Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
201600888/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Harnaschpolder Zuid 2014" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600888/2/R4.

Datum uitspraak: 13 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

en

de raad van de gemeente Midden-Delfland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Harnaschpolder Zuid 2014" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld.

[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad en [verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2016, waar [verzoeker A], bijgestaan door mr. T. Pothast, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders en mr. J.S. Procee, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het Bedrijvenschap Harnaschpolder, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders en mr. J.S. Procee, voornoemd.

Buiten bezwaren van partijen heeft de raad ter zitting nadere stukken overgelegd.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ter zitting hebben [verzoekers] het verzoek om schorsing van het exploitatieplan ingetrokken.

3. Het plan voorziet in een nieuw bedrijventerrein ten westen van Den Hoorn. [verzoekers] wonen aan de [locatie], gelegen in het zuiden van het plangebied. Als gevolg van het plan zal de verspreid gelegen woon- en bedrijfsbebouwing aan de Harnaskade verdwijnen - waaronder de woning van [verzoekers]. Hun beroep is er primair op gericht dat te voorkomen.

4. [verzoekers] betogen dat ten onrechte niet door middel van een passende beoordeling is onderzocht wat het effect is van het plan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dit kader voeren zij aan dat in de plantoelichting staat dat significant nadelige effecten als gevolg van de realisatie van de plannen voor de bedrijventerreinen Harnaschpolder Zuid en Noord niet kunnen worden uitgesloten.

4.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

4.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.3. De bepalingen van de Nbw 1998 hebben met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412 volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

4.4. Ter zitting is vast komen te staan dat [verzoekers] op een afstand van ongeveer zeven kilometer van in de buurt van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden wonen. Gelet op die afstand bestaat geen verwevenheid van de individuele belangen van [verzoekers] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met de algemene belangen die artikel 19j van de Nbw 1998 beoogt te beschermen. De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat de betrokken norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen [verzoekers]. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het betoog over de passende beoordeling gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan.

5. [verzoekers] betogen verder dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. Hiertoe voeren zij aan dat het aantal hectares bedrijventerrein dat in het onderhavige plan is voorzien in samenhang moet worden bezien met het aantal hectares bedrijventerrein dat het bestemmingsplan voor het gebied Harnaschpolder Noord mogelijk maakt. Tezamen maken deze plannen meer dan 75 hectare aan bedrijventerrein mogelijk, waardoor de drempelwaarde uit het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.) wordt overschreden, aldus [verzoekers].

5.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein Harnaschpolder Zuid op zichzelf moet worden bezien. Het aantal hectares dat dit plan aan bedrijventerrein mogelijk maakt, ligt ruim onder de drempelwaarde, aldus de raad. Echter, ook als de plannen voor Harnaschpolder Zuid en Noord in samenhang worden bezien, wordt de drempelwaarde volgens de raad niet overschreden, zodat een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is.

5.2. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein van 75 hectare of meer is aangewezen in categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In kolom 4 is bij deze categorie het bestemmingsplan aangewezen als besluit waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

5.3. De voorzieningenrechter betwijfelt of de ontwikkeling van Harnaschpolder Zuid en Noord niet als één samenhangende activiteit moet worden beschouwd. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat door de raad in dat kader ter zitting naar voren is gebracht dat de terreinen worden ontsloten door verschillende afritten en dat tussen de terreinen zowel een woon- als een groenstrook ligt. Daar staat echter tegenover dat de twee bedrijventerreinen vrijwel naast elkaar liggen en zijn verbonden door de Harnaschdreef, voor beide bedrijventerreinen de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijvenschap Harnaschpolder geldt en de ontwikkeling van de beide bedrijventerreinen in verschillende beleidsdocumenten als één ontwikkeling lijkt te worden beschouwd.

5.4. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande echter geen aanleiding voor het treffen van een voorziening. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat zelfs indien wordt aangenomen dat sprake is van één samenhangende activiteit, niet de verwachting bestaat dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de drempelwaarde van 75 hectare wordt overschreden. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat voor zover het gebruik van gronden ongewijzigd blijft, deze gronden niet hoeven te worden betrokken bij de beoordeling of de drempelwaarde wordt overschreden. De raad heeft ter zitting gesteld dat wanneer de in voorheen geldende plannen voorziene ontwikkelingen die al gerealiseerd zijn buiten beschouwing worden gelaten, moet worden uitgegaan van een oppervlakte van 42,2 hectare voor Harnaschpolder Zuid en 20,9 hectare voor Harnaschpolder Noord en derhalve in totaal van 63,1 hectare.

Door [verzoekers] is ter zitting in dit kader gesteld dat op het bedrijventerrein Harnaschpolder Zuid weliswaar bedrijvigheid aanwezig is die door het voorheen geldende plan al mogelijk werd gemaakt, maar het onderhavige plan maakt volgens hen ter plaatse van die bedrijvigheid een hogere milieucategorie mogelijk. Daarom is wat die bedrijvigheid betreft geen sprake van een ongewijzigd gebruik, zo hebben zij betoogd. Ter zitting is gebleken dat deze bedrijvigheid echter een oppervlakte van 3,8 hectare beslaat, zodat indien deze oppervlakte wordt betrokken bij het bepalen van de drempelwaarde, de totaal te betrekken oppervlakte neerkomt op 66,9 hectare en derhalve onder de drempelwaarde blijft.

6. [verzoekers] betogen voorts dat hetgeen in de plantoelichting over de vormvrije m.e.r.-beoordeling staat, niet voldoet aan de eisen voor die beoordeling. Voor zover de raad zich baseert op een na het bestreden besluit opgestelde notitie van Rho, voeren [verzoekers] met name aan dat de conclusie in die notitie zich niet verhoudt tot de plantoelichting, waarin staat dat significant nadelige effecten als gevolg van de realisatie van de plannen voor de beide bedrijventerreinen niet uitgesloten worden.

6.1. In de notitie ‘Nadere toelichting vormvrije mer-beoordeling’ van Rho van 26 april 2016 staat dat de (verdere) invulling van het plangebied geen belangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt die een volwaardige m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Verder wordt in die notitie geconcludeerd dat de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Harnaschpolder Zuid en Harnaschpolder Noord ook in samenhang bezien niet leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die noodzaken tot het doorlopen van een mer-procedure. Gelet op deze conclusies acht de voorzieningenrechter vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat de raad in het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen m.e.r.-beoordeling nodig is.

7. [verzoekers] betogen ten slotte dat de raad ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het plan voorziet in een actuele, regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In dit kader voeren zij aan dat een cijfermatige onderbouwing in de plantoelichting ontbreekt.

7.1. In de plantoelichting staat dat de ontwikkeling van de Harnaschpolder reeds is opgenomen in de laatste regionale bedrijventerreinenstrategie van de toenmalige stadsregio Haaglanden. Verder heeft de raad een second opinion over de behoefte aan het voorziene bedrijventerrein van Ecorys van 26 april 2016 overgelegd. Hierin staat dat de behoefte in de regio 118,8 hectare bedraagt. Hiertegenover staat een aanbod van 117,2 hectare, waarbij de ontwikkeling van bedrijventerrein Harnaschpolder is betrokken. In de second opinion wordt gelet daarop geconcludeerd dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte.

7.2. Los van de vraag of in dit geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling hebben [verzoekers] gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

8. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat aanleiding bestaat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Nijveld, griffier.

w.g. Hagen w.g. Nijveld

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2016

786.