Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
201506113/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:5015, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de korpschef van politie het op 2 september 2013 aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vijf wapens en munitie (hierna: wapenverlof) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506113/1/A3.

Datum uitspraak: 11 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2015 in zaak nr. 15/1111 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de korpschef van politie het op 2 september 2013 aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vijf wapens en munitie (hierna: wapenverlof) ingetrokken.

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. van den Boom, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. Bij een huisbezoek, naar aanleiding van een melding dat [appellant] dreigde zelfmoord te plegen, trof de politie op zolder een wapen en munitie aan, buiten de wapenkluis die op de eerste verdieping staat. De korpschef heeft daarin aanleiding gezien het wapenverlof van [appellant] in te trekken. De staatssecretaris heeft die intrekking gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich daar niet in vinden.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b en e, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) kan een wapenverlof door het bestuursorgaan dat dit heeft verleend worden ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, alsmede bij niet inachtneming van een daaraan verbonden beperking of voorschrift.

Volgens Bijzonder deel B, paragraaf 1.2, van de Circulaire wapens en munitie 2014 (hierna: CWM) is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen.

Volgens paragraaf 8 dient de persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie - indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden - er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.

Oordeel rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat [appellant] niet heeft weersproken dat hij, zowel tegen zijn voormalig werkgever als tegen de politie, heeft gezegd dat hij zelfmoord wilde plegen en dat tijdens het huisbezoek op zolder, buiten de voor bewaring verplicht gestelde kluis, een wapen en munitie zijn aangetroffen. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de wettelijke voorschriften, zoals neergelegd in Bijzonder deel B, paragraaf 8, van de CWM, zodat de staatssecretaris zich alleen al hierom op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende objectieve feiten zijn voor de conclusie dat geringe twijfel bestaat over het verantwoord voorhanden hebben van wapens en munitie. In de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, waaronder dat hij juist het wapen wilde schoonmaken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het wapenverlof niet had mogen worden ingetrokken. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn beoordeling gewicht mogen toekennen aan de psychische toestand van [appellant] en zijn uitlatingen hierbij. Van een onevenredige belangenafweging, omdat [appellant] bij intrekking van zijn wapenverlof de schietsport niet meer kan beoefenen, is volgens de rechtbank geen sprake.

Beoordeling gronden

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn verklaringen over het buiten de kluis aanwezig zijn van een wapen en munitie heeft verworpen. Hij wilde niet alleen zijn wapen schoonmaken, maar ook zijn munitie onderhouden. Daarbij wijst hij erop dat de munitie niet geschikt was voor het betreffende karabijngeweer. Volgens [appellant] heeft de rechtbank een te groot gewicht toegekend aan de verklaring van de politie dat er geen schoonmaakattributen zijn aangetroffen.

4.1. In de CWM is als uitgangspunt neergelegd dat degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Het intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving. Tegen de achtergrond van het maatschappelijk belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering voldoende reden om het verlof in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

4.2. De staatssecretaris heeft bij zijn oordeel betrokken dat blijkens de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal naar aanleiding van het huisbezoek bij [appellant] is geconstateerd en door [appellant] is bevestigd dat er één wapen in de kluis ontbrak en dat dit wapen tezamen met scherpe munitie op de zolder van de woning lag. Daarmee heeft [appellant] het wapen en de munitie niet overeenkomstig Bijzonder deel B, paragraaf 8, van de CWM in afzonderlijke, deugdelijke afgesloten en voor onbevoegde niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen opgeborgen. Als gevolg hiervan heeft de staatssecretaris niet langer het vertrouwen dat [appellant] de wapenwettelijke voorschriften stipt zal naleven. Gelet op het uitgangspunt van de CWM is dat volgens de staatssecretaris reeds voldoende om de intrekking van het wapenverlof te handhaven.

4.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2047, mag een bestuursorgaan in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal uitgaan. [appellant] heeft de processen-verbaal alleen weersproken, doch niet gemotiveerd weerlegd. De staatssecretaris mocht er dan ook van uitgaan dat het wapen en de munitie ten tijde van de controle niet gescheiden en deugdelijk afgesloten waren opgeborgen, zodat [appellant] de in Bijzonder deel B, paragraaf 8, van de CWM gegeven voorschriften heeft overtreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op basis hiervan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er aanwijzingen zijn dat het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer aan [appellant] kan worden toevertrouwd en dat de staatssecretaris de intrekking van het wapenverlof derhalve in redelijkheid heeft kunnen handhaven. [appellant] heeft, wat daar ook van zij, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het wapen en de munitie op de zolder lagen louter om te worden schoongemaakt en onderhouden.

4.4. Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat hij heeft verklaard dat hij zelfmoord wilde plegen. Daartoe voert [appellant] aan, zoals hij ook ter zitting heeft toegelicht, dat zijn uitingen in de gesprekken met zijn voormalig leidinggevende bedoeld waren om zijn gevoel van hulpeloosheid te duiden en dat hij geen enkele intentie heeft om zelfmoord te plegen. De rechtbank is voorts ten onrechte voorbijgegaan aan de verklaring van zijn huisarts, nu een dergelijke verklaring voldoende is volgens de CWM. Als er al sprake zou zijn geweest van psychische druk, bestond deze niet meer ten tijde van het afgeven van de verklaring van de huisarts en kon hij veilig met wapens en munitie omgaan, aldus [appellant].

5.1. Uit de op ambtseed en op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal inzake de aangifte van zijn voormalig werkgever volgt dat [appellant] sinds lange tijd een emotionele en instabiele indruk maakte en dat hij heeft gesteld dat hij zelfmoord heeft willen plegen. Voorts volgt uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 24 april 2014 met een van [appellant] opgetekende en door hem ondertekende verklaring, dat hij tijdens een gesprek met zijn voormalig leidinggevende emotioneel was en in een opwelling heeft gezegd dat hij beter zelfmoord kon plegen, maar dat niet meende. [appellant] heeft deze processen-verbaal wel weersproken, maar niet weerlegd. Dat hij de door hem gemaakte opmerkingen over het plegen van zelfmoord niet heeft gemeend dan wel anders heeft bedoeld, maakt niet dat die opmerkingen ten onrechte in de processen-verbaal zijn opgenomen en niet van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. De staatssecretaris heeft aan de verklaring van de huisarts geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit die verklaring niet blijkt wat voor soort onderzoek de huisarts heeft verricht om tot zijn conclusie te komen. Het betoog van [appellant] biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat zijn psychische gemoedstoestand, ongeacht of die was ingegeven door emotie of door psychische druk, niet die stabiliteit lijkt te vertonen die van een wapenverlofhouder mag worden verwacht.

5.2. Het betoog faalt.

6. Tot slot voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem aangevoerde omstandigheid dat hij al dertig jaar zonder incidenten de schietsport beoefent niet leidt tot een ander oordeel. Bovendien heeft hij verklaringen omtrent het gedrag (hierna: VOG's) gekregen voor het werken op Schiphol en om te werken als verkeersregelaar. Volgens [appellant] had de rechtbank in die omstandigheden aanleiding moeten zien om op grond van het proportionaliteits- dan wel het subsidiariteitsbeginsel te oordelen dat de staatssecretaris had kunnen volstaan met het opleggen van een waarschuwing dan wel een tijdelijke inbeslagname van de wapens en munitie. Daarbij wijst [appellant] erop, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, dat hij door het intrekken van zijn verlof de schietsport niet meer kan uitoefenen, omdat de schietvereniging op aandringen van de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie zijn lidmaatschap heeft opgezegd en hem een nieuw lidmaatschap moet worden geweigerd.

6.1. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden nemen niet weg dat een wapenverlof ieder jaar weer moet worden aangevraagd en iedere keer opnieuw wordt beoordeeld of het wapenverlof aan hem kan worden toevertrouwd. De omstandigheid dat hem op 22 juni 2015 en 2 maart 2016 een VOG is verleend, maakt evenmin dat de staatssecretaris aanleiding had moeten zien voor een ander oordeel, dan wel dat hij had moeten volstaan met een waarschuwing. Daargelaten dat die VOG's na de aangevallen uitspraak zijn afgegeven, staat de beoordeling ten behoeve van de afgifte van de VOG's los van de beoordeling of het voorhanden hebben van wapens en munitie nog wel aan [appellant] kan worden toevertrouwd. Dat [appellant] de schietsport niet meer kan uitoefenen is inherent aan het intrekken van het wapenverlof en derhalve geen omstandigheid die daaraan kan afdoen.

6.2. Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Deventer-Lustberg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016

587.