Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
201504356/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:3307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bij het adres [locatie 1] (lees: [locatie 2]) te Nigtevecht (hierna: het perceel) aanwezige boatsaver te verwijderen en verwijderd te houden en niet op een andere met de Landschapsverordening Provincie Utrecht 2011 (hierna: de Lsv) strijdige locatie af te meren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504356/1/A1.

Datum uitspraak: 18 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 8 mei 2015 in zaken nrs. 14/4926 en 14/4927 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bij het adres [locatie 1] (lees: [locatie 2]) te Nigtevecht (hierna: het perceel) aanwezige boatsaver te verwijderen en verwijderd te houden en niet op een andere met de Landschapsverordening Provincie Utrecht 2011 (hierna: de Lsv) strijdige locatie af te meren.

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] besloten het besluit van 21 januari 2014 in stand te laten.

Bij uitspraak van 8 mei 2015 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaken nrs. 201502031/1/A1, 201503334/1/A1 en 201503502/1/A1, ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Tilstra en I.D. Vos, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft de vier beroepen vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2. [appellant] heeft sinds 1996 een boatsaver in een insteekhaven op zijn perceel. Een boatsaver is een drijvende overkapping die dient ter bescherming van een boot tegen weer en wind.

Het college heeft [appellant] aangeschreven de boatsaver te verwijderen wegens strijd met de Lsv. Volgens het college vormt de boatsaver een onaanvaardbare aantasting van natuur en landschap vanwege de verschijningsvorm. De boatsaver draagt bij aan landschappelijke verrommeling, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verbodsbepaling in artikel 17 van de Lsv (hierna: de verbodsbepaling) onverbindend is. Hij voert daartoe aan dat de plaatsing van zijn boatsaver in het water niet leidt tot verrommeling van het landschap en de verbodsbepaling derhalve niet doelmatig is. Voorts is het volgens hem niet toegestaan dat provinciale staten van Utrecht met terugwerkende kracht verbieden om boatsavers op het water af te meren. Volgens [appellant] kan de Lsv verder niet worden toegepast op reeds lang bestaande situaties daterend uit een tijd dat het plaatsen van een boatsaver niet in strijd met een provinciale landschappelijke verordening was, zoals in zijn geval waarin de boatsaver in 1996 is geplaatst, en dient de verbodsbepaling daarom buiten toepassing te worden gelaten.

3.1. Ingevolge artikel 17 van de Lsv, die op grond van artikel 145 van de Provinciewet is vastgesteld, is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een vaartuig of ander voorwerp, niet zijnde een woonschip, verboden dat vaartuig of voorwerp ligplaats te laten nemen, te ankeren of af te meren of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen op andere plaatsen dan aangegeven met een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement.

Ingevolge artikel 19 worden boatsavers en daarin afgemeerde vaartuigen of voorwerpen die sinds ten laatste 1 januari 2004 aantoonbaar aanwezig waren en in strijd zijn met het verbod in artikel 17 tot 29 november 2012 gedoogd.

3.2. De door [appellant] verzochte toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

3.3. In de considerans van de Lsv is overwogen dat het wenselijk is om regels te stellen ter bescherming van de kwaliteit van het landschap, de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in de provincie Utrecht. Met de verbodsbepaling zijn, teneinde verrommeling van het landschap, waaronder de Vecht, tegen te gaan, regels gesteld met betrekking tot het gebruik van het water.

Bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2016:1294, heeft de Afdeling overwogen dat het betoog dat de verbodsbepaling onverbindend is omdat deze niet doelmatig is, niet kan worden gevolgd. De rechter heeft niet tot taak om de doelmatigheid van de verbodsbepaling om de aantasting van het landschap door de plaatsing en het afmeren van boatsavers tegen te houden, naar eigen inzicht vast te stellen en heeft terughoudendheid te betrachten.

Het betoog dat de verbodsbepaling onverbindend is omdat de Lsv met terugwerkende kracht verbiedt om boatsavers op het water af te meren, faalt reeds omdat de verbodsbepaling geen terugwerkende kracht heeft. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verbodsbepaling buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat in de Lsv een overgangsbepaling ontbreekt die rekening houdt met de bestaande situatie, wordt het volgende overwogen. Uit artikel 19 van de Lsv volgt dat het college tegen de aanwezigheid van zijn boatsaver niet handhavend mocht optreden tot 29 november 2012. In deze bepaling is een overgangstermijn gehanteerd. Volgens het college is bij het bepalen van die termijn rekening gehouden met de gedane investering in de boatsaver en de mogelijkheid voor [appellant] om een alternatieve oplossing te zoeken voor het afmeren van zijn boatsaver. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 17 van de Lsv buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met de rechtszekerheid.

Concluderend heeft de rechtbank terecht overwogen dat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat artikel 17 van de Lsv in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de boatsaver niet in strijd is met de verbodsbepaling. Hij voert daartoe aan dat de verbodsbepaling niet geldt, nu de boatsaver in een insteekhaventje op eigen terrein en niet aan openbaar vaarwater is afgemeerd. De verbodsbepaling is niet van toepassing op het afmeren van een boatsaver op particuliere gronden, aldus [appellant]. Daarnaast voert hij aan dat de boatsaver in een draagconstructie boven het water hangt.

4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Lsv is de verordening van toepassing op het gebied dat zich bevindt buiten de grenzen van de bebouwde kom, zoals deze op grond van artikel 27 van de Wegenwet door het college is vastgesteld.

4.2. In het door [appellant] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat hij de verbodsbepaling niet heeft geschonden.

De insteekhaven waarin de boatsaver is afgemeerd is in eigendom van [appellant] en is gelegen buiten de grenzen van de bebouwde kom. Uit artikel 1, eerste lid, van de Lsv, dat het toepassingsbereik van de verordening bepaalt, volgt dat de verordening van toepassing is op het gebied dat zich bevindt buiten de grenzen van de bebouwde kom. Derhalve is de Lsv van toepassing op de insteekhaven van [appellant]. Artikel 1 kent geen beperking in het toepassingsbereik van de Lsv tot openbaar water. Ook de verbodsbepaling van artikel 17 maakt geen onderscheid in openbaar en niet-openbaar water en het begrip "water" is evenmin in de Lsv gedefinieerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat nu dit onderscheid in de Lsv niet is gemaakt, de verbodsbepaling ook van toepassing is op niet-openbaar water. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verwijzing in artikel 17 van de Lsv naar de verkeerstekens in de bijlage van het Binnenvaart- en het Rijnvaartpolitiereglement, dat oordeel niet anders maakt, nu artikel 1 het toepassingsbereik van de Lsv bepaalt.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verbodsbepaling is overtreden als de boatsaver boven het water hangt. In artikel 17 is immers bepaald dat het verbod ook geldt voor een boatsaver die vlak boven een water is geplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verbodsbepaling zo moet worden gelezen dat deze van toepassing is als de boatsaver een deel van het water overspant.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016

414-761.