Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
201506054/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:4558, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 1.414,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506054/1/A2.

Datum uitspraak: 11 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2015 in zaken nrs. 14/5245 en 15/1842 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 1.414,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 31 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw beslist over de huurtoeslag van [appellant].

Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 31 juli 2014 en 5 maart 2015 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat te Naarden, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. [appellant] huurde in 2011 de derde etage van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Daarvoor heeft hij op 26 augustus 2008 huurtoeslag aangevraagd. Bij besluit van 24 december 2010 heeft hij een voorschot huurtoeslag over 2011 ontvangen van € 1.414,00.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft de huurtoeslag van [appellant] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil en het al betaalde bedrag van € 1.414,00 teruggevorderd. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [persoon] in 2011 staat ingeschreven op hetzelfde adres als [appellant] waardoor hij als medebewoner aangemerkt dient te worden. De door [appellant] overgelegde bewijsstukken tonen niet aan dat hij een zelfstandige woonruimte huurde, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

De rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij een zelfstandige woning huurde. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de door [appellant] overgelegde huurovereenkomst staat dat sprake is van medegebruik van de badkamer op de derde etage. [appellant] heeft onvoldoende aangetoond dat hij in afwijking van wat in de huurovereenkomst staat een zelfstandige woonruimte huurde.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij een zelfstandige woonruimte huurde. Hij voert daartoe aan dat de bepaling van het medegebruik van de badkamer in de huurovereenkomst feitelijk onjuist is en niet aan hem kan worden tegengeworpen, omdat de huurovereenkomst is opgemaakt door een niet-professionele verhuurder en hij, net als de verhuurder [persoon], niet juridisch geschoold is waardoor hij de fout in de huurovereenkomst niet heeft opgemerkt. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat de badkamer van de buitenkant afsluitbaar was en hij daarvan de sleutel had. Uit de overgelegde verklaring van de verhuurder volgt dat hij een zelfstandige woonruimte huurde. De feitelijke situatie dient bepalend te zijn voor de vraag of hij een zelfstandige woonruimte huurde, aldus [appellant].

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder woning verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt een huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen);

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de GBA, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Oordeel van de Afdeling

5. De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7346 en BY7348), de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van mag uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

5.1. Het geschil spitst zich, mede gelet op de behandeling ter zitting, toe op de vraag of [appellant] heeft aangetoond dat de door hem gehuurde derde etage van het pand aan de [locatie] in Amsterdam als zelfstandige woonruimte in de zin van de Wht kan worden aangemerkt, zodat hem daarvoor huurtoeslag kan worden toegekend.

[appellant] heeft een huurovereenkomst voor kamerverhuur overgelegd. In artikel 1, derde lid, aanhef en onder het eerste gedachtestreepje, van deze huurovereenkomst is bepaald dat de verhuurder medegebruik verleent van de badkamer op de derde etage. Uit deze overeenkomst volgt derhalve dat [appellant] geen zelfstandige woonruimte huurde. [appellant] heeft daarnaast foto’s van de woning en bankafschriften overgelegd. In hoger beroep heeft [appellant] een verklaring van de verhuurder overgelegd ten bewijze dat hij een zelfstandige woonruimte huurde. Anders dan [appellant] betoogt, is met deze verklaring, de foto’s en de bankafschriften niet aangetoond dat hij in 2011 een zelfstandige woonruimte huurde. Uit de bankafschriften volgt slechts dat [appellant] in de maanden februari en mei 2011 huur heeft betaald aan de verhuurder. Dit zegt niets over de aard van de woonruimte. Uit de verklaring van de verhuurder en de overgelegde foto’s, die op de zitting zijn besproken, kan niet worden afgeleid dat [appellant], anders dan uitdrukkelijk daarover in de huurovereenkomst is bepaald, het exclusieve gebruik van de badkamer op de derde etage had. De Afdeling ziet dan ook geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij een zelfstandige woonruimte huurde, zodat hij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht geen aanspraak had op huurtoeslag. Hetgeen [appellant] in zijn hogerberoepschrift verder heeft aangevoerd kan niet tot een andere conclusie leiden en behoeft daarom, gelet op het tussen partijen bestaande geschilpunt, geen afzonderlijke bespreking meer.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Kramer w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016

18-809.