Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
201507120/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4936, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2014 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen geluidvoorschriften door [café] te Assen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/613

Uitspraak

201507120/1/A1.

Datum uitspraak: 18 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam [café], wonend te Assen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2015 in zaak nr. 15/1040 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2014 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen geluidvoorschriften door [café] te Assen.

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het college van [appellante] een dwangsom van € 3.000,00 ingevorderd.

[appellante] heeft daartegen gronden ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Bruinsma, vergezeld door R.M.O. Tap, beiden werkzaam bij de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking hogerberoepsgrond

1. [appellante] heeft ter zitting de hogerberoepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, ingetrokken.

Last onder dwangsom

2. [appellante] is eigenaar van [café]. Op het café zijn de geluidvoorschriften uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

Aan de last onder dwangsom is ten grondslag gelegd dat bij geluidmetingen op 17 november 2012 en 15 juni 2014 in een aanpandige woning is gebleken dat de geluidvoorschriften uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer werden overtreden. De last houdt in dat de overtreding onmiddellijk wordt beëindigd. Per constatering dat niet aan de geluidvoorschriften uit artikel 2.17, eerste lid, wordt voldaan, wordt een bedrag van € 3.000,00 verbeurd tot een maximum van € 30.000,00.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de resultaten van de geluidmetingen op 17 november 2012 en 15 juni 2014 niet aan de last onder dwangsom ten grondslag mochten worden gelegd. Van de meting op 17 november 2012 is haar geen rapport bekend, aldus [appellante]. De meting op 15 juni 2014 was volgens haar niet representatief, omdat het een WK-weekend betrof, waardoor er veel stoorgeluid was van mensen op straat. Bovendien is geluid van andere cafés in de omgeving in de meting meegenomen, aldus [appellante]. Zij stelt in dit verband dat zij een groot deel van de in het rapport van de meting van 15 juni 2014 vermelde muzieknummers niet herkent als nummers die in haar café worden gedraaid. Dit betekent volgens haar ook dat op het gemeten geluidsniveau ten onrechte een toeslag van 10 dB(A) is toegepast wegens hoorbaar, van haar café afkomstig muziekgeluid.

3.1. In het rapport van de meting van 15 juni 2014 is vermeld dat tijdens de meting is geverifieerd of het geluid dat in de woning is gemeten ook daadwerkelijk van café afkomstig was door vanuit de woning op het platte dak van het café te voelen en door te luisteren of de muziek van het café overeenkwam met wat in de woning werd waargenomen. Dit was volgens het rapport duidelijk het geval. Omdat er veel stoorgeluid was van bezoekers die buiten het café stonden, is alleen gekeken naar het geluid met frequentiebanden van 31,5 Hz, 63 Hz en 125 Hz, omdat deze een grote (maatgevende) bijdrage hadden zodra muziek werd afgespeeld. Over een meettijd van bijna 2,5 uur is een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van muziekgeluid van 31 dB(A) gemeten. Omdat de muziek in de woning duidelijk hoorbaar was, is een muziektoeslag van 10 dB(A) toegepast.

3.2. [appellante] heeft niet geconcretiseerd waarom in het rapport van de meting van 15 juni 2014 op onjuiste wijze rekening zou zijn gehouden met het stoorgeluid van mensen op straat. Zij heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de meetresultaten zijn beïnvloed door muziekgeluid van andere cafés. De enkele stelling dat zij een groot deel van de in het rapport vermelde muzieknummers niet herkent, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling in het rapport dat het in de woning waargenomen muziekgeluid afkomstig was van café [café]. Nu de muziek in de woning duidelijk hoorbaar was, is in het rapport in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, die ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt gehanteerd voor het bepalen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, een toeslag van 10 dB(A) toegepast.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat het college uit mocht gaan van de conclusies in het rapport van de meting van 15 juni 2014. Daaruit blijkt een overschrijding van het toegestane langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 16 dB(A). Het college was reeds op basis van deze overschrijding bevoegd handhavend op te treden. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellante] over de meting op 17 november 2012 heeft aangevoerd geen bespreking.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het college ertoe hadden moeten brengen van handhavend optreden af te zien. Daartoe voert zij aan dat haar is medegedeeld dat zij in afwachting van een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften geen maatregelen hoefde te nemen om het geluidsniveau te beperken. Verder voert zij aan dat er concreet zicht was op legalisatie, omdat in het café maatregelen zouden worden getroffen om geluidoverlast te beperken. Ook was er volgens haar te veel tijd verstreken sinds de geluidmeting in 2012 om tot handhavend optreden over te gaan.

5.1. Zoals is overwogen onder 3.2, was het college reeds vanwege de op 15 juni 2014 geconstateerde overtreding bevoegd tot handhavend optreden. De sinds de geluidmeting in 2012 verstreken tijd vormde geen bijzondere omstandigheid om daarvan af te zien. Dat in het café (isolatie)maatregelen zouden worden getroffen om de geluidoverlast te beperken, levert verder, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen concreet zicht op legalisatie op. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar is medegedeeld dat zij in afwachting van de beslissing omtrent maatwerkvoorschriften geen maatregelen hoefde te nemen om het geluidsniveau te beperken. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte geen begunstigingstermijn aan de last is verbonden. De rechtbank heeft door te overwegen dat [appellante] het volume kan begrenzen geen rekening gehouden met de nadelige gevolgen die dit heeft voor haar café, aldus [appellante].

6.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling terecht overwogen dat in geval een last onder dwangsom strekt tot voorkoming van herhaling van een overtreding, aan de last niet persé een begunstigingstermijn behoeft te worden verbonden, maar dat dit in bijzondere omstandigheden anders kan zijn (zie onder meer de uitspraak van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4404). Daarvan is in dit geval niet gebleken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] de geluidvoorschriften op eenvoudige wijze kan naleven door het volume te begrenzen. De door [appellante] gestelde nadelige gevolgen van het begrenzen van het volume voor haar café komen voor haar rekening en risico.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Invorderingsbeschikking

8. Bij het besluit van 3 november 2015 heeft het college een dwangsom van € 3.000,00 van [appellante] ingevorderd. [appellante] betwist deze invorderingsbeschikking, zodat het geding op de voet van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede daarop betrekking heeft. Dit betekent dat van rechtswege een beroep van [appellante] is ontstaan tegen het besluit van 3 november 2015.

Het college heeft aan het besluit van 3 november 2015 ten grondslag gelegd dat bij een meting op 23 augustus 2015 is gebleken dat de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde geluidnorm van 40 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de nachtperiode op de gevel van de woningen aan de [locaties] werd overschreden. De overschrijdingen, inclusief muziektoeslag van 10 dB(A), bedragen 12 en 15 dB(A).

9. [appellante] betoogt dat het college in het besluit van 3 november 2015 ten onrechte heeft beoordeeld of artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is overtreden. Volgens haar had uitsluitend moeten worden beoordeeld of de voor het café gestelde maatwerkvoorschriften worden nageleefd.

[appellante] betwist voorts dat artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is overtreden. Volgens haar is de geluidmeting op 23 augustus 2015 niet correct uitgevoerd, aangezien geluidskappen die normaliter op het dak van het café aanwezig zijn op 23 augustus 2015 door toedoen van derden waren verdwenen. Bovendien kunnen de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgens [appellante] op 23 augustus 2015 niet zijn overschreden, omdat het café was voorzien van een geluidbegrenzer en geluidsluis, er die avond een kaartavond plaatsvond waarbij de muziek volgens verklaringen van bezoekers zacht stond en ook een omwonende heeft verklaard die avond geen geluidoverlast te hebben ervaren.

[appellante] voert ten slotte aan dat, als zich op 23 augustus 2015 al een overschrijding van de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft voorgedaan, haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, nu deze overschrijding geheel te wijten is aan het feit dat de geluidskappen op het dak door derden waren verwijderd.

9.1. [appellante] is gelast aan de geluidnormen in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer te voldoen. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld of [appellante] dat artikel heeft overtreden en daarmee de opgelegde last. Aan de voor het café gestelde maatwerkvoorschriften, die zien op het gebruik van de binnendeur, een geluidbegrenzer en het toegestane geluidsniveau binnen het café, komt in dit verband geen betekenis toe.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de resultaten van de geluidmeting op 23 augustus 2015 blijkt dat artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer en daarmee de opgelegde last op die datum is overtreden, zodat een dwangsom van € 3.000,00 is verbeurd. De door [appellante] gestelde omstandigheden dat een geluidbegrenzer en een geluidsluis aanwezig waren, er een kaartavond plaatsvond, bezoekers hebben verklaard dat de muziek zacht stond en ook een omwonende heeft verklaard geen geluidoverlast te hebben ervaren, maken niet dat uitgesloten zou zijn dat zich op 23 augustus 2015 een overschrijding van de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, heeft voorgedaan en geven geen grond om te twijfelen aan de resultaten van de geluidmeting. Vast staat verder dat op 23 augustus 2015 op het dak van het café geen geluidskappen zijn aangetroffen door degene die de meting heeft uitgevoerd. De stelling van [appellante] dat dergelijke kappen normaliter wel aanwezig zijn, maakt niet dat de meting op 23 augustus 2015 niet correct is uitgevoerd en doet niet af aan de resultaten van die meting.

Dat op het dak van het café normaliter geluidskappen aanwezig zijn, deze op 23 augustus 2015 door toedoen van derden waren verdwenen en zich, indien de geluidskappen wel aanwezig waren geweest, geen overschrijding van de geluidnormen zou hebben voorgedaan, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt. Reeds hierom faalt haar betoog dat van invordering afgezien had moeten worden, omdat haar geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van de op 23 augustus 2015 geconstateerde overschrijding van de geluidnormen.

Het betoog faalt.

10. Het beroep tegen het besluit van 3 november 2015 is ongegrond.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Assen van 3 november 2015, kenmerk 2015-04278, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016

462-784.