herstel van het verzuim gestelde termijn wel is gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring bij overschrijding daarvan, maar bij de laatste daarvoor gestelde termijn niet. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat, indien niet is voldaan aan dit zorgvuldigheidsvereiste, daaraan toch niet de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in rechte geen stand kan houden, aldus de Centrale Raad van Beroep. Daarbij dient volgens de Centrale Raad van Beroep te worden gedacht aan situaties waarin de mogelijkheid uitgesloten moet worden geacht dat wel zorg zou zijn gedragen voor het tijdig herstellen van het verzuim, indien het bestuursorgaan er wel (nogmaals) uitdrukkelijk op zou hebben gewezen dat geen (verder) uitstel zou worden verleend en tevens (opnieuw) zou hebben gewezen op de mogelijke consequenties van niet-ontvankelijkverklaring. De Centrale Raad van Beroep geeft hier een voorbeeld van situaties waarin aan het niet voldoen aan het zorgvuldigheidsvereiste niet de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in rechte geen stand kan houden. Er kunnen zich echter ook andere situaties voordoen waarin niet die gevolgtrekking aan het niet voldoen aan het zorgvuldigheidsvereiste dient te worden verbonden.

3.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door [appellant] er in het e-mailbericht van 23 december 2014 niet opnieuw op te wijzen dat, indien hij de verzuimen niet binnen de gestelde termijn herstelt, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Eveneens terecht heeft de rechtbank overwogen dat in de in geding zijnde situatie de omstandigheden van het geval echter meebrengen dat, hoewel niet aan het zorgvuldigheidsvereiste is voldaan, daaraan niet de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in rechte geen stand kan houden. Hiertoe wordt het volgende in aanmerking genomen.

Bij de brief van 20 november 2014 is [appellant] duidelijk gemaakt dat, als hij niet binnen twee weken een schriftelijk, ondertekend bezwaarschrift toezendt, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Vast staat dat [appellant] niet binnen de gestelde termijn een schriftelijk, ondertekend bezwaarschrift heeft ingediend. Het college had reeds daarom het door [appellant] ingediende bezwaar niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Daarbij komt dat [appellant] eerst bij het e-mailbericht van 11 december 2014, dus na afloop van de gestelde termijn, het college heeft verzocht om uitstel van die termijn en daarin heeft gewezen op de brief van 20 november 2014. Hij wordt dan ook geacht op de hoogte te zijn geweest van de in die brief weergegeven gevolgen van het niet tijdig herstellen van de verzuimen. Vervolgens heeft het college de termijn verlengd tot 9 januari 2015 en [appellant] hiervan per e-mailbericht, dus zonder vertraging door postbezorging, op de hoogte gebracht. Het college heeft gesteld dat nimmer een schriftelijk, door [appellant] ondertekend bezwaarschrift is ontvangen. De Afdeling ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Hiertoe is mede van belang dat, hoewel [appellant] heeft gesteld wel een schriftelijk bezwaarschrift te hebben verzonden, hij hiervan geen enkel bewijs heeft aangedragen. Derhalve dient het ervoor te worden gehouden dat [appellant] niet heeft getracht de verzuimen te herstellen door het college een schriftelijk, ondertekend bezwaarschrift toe te zenden.

Dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet zijn gemachtigde maar [appellant] zelf het bezwaarschrift heeft ingediend, doet niet af aan de conclusie dat de rechtbank het besluit van 4 februari 2015 gezien het vorenstaande terecht in stand heeft gelaten.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. Voor zover het college heeft aangevoerd dat [appellant] misbruik van recht heeft gemaakt, behoeft dit geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Mossel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016

741.