Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
201506107/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde Merwedehaven" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6369
Module Ruimtelijke ordening 2016/7567
JOM 2016/460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506107/1/R4.

Datum uitspraak: 18 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Derde Merwedehaven B.V., gevestigd te Dordrecht, en de naamloze vennootschap Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V., (hierna: PROAV N.V.), gevestigd te Den Haag,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Dordrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde Merwedehaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2016, waar Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V., vertegenwoordigd door mr. B. Zwaga, advocaat te Nieuwdorp, ing. D.M.M. van Rijn, werkzaam als projectleider bij Derde Merwedehaven B.V., en drs. A.E.L. Lindhout, werkzaam als projectleider bij PROAV N.V., en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Soons, E. Hoff en C. van Rijk, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan heeft betrekking op de aan de Beneden-Merwede gelegen Derde Merwedehaven, het bedrijventerrein ten noorden van deze haven, het 380 Kv-transformatorstation ten westen van de haven, het staalstraalbedrijf in de haven en op de gronden van de gesloten stortplaats Derde Merwedehaven ten zuiden van deze haven.

Het plan voorziet in de inrichting van de gronden van de gesloten stortplaats als recreatiegebied en in de herinrichting van de kade en het voorterrein aan de zuidzijde van de Derde Merwedehaven voor watergebonden bedrijvigheid. Daartoe kent het plan aan de gronden van de gesloten stortplaats onder meer de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" toe.

Het plangebied ligt bij het Natura 2000-gebied "Biesbosch" en het recreatiegebied Hollandse Biesbosch, waarin een budgethotel en een camping zijn gevestigd. Ook ligt het plangebied bij de wijk De Staart, waarin een woonwijk en een bedrijventerrein zijn gelegen. Aan de overzijde van de Beneden-Merwede ligt op ongeveer 700 meter afstand een woonwijk. Het plangebied is bereikbaar via de Baanhoekweg.

Aanleiding

4. Derde Merwedehaven B.V. is exploitant van de voormalige en inmiddels gesloten stortplaats Derde Merwedehaven. Haar was daarvoor een milieuvergunning verleend. PROAV N.V. is eigenaar van de gronden. Zij vrezen dat de beperking van de vrachtwagentransporten die in de artikelen 3.5.7, 3.8, 18.3 en 18.4 van de planregels is opgenomen en de beperking tot bedrijfsactiviteiten uit milieucategorieën 1 tot en met 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten de ontwikkeling en gebruiksmogelijkheden van het op het voorterrein van de voormalige stortplaats te ontwikkelen bedrijventerrein beperken.

Maximering vrachtwagentransporten

5. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. betogen dat de beperking van de vrachtwagentransporten die in de planregels voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" is opgenomen, niet in een bestemmingsplan opgenomen kan worden. Zij betogen voorts dat de raad geen dwingende redenen aanvoert die daartoe noodzaken.

5.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" naast activiteiten voor de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats uitsluitend watergebonden bedrijven/bedrijfsactiviteiten toegestaan.

Ingevolge lid 3.5.7 mogen de in lid 3.5.1, onder a., bedoelde gronden voor watergebonden bedrijven/bedrijfsactiviteiten in gebruik worden genomen en gehouden, indien per m2 uitgeefbare grond per jaar niet meer dan 0,8 vrachtwagentransporten (= 1,6 verkeersbewegingen) plaatsvinden. Aanvullend hierop en voor de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats is in lid 18.3 een regeling getroffen.

Ingevolge lid 3.8 kan het bevoegd gezag het plan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening wijzigen voor het verhogen van het aantal vrachtwagentransporten per m2 uitgeefbare grond voor bedrijven/bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.5.7 en het gelijktijdig verlagen van het aantal vrachtwagentransporten per m2 uitgeefbare grond voor één of meer andere bedrijven/bedrijfsactiviteiten, indien de bedrijfseconomische noodzaak voor verhoging van het aantal vrachtwagentransporten is aangetoond en het maximum aantal van 32.240 vrachtwagentransporten per jaar voor de bedrijven op de met "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" aangeduide gronden niet wordt overschreden.

Ingevolge artikel 18, lid 18.3, mag het aantal vrachtwagentransporten voor de in artikel 3, lid 3.5.7, bedoelde gronden en voor de ingevolge deze regels toegestane exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats per jaar niet meer dan 32.240 bedragen.

Ingevolge lid 18.4 kan het bevoegd gezag voor de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.3, indien de hiervoor noodzakelijke transporten niet over het water kunnen plaatsvinden.

5.2. De raad stelt dat in overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze voorafgaand aan het opstellen van het bestemmingsplan een Nota van Uitgangspunten is opgesteld. In deze Nota van Uitgangspunten Derde Merwedehaven is onder meer als uitgangspunt opgenomen dat er niet meer vrachtwagentransporten ontstaan dan was toegestaan in de milieuvergunning voor de stortplaats. Gelet hierop is het aantal vrachtwagentransporten in het plan gemaximeerd tot het aantal dat op grond van de milieuvergunning voor de stortplaats maximaal was toegestaan. Het is volgens de raad in verband met de omgeving van het plangebied noodzakelijk dat niet meer vrachtwagentransporten plaatsvinden. De raad wijst er daarbij op dat de omgeving wordt gevormd door een recreatiegebied, een Natura 2000-gebied en een woonwijk.

5.3. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan beleidsvrijheid heeft om regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Vrachtwagentransporten, zeker indien die in grote aantallen plaatsvinden, hebben volgens de raad gevolgen voor onder meer woon- en leefklimaat, verkeersveiligheid, milieu, volksgezondheid en natuur. De raad heeft met het in de planregels maximeren van het aantal vrachtwagentransporten ten gevolge van het plan, beoogd de nadelige gevolgen daarvan tot een naar zijn oordeel vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor de omgeving aanvaardbaar niveau te beperken. De Afdeling acht de door Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. bestreden planregeling in het licht daarvan planologisch relevant. Daargelaten de handhaafbaarheid ervan, waarop hierna onder 9.2 wordt ingegaan, ziet de Afdeling hierin voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze planregeling niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" behoorden tot de stortplaats en dat in de voor de stortplaats verleende milieuvergunning het aantal vrachtwagentransporten reeds was beperkt, en dat het plan voor wat betreft deze gronden in de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid voorziet.

6. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. wijzen erop dat de vrachtwagentransporten over de Baanhoekweg gaan. Zij voeren aan dat in andere bestemmingsplannen waar deze weg doorheen loopt geen beperkingen zijn opgenomen voor het aantal vrachtwagentransporten. Ook zijn dergelijke beperkingen niet opgenomen voor andere bedrijvigheid in het plangebied.

6.1. De raad wil dat het gebruik van de gronden ter plaatse van de gesloten stortplaats tot niet meer vrachtwagentransporten leidt dan het maximale aantal als bepaald in de daarvoor verleende milieuvergunning.

6.2. Met betrekking tot de door Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. gemaakte vergelijking met de planologische regelingen, die gelden ter plaatse van andere bedrijven die ook gebruik maken van de Baanhoekweg en waarin het aantal vrachtwagentransporten niet is gemaximeerd, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat die situaties verschillen van de voorliggende situatie. In eerst genoemde situaties gaat het om bestaande bedrijvigheid op gronden waarvoor het aantal vrachtwagentransporten nooit is gemaximeerd, terwijl het in dit geval gaat om een planologische regeling die voorziet in een herontwikkeling van gronden die behoorden tot een inrichting waarvoor in de milieuvergunning het aantal vrachtwagentransporten was gemaximeerd. Aldus verschilt de voorliggende planregeling op relevante wijze van eerst genoemde situaties.

7. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. voeren aan dat verschillende begrippen, zoals transporten, transportbewegingen, verkeersbewegingen en vrachtwagentransportbewegingen door elkaar worden gebruikt, waardoor het bestemmingsplan onduidelijk is.

7.1. De raad stelt dat onder een verkeersbeweging een enkele rit met een verkeersmiddel wordt begrepen en dat een vrachtwagentransport bestaat uit twee verkeersbewegingen.

7.2. De Afdeling overweegt dat artikel 3, lid 3.5.7, van de planregels bepaalt dat 0,8 vrachtwagentransporten gelijk is aan 1,6 verkeersbewegingen. De begrippen transportbewegingen en vrachtwagentransportbewegingen komen niet voor in de planregels. In artikel 18, lid 18.4, wordt het begrip transporten gebruikt voor transporten die niet over het water kunnen plaatsvinden. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gebruikte begrippen tot onduidelijkheid leiden.

8. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. voeren voorts aan dat de raad ten gevolge van de beperking van de vrachtwagentransporten niet voldoet aan zijn doelstelling om de ontwikkeling van het voorterrein als bedrijventerrein rendabel mogelijk te maken.

8.1. De raad stelt dat is onderzocht of de maximering van het aantal vrachtwagentransporten voldoende ruimte zou laten voor de exploitatie van het bedrijventerrein. Daartoe is aan de hand van de CROW-kengetallen een raming gemaakt van het aantal vrachtwagentransporten bij een gemiddelde ontwikkeling, voor de scenario’s zeehaventerrein en zwaar industrieterrein. De daarop gebaseerde prognose van 8.853 vrachtwagentransporten per jaar bij een gemiddelde ontwikkeling tot zwaar industrieterrein blijft ruim onder het aantal van 32.240 vrachtwagentransporten per jaar dat op basis van de milieuvergunning was toegestaan. Volgens de raad laat de maximering van het aantal vrachtwagentransporten derhalve voldoende ruimte voor een rendabele exploitatie van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf".

8.2. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 18, lid 18.3, van de planregels het in dat artikel opgenomen maximum aantal vrachtwagentransporten per jaar niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf", maar ook op de resterende gronden van de gesloten stortplaats met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - stortplaats", waar uitsluitend activiteiten zijn toegestaan voor de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats. Laatstbedoelde exploitatie betreft het in stand houden, vervangen, beheren en zo nodig wijzigen van de voor de stortplaats noodzakelijke voorzieningen. De eindafwerking van de stortplaats ziet op het voorbereiden en het aanbrengen van de bovenafdichting van de stortplaats van 1,2 tot 1,5 meter dik en de inrichting ervan, inclusief de opslag en het bewerken van de voor de eindafwerking noodzakelijke materialen. Voordat wordt gestart met het aanbrengen van de bovenafdichting worden de gronden voorbewerkt. Ter voorbereiding op het aanbrengen van de bovenafdichting worden bouwstoffen en toepasbare grond in opslag genomen en bewerkt. Al deze activiteiten brengen vrachtwagentransporten met zich. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij geen inschatting kan maken van het aantal vrachtwagentransporten dat deze activiteiten met zich brengt. Aldus bestaat ook geen inzicht in de vraag of gelet op het toegestane maximale aantal vrachtwagentransporten van 32.240 per jaar voldoende vrachtwagentransporten resteren voor een rendabele exploitatie van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf". Gelet hierop is het plan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De Afdeling wijst er hierbij nog op dat artikel 3, lid 3.8, het mogelijk maakt het plan te wijzigen ten behoeve van het verhogen van het aantal vrachtwagentransporten per m2 uitgeefbare grond voor bedrijven/bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.5.7 onder het gelijktijdig verlagen van het aantal vrachtwagentransporten per m2 grond voor één of meer andere bedrijven, indien de bedrijfseconomische noodzaak voor verhoging van het aantal vrachtwagentransporten is aangetoond en het maximum aantal van 32.240 vrachtwagentransporten per jaar voor de bedrijven op de met "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" aangeduide gronden niet wordt overschreden. De raad heeft hierbij aangesloten bij het maximum aantal vrachtwagentransporten dat geldt voor bedrijven op de met "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" aangeduide gronden tezamen met de activiteiten voor exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats. Het is zonder nadere toelichting niet inzichtelijk waarom de raad bij dit maximum heeft aangesloten maar de gelijktijdige verlaging bij een verhoging alleen heeft gekoppeld aan andere bedrijven op de met "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" aangeduide gronden. De raad heeft niet toegelicht op welke wijze is gegarandeerd dat voor het bedrijf of de bedrijven waarvoor het aantal vrachtwagentransporten per m2 wordt verlaagd voldoende vrachtwagentransporten overblijven voor een rendabele bedrijfsvoering. Een desbetreffende wijzigingsvoorwaarde ontbreekt. Ook in zoverre is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

9. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. betogen dat niet duidelijk is hoe de artikelen 3, leden 3.5.7 en 3.8, en 18, leden 18.3 en 18.4, van de planregels worden gehandhaafd. Zij voeren aan dat de raad in de Nota van zienswijzen stelt dat het noodzakelijk is dat de gebruikers van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" een administratie aanleggen waarin het aantal vrachtwagentransporten wordt bijgehouden. Zij wijzen erop dat hierdoor een extra last op de bedrijven wordt gelegd.

9.1. De raad stelt dat door middel van een administratie kan worden gecontroleerd of aan deze artikelen wordt voldaan. Daarbij wijst de raad erop dat een daartoe strekkende norm was opgenomen in de milieuvergunning voor de stortplaats. Er is derhalve al een systeem voor de handhaving. Een administratie is alleen noodzakelijk indien een bedrijf veel vrachtwagentransporten met zich brengt.

9.2. De Afdeling overweegt dat de raad niet heeft toegelicht waarop de door hem vermelde verplichting voor de gebruikers van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" tot het bijhouden van een administratie van het aantal vrachtwagentransporten is gebaseerd. De raad heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt hoe de in de artikelen 3, lid 3.5.7, en 18, lid 18.3, van de planregels vervatte normen worden gecontroleerd en hoe, in geval van een geconstateerde overtreding ervan, tot handhaving zal worden overgegaan.

Ten aanzien van het in artikel 18, lid 18.3, van de planregels opgenomen maximum aantal vrachtwagentransporten heeft de raad ter zitting verklaard dat hij geen inschatting kan maken van het aantal vrachtwagentransporten dat de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats met zich brengt. Het kan zich derhalve voordoen dat het maximum van 32.240 vrachtwagentransporten per jaar wordt overschreden, terwijl de in artikel 3, lid 3.5.7, van de planregels opgenomen norm niet wordt overschreden en derhalve niet meer dan 0,8 vrachtwagentransporten per m2 uitgeefbare grond per jaar plaatsvinden. Het is onduidelijk hoe de norm van artikel 18, lid 18.3, van de planregels ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" op het niveau van de individuele bedrijven zal worden gehandhaafd als de norm van artikel 3, lid 3.5.7, van de planregels niet wordt overtreden. Aldus is het plan op dit onderdeel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.

Categorieën van bedrijven

10. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. voeren aan dat de beperking tot bedrijfsactiviteiten uit milieucategorieën 1 tot en met 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten strijdig is met de voorgenomen functie voor watergebonden bedrijfsactiviteiten, omdat deze doorgaans milieucategorie 5.1 en 5.2 betreffen. Volgens hen dient op grond van artikel 2.1.3 van de Verordening Ruimte een zo hoog mogelijke milieucategorie mogelijk gemaakt te worden. Zij verwachten dat conform de doelstelling het plan de randvoorwaarden bevat voor een optimale exploitatie van het bedrijventerrein. De beperking tot milieucategorie tot en met 4.2 schendt volgens hen de afspraken in de door de gemeente Dordrecht, de provincie Zuid-Holland, PROAV N.V. en Derde Merwedehaven B.V. gesloten vaststellingsovereenkomst.

10.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.5, van de planregels zijn uitsluitend bedrijfsactiviteiten uit de categorieën 1 t/m 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

Ingevolge artikel 20, lid 20.3, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van bedrijfsactiviteiten die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn vermeld, of ten behoeve van activiteiten die in een hogere categorie zijn ingedeeld.

Ingevolge lid 20.4 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.3 uitsluitend verleend:

a. indien de betreffende bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die ter plaatse krachtens de regels van dit bestemmingsplan zijn toegestaan;

b. nadat advies is ingewonnen van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

10.2. Ingevolge artikel 2.1.3, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014, laat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein bedrijven toe uit de hoogst mogelijk milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Ingevolge het tweede lid laat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.

10.3. De raad stelt dat de regeling voor de maximale milieucategorieën is gebaseerd op de Nota van Uitgangspunten. Hierin is als uitgangspunt opgenomen dat voor de milieucategorie wordt aangesloten bij het regime aan de noordzijde van de haven. Voorts heeft de raad de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-Handreiking) toegepast. Op grond van de VNG-Handreiking zijn activiteiten tot maximaal milieucategorie 4.2 toelaatbaar in verband met de aanwezigheid van een hotel met camping op 450 meter van het te ontwikkelen bedrijventerrein. De omgeving van dit hotel is te kenschetsen als een rustig buitengebied met verblijfsrecreatie, een stiltegebied en een natuurgebied. De raad wijst erop dat milieucategorie 4.2 vestiging van watergebonden bedrijven ten behoeve van de binnenvaart mogelijk maakt. Met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is vestiging van scheepsbouw- en reparatiebedrijven mogelijk.

10.4. Artikel 2.1.3. van de Verordening Ruimte 2014 bepaalt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein bedrijven toelaat uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die past bij de omgeving van het bedrijventerrein.

De raad heeft bij het bepalen van de maximaal toegestane milieucategorie de VNG-Handreiking toegepast. In de VNG-Handreiking worden richtafstanden voor milieubelastende activiteiten ten opzichte van een rustige woonwijk gegeven. Volgens de VNG-Handreiking is een rustig buitengebied, eventueel met verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied wat betreft aanvaardbare milieubelasting vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Ingevolge de VNG-Handreiking bedraagt de richtafstand voor activiteiten van milieucategorie 4.2 op bedoelde gronden 300 meter ten opzichte van een rustige woonwijk en de richtafstand voor activiteiten van milieucategorie 5.1 500 meter en voor milieucategorie 5.2 700 meter. De raad heeft maximaal activiteiten tot en met milieucategorie 4.2 mogelijk gemaakt in verband met de aanwezigheid van een hotel met camping op 450 meter afstand van de voorziene bedrijvigheid. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. hebben niet bestreden dat de omgeving van het hotel te kenschetsen is als een rustig buitengebied. Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. hebben echter onbestreden gesteld dat de gesloten stortplaats een heuvel betreft, die zal worden afgewerkt tot de zogenoemde Merwedeheuvel met een hoogte van circa 30 meter. Deze heuvel zal volgens Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. voor het hotel met camping een geluidwerend effect hebben. Daarom kunnen volgens hen toch activiteiten tot en met milieucategorie 5.1 dan wel 5.2 op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" worden voorzien. Niet is gebleken dat de raad bij de bepaling van de maximale milieucategorie rekening heeft gehouden met de zogenoemde Merwedeheuvel. Gelet hierop en op het geringe verschil tussen de richtafstand behorende bij milieucategorie 5.1 en de feitelijke afstand tussen het hotel met camping en deze gronden heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzoek verricht naar de geluidbelasting ter plaatse van het hotel met camping vanwege bedrijfsactiviteiten op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf". Aldus heeft de raad ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten tot een hogere milieucategorie dan 4.2 toelaatbaar zijn.

11. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient met inachtneming van overweging 8.2 te onderzoeken hoeveel vrachtwagentransporten nodig zijn ten behoeve van de exploitatie, eindafwerking en nazorg van de gesloten stortplaats. Op basis daarvan dient de raad te motiveren dat in het bijzonder ook in het licht van het bepaalde in artikel 18, lid 18.3, van de planregels voldoende vrachtwagentransporten per jaar beschikbaar zijn voor een rendabele exploitatie van ook de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf -watergebonden bedrijf" en zo nodig een andere planregeling vast te stellen.

De raad dient met inachtneming van overweging 9.2 te motiveren hoe de artikelen 3, lid 3.8, en 18, lid 18.3, van de planregels kunnen worden gehandhaafd en zo nodig een andere planregeling vast te stellen.

De raad dient met inachtneming van overweging 10.4 alsnog de geluidbelasting ter plaatse van het hotel met camping vanwege het gebruik van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf" te onderzoeken. Op basis daarvan dient de raad te motiveren dat vanwege die geluidbelasting aldaar geen bedrijfsactiviteiten tot een hogere milieucategorie dan 4.2 vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toelaatbaar kunnen worden geacht en zo nodig een andere planregeling vast te stellen.

Het eventueel door de raad te nemen besluit dient volgens de daarvoor geldende wettelijke voorschriften bekend te worden gemaakt. Voorts overweegt de Afdeling dat een eventueel nieuw of gewijzigd besluit niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb behoeft te worden voorbereid.

12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Dordrecht op:

- om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 11 is overwogen het besluit van 16 juni 2015, kenmerk 1406988, te herstellen en

- de Afdeling, Derde Merwedehaven B.V. en PROAV N.V. de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Bijleveld

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016

433.