Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
201505940/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3781, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de stacaravan met houten aanbouw op het perceel Muldersweg te Someren vóór 19 juni 2014 om 10:30 uur te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang op [appellant] zullen worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1089
BA 2016/128
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7287
JOM 2016/422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505940/1/A1.

Datum uitspraak: 11 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juli 2015 in zaak nr. 15/529 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de stacaravan met houten aanbouw op het perceel Muldersweg te Someren vóór 19 juni 2014 om 10:30 uur te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang op [appellant] zullen worden verhaald.

Bij besluit van 9 januari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 6 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2015 vernietigd voor zover daarbij een begunstigingstermijn tot 19 juni 2014 om 10:30 uur is vastgesteld en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.Z.A.M. Skanderova, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.W.R.A. Verbruggen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Aan de Muldersweg te Someren is een woonwagenkamp gelegen. [appellant] bewoonde ter plaatse een stacaravan met houten aanbouw. Ten tijde van het besluit van 19 juni 2014 was [appellant] gedetineerd. Een toezichthouder van de gemeente heeft omstreeks 10:10 uur aan [appellant] het besluit van 19 juni 2014 uitgereikt, waarbij [appellant] wordt gelast de stacaravan met aanbouw vóór 10:30 uur te verwijderen. Het college heeft de stacaravan met aanbouw diezelfde dag met toepassing van bestuursdwang verwijderd. Uit het proces-verbaal van bevindingen, op 8 juli 2014 op ambtseed opgemaakt door een toezichthouder van de gemeente, volgt dat om ongeveer 10:48 uur is gestart met het leeghalen van de stacaravan en de aanbouw en dat de (sloop)werkzaamheden omstreeks 13:45 uur waren afgerond.

Het wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, omschrijft de last onder bestuursdwang de te nemen herstelmaatregelen.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de last onder bestuursdwang de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college ter zake bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden en dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen concreet zicht op legalisering aanwezig was. Het geschil bij de rechtbank was beperkt tot de vraag of het college [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen om voorafgaande aan het besluit van 19 juni 2014 zijn zienswijze naar voren te brengen en of het college hem een redelijke begunstigingstermijn heeft gegund.

De rechtbank heeft overwogen dat het college de last onder bestuursdwang heeft gebaseerd op artikel 5:31 van de Awb, dat het college in spoedeisende situaties de bevoegdheid geeft om op te treden zonder voorafgaande last. De rechtbank heeft geconstateerd dat daarvan in dit geval geen sprake is, nu het college [appellant] een korte begunstigingstermijn heeft gegeven. De rechtbank acht de bij het besluit van 9 januari 2015 gegeven motivering onvoldoende draagkrachtig om een begunstigingstermijn van 20 minuten te rechtvaardigen. Hoewel het college volgens de rechtbank zorgvuldig heeft gehandeld door alternatieve woonruimte voor [appellant] te zoeken, alvorens tot verwijdering van zijn stacaravan met aanbouw over te gaan, is de beschikbaarheid van alternatieve woonruimte naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die spoedeisend optreden rechtvaardigt. De mogelijke terugkeer van [appellant] naar de gespannen en mogelijk gevaarlijke situatie aan de Muldersweg, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college niet heeft kunnen afzien van een vooraankondiging van de last onder bestuursdwang. Op grond van de door [appellant] ingediende zienswijze had beoordeeld kunnen worden op welke manier hij in staat kon worden geacht om aan de lastgeving te voldoen en welke begunstigingstermijn daarbij gerechtvaardigd zou zijn. Daarbij had [appellant] belang bij het voorkomen van het toepassen van bestuursdwang op zijn kosten. Aangezien er naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke begunstigingstermijn is gegeven, heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang niet ten laste van [appellant] kunnen komen.

De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 januari 2015 vernietigd voor zover daarbij een begunstigingstermijn tot 19 juni 2014 om 10:30 uur is vastgesteld. Het heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven. De reden daarvoor is dat het college, zij het onder toepassing van een redelijke begunstigingstermijn, bevoegd was om handhavend op te treden en er geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. De rechtbank acht in dat verband van belang dat het college ervoor heeft zorggedragen dat de waardevolle spullen van [appellant] in een waterdichte container zijn opgeborgen en dat de stacaravan met aanbouw in zeer slechte staat was en niet kon worden verplaatst zonder afbraak van de aanbouw. Op grond daarvan heeft de rechtbank overwogen dat mag worden aangenomen dat de stacaravan en de aanbouw ook door [appellant] zouden zijn gesloopt als hem een redelijke termijn was gegund om deze zelf te verwijderen.

De beoordeling van het hoger beroep

4. [appellant] wenst een verdergaande vernietiging van het besluit van 9 januari 2015. Hij betoogt voorts dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, ten onrechte in stand heeft gelaten. Daartoe voert [appellant] aan dat uit de overweging van de rechtbank dat het onmiddellijk slopen van de stacaravan met aanbouw niet gerechtvaardigd was, volgt dat hij hoe dan ook in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zelf aan de lastgeving te voldoen en dat het college daarvoor een redelijke termijn had moeten bieden. Ook volgt daaruit dat hij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zelf zorg te dragen voor het veiligstellen van zijn bezittingen, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen voorafgaand aan het besluit van 19 juni 2014 zijn zienswijze naar voren te brengen en het betoog dat het college hem geen redelijke begunstigingstermijn heeft gegund, overwogen dat [appellant] belang heeft bij het voorkomen van het toepassen van bestuursdwang op zijn kosten en dat de bij het besluit van 9 januari 2015 gegeven motivering onvoldoende draagkrachtig is om een begunstigingstermijn van 20 minuten te rechtvaardigen. Daaruit volgt dat het college [appellant] een redelijke termijn had moeten bieden om uitvoering aan de last te geven, al dan niet door het inschakelen van derden.

De omstandigheid dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, zij het onder toepassing van een redelijke begunstigingstermijn, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het besluit van 9 januari 2015, zoals de rechtbank heeft overwogen, slechts voor vernietiging in aanmerking komt met betrekking tot de gestelde begunstigingstermijn en dat de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten kunnen worden. Het besluit van 9 januari 2015 komt naar het oordeel van de Afdeling geheel voor vernietiging in aanmerking en voor instandlating van de rechtsgevolgen daarvan ziet de Afdeling geen aanleiding. Nu de gestelde begunstigingstermijn te kort was en in een nieuw besluit op bezwaar niet alsnog een nieuwe begunstigingstermijn kan worden gesteld omdat het college reeds uitvoering heeft gegeven aan het besluit van 19 juni 2014, kunnen de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang redelijkerwijs niet op [appellant] worden verhaald en dient het besluit van 9 januari 2015 geheel te worden vernietigd. Vast staat dat het college ter zake bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden. Gelet daarop bestaat naar het oordeel van de Afdeling slechts aanleiding het besluit van 19 juni 2014 te herroepen, voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang op [appellant] worden verhaald.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 januari 2015 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 19 juni 2014 zal worden herroepen, voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang op [appellant] worden verhaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juli 2015 in zaak nr. 15/529;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Someren van 9 januari 2015, kenmerk SOM/2014/007385;

V. herroept het besluit van 19 juni 2014, kenmerk CHZ_IC-2013-0692/ko, voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang op [appellant] worden verhaald;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Someren aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016

672.