Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
201504374/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:1993, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504374/1/A1.

Datum uitspraak: 18 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Dongeradeel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 april 2015 in zaken nrs. 14/3369 en 14/4282 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.F. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 24 juni 2013 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de Politie Fryslan van 24 mei 2013, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw. Dit besluit staat in rechte vast. Volgens de mededeling van de politie is tegen [appellant], naar aanleiding van een regionaal drugsonderzoek, op 7 maart 2013 proces-verbaal opgemaakt ter zake van het bezit van en de handel in drugs. Blijkens de mededeling heeft [appellant] daarbij verklaard ook zelf drugs te hebben gebruikt. Volgens de gedingstukken zijn op 7 maart 2013 verder bij hem verschillende verdovende middelen in beslag genomen.

2. 0Het onderzoek naar de geschiktheid heeft op 27 september 2013 plaatsgevonden door psychiater M.R.A. Santana te Britsum (hierna: Santana). Dit onderzoek bestond uit anamneses en een lichamelijk, psychiatrisch en een laboratoriumonderzoek. Het CBR heeft het verslag van bevindingen van Santana van 27 september 2013 (hierna: het rapport) bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 7 januari 2014 betrokken. Het CBR heeft in dat besluit geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, waarna het zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig heeft verklaard.

[appellant] heeft in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 7 januari 2014 een tegenadvies van 11 februari 2014 van psychiater P.A. de Mon te Metslawier overgelegd.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, zoals dat luidde ten tijde van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

Het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, in navolging van het CBR, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het door hem in het geding gebrachte tegenadvies. Volgens hem vloeit uit het feit dat in bezwaar een volledige heroverweging van het besluit moet plaatsvinden voort dat het bestuursorgaan, indien twee gelijkwaardige rapporten voorliggen, een keuze dient te maken voor het rapport dat het meest zorgvuldig, coherent en onbevangen is. Dat is in dit geval het rapport van De Mon, aldus [appellant]. Dat, naar hij stelt, niet beide rapporten integraal zijn beoordeeld, maakt volgens hem dat ten onrechte geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. De jurisprudentie van de Afdeling waarnaar de rechtbank ter zake van de psychiatrische rapportage heeft verwezen, is hier niet van toepassing, omdat deze niet ziet op de hier aan de orde zijnde situatie, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1536), heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, in een geval waarin de diagnose drugsmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Anders dan [appellant] betoogt, geldt de hiervoor vermelde vaste jurisprudentie niet alleen in gevallen dat geen deskundig tegenadvies is overgelegd, dan wel in gevallen dat verschillende deskundigen tot hetzelfde oordeel zijn gekomen. Juist in gevallen waarin het deskundig tegenadvies een tegengestelde conclusie inhoudt, zoals in dit geval, doet zich de vraag voor of dit gerede twijfel doet ontstaan aan de procedurele en inhoudelijke juistheid van het advies waarop het bestuursorgaan zich heeft gebaseerd.

De rechtbank heeft, in lijn met de hiervoor genoemde rechtspraak, terecht geoordeeld dat het CBR aldus een juiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd, alsmede dat de betogen dat het CBR een keuze had moeten maken tussen de rapporten, en dat ten onrechte geen volledige heroverweging van het besluit van 7 januari 2014 heeft plaatsgevonden, niet slagen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport van Santana, dat het CBR aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, ondeugdelijk is. Volgens hem volgt uit het rapport van De Mon van 11 februari 2014, alsmede uit haar aanvullende advies van 3 december 2014 en haar opmerkingen ter zitting bij de rechtbank, dat het rapport naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Volgens De Mon kan niet worden geconcludeerd dat [appellant] als gevolg van drugsgebruik intermenselijke problemen had, zonder dat daarbij referenten zijn geraadpleegd. Dat heeft Santana ten onrechte nagelaten. [appellant] bestrijdt dat hij dergelijke problemen had.

Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de stukken van De Mon volgt dat Santana bij zijn onderzoek aan onjuiste criteria heeft getoetst, namelijk aan criteria die leiden tot de conclusie ‘middelenafhankelijkheid’. Deze diagnose is zwaarder dan de diagnose ‘middelenmisbruik’. Dat Santana niet aan de juiste criteria heeft getoetst, maakt dat zijn conclusie dat sprake is van drugsmisbruik in ruime zin op onjuiste wijze tot stand is gekomen en het rapport derhalve onvoldoende concludent is, aldus [appellant].

5.1. Santana is blijkens zijn rapport tot de conclusie gekomen dat zich bij [appellant] wel aanwijzingen voordoen voor drugsmisbruik, maar niet voor drugsafhankelijkheid. Hij heeft zijn diagnose mede gesteld op de grond dat naar zijn oordeel [appellant] voldoet aan een aantal der DSM-IV-TR criteria. Santana heeft in aanmerking genomen dat sprake is van voortdurend gebruik van drugs ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk terrein, dat [appellant] zelf heeft aangegeven de controle over het drugsgebruik uiteindelijk te zijn verloren, dat hij er voorafgaand aan feestjes voor zorgde dat er geen gebrek aan drugs was en dat, ondanks zijn aanhouding door de politie op 7 maart 2013 en de consequenties daarvan, in een periode van drie maanden daarna, tweemaal een terugval in speedgebruik plaatsvond.

[appellant] heeft tijdens het onderzoek bij Santana verklaard tot ongeveer een half jaar voor zijn aanhouding regelmatig drugs te hebben gebruikt. Hij verklaarde echter ook in maart 2013 op verzoek van zijn ouders nog contact te hebben gezocht met Verslavingszorg Noord Nederland (hierna: VNN) omdat, naar hij stelde, zijn ouders hem verslaafd vonden. Hij verklaarde verder dat zijn ouders sinds ongeveer een maand daarvoor, zijn urine op het gebruik van drugs controleerden.

Volgens de verslavingsanamnese in het rapport van 11 februari 2014 van De Mon, heeft [appellant] van 2009 tot ongeveer september 2012 tijdens het uitgaan drugs gebruikt, 2 tot 3 keer per maand, alleen op zaterdagavond. Volgens dit rapport heeft [appellant] in juni 2013 nog twee keer speed gebruikt tijdens het uitgaan. De Mon heeft ook met de moeder van [appellant] gesproken. Zijn moeder heeft onder meer verklaard dat [appellant] een fijn persoon is en dat zij weliswaar soms woordenwisselingen hadden over zijn drugsgebruik, maar dat dit hun goede verstandhouding niet verstoorde.

De Mon is tot de conclusie gekomen dat [appellant] aan geen der DSM-IV-TR criteria voldoet. Volgens haar waren er geen sociale problemen binnen het gezin. Daarnaast was volgens dit onderzoek alleen in het verleden sprake van drugsgebruik en was dit ten tijde van het onderzoek reeds langdurig in volledige remissie. Volgens De Mon is er geen aanleiding voor het stellen van de diagnose drugsmisbruik.

5.2. De rechtbank heeft in het onderzoek van De Mon terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het rapport van Santana naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, zodanig dat het CBR zich daar niet op heeft mogen baseren. Daarbij is van belang dat De Mon, met name blijkens haar rapport van 3 december 2014, stelt dat [appellant] zijn drugsgebruik reeds in september 2012 heeft gestaakt, behoudens incidentele terugvallen in januari en juni 2013. Dit strookt niet met hetgeen [appellant] over het stoppen met de middelen ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, te weten dat hij eerst na zijn aanhouding in maart 2013, waarmee zijn drugsgebruik ‘aan het licht kwam’, daarmee is gestopt, en niet in september 2012. Dat dit laatste juist is, is aannemelijk, nu [appellant] bij het onderzoek van Santana heeft verklaard nog in maart 2013 contact te hebben gezocht met VNN, alsmede dat zijn ouders in die periode aanleiding zagen om zijn urine op drugsgebruik te controleren.

Hieruit volgt dat De Mon niet van de juiste feiten is uitgegaan. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat het onderzoek van De Mon niet doet twijfelen aan de juistheid van het onderzoek van Santana.

Dat naar gesteld ten onrechte zonder het raadplegen van referenten de conclusie is getrokken dat [appellant] als gevolg van het drugsgebruik problemen had binnen het gezin, maakt dit niet anders. Santana heeft er, zoals hij heeft gesteld in zijn schriftelijke reactie van 2 april 2014, van uit mogen gaan dat hetgeen [appellant] hierover tijdens zijn onderzoek zelf heeft verklaard juist is, en dat hij ter zake niet aan waarheidsvinding heeft hoeven doen.

Het betoog dat Santana naar gesteld niet aan de juiste criteria heeft getoetst, heeft de rechtbank eveneens terecht niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom Santana bij zijn onderzoek niet heeft mogen toetsen aan criteria die hem (mede) tot het oordeel hadden kunnen leiden dat sprake is van drugsafhankelijkheid. Daarmee is, anders dan de Vries betoogt, geen sprake van een onjuist uitgevoerd onderzoek.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het CBR zich bij het nemen van het besluit niet op het onderzoek van Santana heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016

641.