Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
201402853/3/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402853/3/R4.

Datum uitspraak: 4 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en anderen,

4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 4]), beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Westerveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed ’t Wildryck B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2015, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], van wie [appellant sub 1A] in persoon, bijgestaan door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, [appellant sub 3] en anderen, van wie [gemachtigde] en drs. J. Krikke in persoon en de anderen vertegenwoordigd door [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], en de raad, vertegenwoordigd door A.J. Meeuwissen en A. Brouwer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Landgoed ’t Wildryck B.V., vertegenwoordigd door J.G. Tadema, bijgestaan door mr. W.H.R. van Boetzelaer, advocaat te Heereveen, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 17 juni 2015 in zaak nr. 201402853/1/R4 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 4 maart 2014 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 14 januari 2016, in zaak nr. 201402853/4/R4, heeft de Afdeling op verzoek van de raad de hersteltermijn verlengd tot en met 17 februari 2016.

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4] en Landgoed ’t Wildryck B.V. een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het op 4 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan voorzag in de bouw van 80 nieuwe recreatiewoningen op het recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever. Maximaal 38 recreatiewoningen waren voorzien ter plaatse van een onbebouwd bosperceel in het noordwestelijke deel van het plangebied. De overige 42 recreatiewoningen waren voorzien in het oostelijke deel van het plangebied ter vervanging van ter plaatse aanwezige standplaatsen voor kampeermiddelen en bouwwerken voor recreatief verblijf in de vorm van stacaravans en boschalets. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4], eigenaren van recreatiewoningen op het recreatiepark, vreesden onder meer dat de voorziene 80 nieuwe recreatiewoningen zouden leiden tot leegstand, tot een duurzame ontwrichting van de bestaande recreatiesector en daarmee tot een waardedaling van hun bestaande recreatiewoningen op het park. Daarnaast waren zij van mening dat het bestaande bosperceel, waar in het op 4 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan de bouw van 38 nieuwe recreatiewoningen was voorzien, gevrijwaard moest blijven van nieuwe bebouwing gelet op de landschappelijke waarde van het bosperceel.

Tussenuitspraak

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6.1 overwogen dat de raad nut en noodzaak van het op 4 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat de raad zich bij de beoordeling van de vraag of behoefte bestaat aan de voorziene uitbreiding van het aantal recreatiewoningen rekenschap heeft gegeven van de gestelde lage bezettingsgraad en de moeilijke verkoopbaarheid van de bestaande recreatiewoningen in het plangebied. Voorts was niet gebleken dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening heeft gehouden met het bestaande aanbod aan recreatiewoningen in de regio waarvan het plangebied deel uitmaakt en met de in bestaande bestemmingsplannen in de regio van het plangebied reeds voorziene uitbreiding van dit aanbod en of gelet hierop in de regio mogelijk reeds sprake is van een overaanbod aan recreatiewoningen.

3. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4] tegen het besluit van 4 maart 2014 gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - 1" ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - a" en de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - b".

4. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak onder 6.1 is overwogen:

- hetzij, zo nodig na het verrichten van nader onderzoek, alsnog deugdelijk te motiveren dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene 80 nieuwe recreatiewoningen. De raad dient zich in deze motivering rekenschap te geven van de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4] gestelde lage bezettingsgraad en moeilijke verkoopbaarheid van de bestaande recreatiewoningen in het plangebied. Tevens dient de raad in de motivering het bestaande aanbod aan recreatiewoningen in de regio van het plangebied te betrekken alsook de vraag of bestaande bestemmingsplannen in de regio van het plangebied reeds voorzien in de uitbreiding van het bestaande aanbod aan recreatiewoningen en of gelet hierop in de regio mogelijk reeds sprake is van een overaanbod aan recreatiewoningen;

- hetzij het besluit te wijzigen door het vaststellen van een nieuwe planregeling.

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak bepaald dat bij de voorbereiding van een nieuw besluit afdeling 3.4 van de Awb niet behoeft te worden toegepast en dat het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend dient te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

Herstelbesluit

5. De raad heeft bij besluit van 26 januari 2016 het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" gewijzigd vastgesteld. Dat besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

6. In het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan is niet langer voorzien in de bouw van 38 nieuwe recreatiewoningen ter plaatse van het onbebouwde bosperceel in het noordwestelijke deel van het plangebied. Aan dit onbebouwde bosperceel is in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan de bestemming "Bos - 1" toegekend. De planologische mogelijkheid om in het oostelijke deel van het plangebied te voorzien in de bouw van 42 nieuwe recreatiewoningen, is in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan in stand gebleven. De plantoelichting bij het gewijzigde plan bevat een bijlage waarin wordt ingegaan op de behoefte aan de in het plan voorziene 42 nieuwe recreatiewoningen.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

7. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben naar aanleiding van het besluit van de raad van 26 januari 2016 geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] geen bezwaren hebben tegen het besluit van 26 januari 2016. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is ongegrond.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vermelden in hun zienswijze dat zij zich, ondanks het ontbreken van een draagkrachtige motivering omtrent het nut en de noodzaak van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan, met het besluit van de raad van 26 januari 2016 kunnen verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen dat besluit geacht worden te zijn ingetrokken.

[appellant sub 3] en anderen

9. [appellant sub 3] en anderen betogen in hun zienswijze dat de raad het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet heeft hersteld. Zij voeren hiertoe aan dat de bij de plantoelichting gevoegde aanvullende motivering, waarin volgens hen uitsluitend summier wordt ingegaan op de behoefte aan de bouw van nieuwe recreatiewoningen in het plangebied, is opgesteld door de echtgenoot van de nieuwe eigenaar van het recreatiepark. Volgens [appellant sub 3] en anderen heeft de raad deze aanvullende motivering aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd zonder daarbij een eigen beoordeling te geven over het nut en de noodzaak van het plan.

9.1. In de plantoelichting bij het gewijzigd vastgestelde plan wordt voor de behoefte aan de in het plan voorziene 42 nieuwe recreatiewoningen verwezen naar de bij de plantoelichting gevoegde notitie "Motivering behoefte nieuwe recreatiewoningen op Landgoed ’t Wildryck" opgesteld door mr. ing. E. Oostra RT op 9 oktober 2015 (hierna: de notitie). In de notitie wordt beschreven wat de bezettingsgraad is van de huidige recreatiewoningen op het recreatiepark, of er sprake is van een moeilijke verkoopbaarheid van deze bestaande recreatiewoningen, wat het bestaande aanbod is aan recreatiewoningen in de regio van het plangebied, of er bestemmingsplannen in de regio zijn die reeds voorzien in een uitbreiding van het aanbod aan recreatiewoningen en of er in de regio van het plangebied mogelijk reeds sprake is van een overaanbod aan recreatiewoningen. De Afdeling stelt vast dat in de notitie met cijfers onderbouwd is ingegaan op alle vraagpunten die de Afdeling in de tussenuitspraak in de aan de raad gegeven opdracht heeft vermeld. Met de enkele stelling dat de notitie is opgesteld door de echtgenoot van de nieuwe eigenaar van het recreatiepark, hebben [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat in de notitie niet deugdelijk is gemotiveerd dat behoefte bestaat aan de in het gewijzigde plan voorziene 42 nieuwe recreatiewoningen. De Afdeling ziet in de zienswijze van [appellant sub 3] en anderen dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet heeft hersteld.

Het betoog faalt.

10. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van de raad van 26 januari 2016 is ongegrond.

[appellante sub 4]

11. [appellante sub 4] richt zich in zijn zienswijze tegen de bestemming "Bos - 1" die de raad in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan aan het onbebouwde bosperceel in het noordwestelijke deel van het plangebied heeft toegekend. [appellante sub 4] wijst erop dat aan het oostelijke deel van dit bosperceel, waar reeds in het op 4 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan niet was voorzien in de bouw van nieuwe recreatiewoningen, in zowel het bij besluit van 4 maart 2014 vastgestelde plan als het bij besluit van 26 januari 2016 vastgestelde herstelplan, de bestemming "Natuur" is toegekend. Volgens [appellante sub 4] had de raad gelet hierop ook aan het westelijke deel van het bosperceel de bestemming "Natuur" moeten toekennen. [appellante sub 4] vreest dat de thans aan dit deel van het bosperceel toegekende bestemming "Bos - 1", anders dan de bestemming "Natuur", geen afdoende bescherming biedt aan de landschappelijke waarde van het bosperceel.

11.1. De Afdeling stelt vast dat in het bij besluit van 26 januari 2016 vastgestelde bestemmingsplan aan het westelijke deel van het bosperceel, gelegen in het noordelijke deel van het plangebied, de bestemming "Bos - 1" is toegekend en aan het oostelijke deel van dit bosperceel de bestemming "Natuur".

Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, en artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bos - 1" evenals de gronden met de bestemming "Natuur" onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de bosgebieden onderscheidenlijk natuurgebieden. Binnen beide bestemmingen is daaraan ondergeschikt onder meer extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik van bestaande infrastructuur en voorzieningen, nutsvoorzieningen en kleinschalige duurzame energiewinning toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, en artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels mogen zowel op de gronden met de bestemming "Bos - 1" als op de gronden met de bestemming "Natuur" geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Voorts zijn in artikel 3, lid 3.3, en artikel 5, lid 5.3, van de planregels binnen de bestemmingen "Bos - 1" en "Natuur" dezelfde vormen van gebruik aangemerkt als met de bestemming strijdig gebruik. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 4] in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet op het vorenstaande niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Bos - 1" afdoende bescherming biedt aan de landschappelijke waarde van het westelijke deel van het bosperceel op een zelfde wijze als de bestemming "Natuur". De Afdeling wijst in dit verband voorts op artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder d, van de planregels waar, in aanvulling op de gebruiksregels binnen de bestemming "Natuur", is bepaald dat tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Bos - 1" in elk geval wordt gerekend het inrichten van gronden zodanig dat de bestaande landschappelijke kenmerken wezenlijk worden veranderd.

Het betoog faalt.

12. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellante sub 4] tegen het besluit van de raad van 26 januari 2016 is ongegrond.

Proceskosten

13. De raad dient op na te melden wijze ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellante sub 4] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Westerveld van 4 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Westerveld van 4 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - 1" ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - a" en de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - b";

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Westerveld van 26 januari 2016 tot vaststelling van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Recreatiepark Landgoed ’t Wildryck te Diever" ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Westerveld tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Westerveld aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 3] en anderen, met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Zuijlen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016

810.