Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
201506617/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8238, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2010 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506617/1/V1.

Datum uitspraak: 25 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/872 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2010 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring gedeeltelijk ingewilligd en de ongewenstverklaring van de vreemdeling opgeheven.

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de staatssecretaris de tegen de besluiten van 1 december 2010 en 18 maart 2013 door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de opheffing van de ongewenstverklaring op 18 maart 2013 gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft de Turkse nationaliteit. Hij is op 12 november 1982 onherroepelijk veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens het medeplegen van moord. Bij besluit van 23 juli 1985 is hij ongewenst verklaard. Sinds 1985 heeft de vreemdeling een aantal opvolgende aanvragen tot opheffing van zijn ongewenstverklaring ingediend, die de staatssecretaris steeds heeft afgewezen. Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring opgeheven.

2. Hetgeen de vreemdeling als tweede en derde grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. De vreemdeling klaagt in de eerste grief terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat in deze procedure de redelijke termijn is overschreden. Deze grief moet worden opgevat als een klacht dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij zijn aanvraag op 22 november 2010 heeft ingediend, dat zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van die aanvraag dateert van 22 december 2010, dat de rechtbank eerst op 17 juli 2015 uitspraak heeft gedaan en dat hem voor die overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding moet worden toegekend.

4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het primaire besluit vóór 1 februari 2014 bekend is gemaakt. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

4.2. Blijkens de ontvangstbevestiging van 1 januari 2011 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling tegen het besluit van 1 december 2010 ontvangen op 22 december 2010. De staatssecretaris heeft op 1 januari 2011 de beslistermijn voor het besluit op bezwaar verdaagd. Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard. Daargelaten of de rechtbank heeft miskend dat de vreemdeling, zoals hij in de grief betoogt, op 24 november 2011 geen nieuwe aanvraag, maar een wijziging van de bestaande aanvraag heeft ingediend, heeft de staatssecretaris eerst op 18 maart 2013 die aanvraag gedeeltelijk ingewilligd en de ongewenstverklaring opgeheven. Op 29 maart 2013 heeft de staatssecretaris het besluit van 28 oktober 2011 ingetrokken. Vervolgens heeft de staatssecretaris op 31 januari 2014 een besluit geslagen, dat hij op 25 juni 2014 heeft ingetrokken. Bij het in beroep bestreden besluit van 18 december 2014 heeft de staatssecretaris ten slotte de bezwaren tegen de besluiten van 1 december 2010 en 18 maart 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 17 juli 2015 uitspraak gedaan.

Sinds de ontvangst van het bezwaar op 22 december 2010 tot de uitspraak op het beroep van de vreemdeling op 17 juli 2015, zijn vier jaar en zeven maanden verstreken. Voormelde termijn van drie jaar is derhalve met een jaar en zeven maanden overschreden. De behandeling van de zaak bij de rechtbank heeft minder dan twee jaar geduurd. Derhalve is het tijdsverloop volledig toe te rekenen aan de staatssecretaris.

De eerste grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:88 van de Awb, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Afdeling zal de staatssecretaris wegens overschrijding van de redelijke termijn, met toepassing van artikel 8:88 van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan de vreemdeling, als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade. Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier slechts gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/872, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om schadevergoeding;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel, en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2016

488-785.

Verzonden: 25 april 2016