Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
201504110/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2796, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college een beperking van de vaarsnelheid ingesteld voor twee zandgaten, lokaal bekend als het Gat van Kraaijenvanger en het Gat van Olburgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504110/1/A3.

Datum uitspraak: 4 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waterplassen Olburgen B.V., gevestigd te Oldenzaal,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 april 2015 in zaak nr. 14/8144 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [plaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college een beperking van de vaarsnelheid ingesteld voor twee zandgaten, lokaal bekend als het Gat van Kraaijenvanger en het Gat van Olburgen.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, het besluit van 19 februari 2013 ingetrokken, een invaarverbod voor de zandgaten ingesteld en bepaald dat de eigenaar van de zandgaten een schriftelijke verklaring verstrekt aan degenen die van het invaarverbod zijn uitgezonderd.

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] tegen het besluit van 25 februari 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2014 vernietigd voor zover het college het bezwaar van [wederpartij] niet-ontvankelijk heeft verklaard en het college opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op dat bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en Waterplassen Olburgen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft verweerschriften ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Azewijn Beheer en Exploitatie B.V., gevestigd te Doetinchem, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dorado Beach B.V., gevestigd te Olburgen, gemeente Bronckhorst, exploitanten van een recreatiepark en jachthaven bij het Gat van Olburgen, hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[wederpartij] heeft schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft [wederpartij] beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep naar de Afdeling doorgezonden.

Het college heeft een nadere uiteenzetting ingediend.

Waterplassen Olburgen heeft een reactie op het besluit van 1 februari 2016 ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.H. Knoef-Vruggink, werkzaam bij de gemeente Bronckhorst, Waterplassen Olburgen, vertegenwoordigd door [eigenaar] van Waterplassen Olburgen, bijgestaan door mr. C.M.M. van Mill, advocaat te Enschede, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] heeft in bezwaar tegen het invaarverbod onder meer aangevoerd dat hij direct aan het Gat van Kraaijenvanger woont, het gebruik ervan voor rustige recreatievaart wenselijk en niet-bezwaarlijk acht, en het niet aan de eigenaar ervan mag worden overgelaten om uitzonderingen op het invaarverbod te maken. Volgens hem kon het college volstaan met het instellen van een beperking van de vaarsnelheid.

Het college heeft het bezwaar van [wederpartij] niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende bij het besluit van 25 februari 2014 is. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] wel belanghebbende is en dat het college hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.

2. [wederpartij] betoogt in verweer dat de persoon die het hogerberoepschrift van het college heeft ondertekend niet bevoegd is namens het college hoger beroep in te stellen.

2.1. Het college heeft geen reactie op dit betoog van [wederpartij] gegeven. Het hoger beroep is namens het college ingesteld door een medewerker van het cluster Juridische Zaken. Uit het Mandaatbesluit 2015 en het Ondermandaatbesluit 2015 van de gemeente Bronckhorst, gelezen in samenhang met de bijbehorende bijlagen, zoals door [wederpartij] aangehaald, blijkt niet dat de bevoegdheid van het college tot het instellen van hoger beroep aan deze medewerker is gemandateerd.

Het betoog slaagt. Dit betekent dat het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. [wederpartij] betoogt dat Waterplassen Olburgen geen eigenaar van het Gat van Kraaijenvanger is, zodat zij in zoverre geen belanghebbende is, en dat de eigenaar van dat zandgat geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 februari 2013 waarbij het college een beperking van de vaarsnelheid heeft ingesteld.

3.1. Voor zover [wederpartij] met het voorgaande beoogt te betogen dat het hoger beroep van Waterplassen Olburgen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, volgt de Afdeling hem hierin niet. In haar hogerberoepschrift heeft Waterplassen Olburgen te kennen gegeven op korte termijn eigenaar van het Gat van Kraaijenvanger te worden. Ter zitting van de Afdeling heeft Waterplassen Olburgen verklaard inmiddels eigenaar te zijn. Dit is voldoende om Waterplassen Olburgen in dit geding als belanghebbende aan te merken. Dat de toenmalige eigenaar van het Gat van Kraaijenvanger geen bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2013 heeft gemaakt, kan hieraan niet afdoen, nu Waterplassen Olburgen is opgekomen tegen de vernietiging door de rechtbank van het bij haar bestreden besluit tot handhaving van het invaarverbod.

4. Waterplassen Olburgen betoogt dat de rechtbank het besluit van 30 september 2014 ten onrechte ten aanzien van het Gat van Olburgen heeft vernietigd. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] in ieder geval geen belanghebbende is bij het besluit van 25 februari 2014, voor zover dit ziet op het Gat van Olburgen. Voorts betoogt Waterplassen Olburgen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belangen van [wederpartij] zich in voldoende mate onderscheiden van die van andere gebruikers van het Gat van Kraaijenvanger. Hiervoor heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte van belang geacht dat [wederpartij] met een foto vanuit zijn tuin heeft onderbouwd dat hij zicht heeft op het Gat van Kraaijenvanger en hij de motoren van daar varende waterscooters, jetski's en snelle motorboten, zonder dit als overlast te ervaren, kan horen. Het horen van [wederpartij] in bezwaar zal niet tot een andere beslissing leiden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 30 september 2014 niet in stand gelaten, aldus Waterplassen Olburgen.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 april 2015 in zaak nr. 201407772/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2015:1316) is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende door de wetgever een begrenzing beoogd van de mogelijkheden om ten aanzien van een besluit bezwaar te maken of beroep in te stellen. Zoals de Afdeling in die uitspraak voorts heeft overwogen is een persoon slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit, indien hij een bijzonder, individueel belang bij dat besluit heeft, dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.

4.3. Het bij het besluit van 25 februari 2014 ingestelde invaarverbod heeft een verminderde activiteit van vaartuigen op het Gat van Kraaijenvanger en het Gat van Olburgen tot gevolg. Ter toelichting van zijn belanghebbendheid heeft [wederpartij] gesteld dat hij zicht heeft op het Gat van Kraaijenvanger en dat door het invaarverbod onder meer de scouting en de politie geen gebruik meer zullen kunnen maken van dat zandgat, waardoor het daar minder levendig wordt. Voorts recreëert hij af en toe op het Gat van Kraaijenvanger.

4.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [wederpartij] belanghebbende bij het invaarverbod is. Als recreant en persoon met zicht op het Gat van Kraaijenvanger onderscheidt hij zich onvoldoende van anderen. Hierbij is van belang dat de afstand tussen zijn woning en dat zandgat ongeveer 300 meter is. [wederpartij] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij door de verminderde levendigheid een rechtstreeks bij het invaarverbod betrokken belang heeft. [wederpartij] heeft niet een belang gesteld dat verband houdt met het invaarverbod voor het Gat van Olburgen.

Nu het horen van [wederpartij] in bezwaar niet aan het voorgaande kan afdoen, had de rechtbank de rechtsgevolgen van besluit van 30 september 2014, voor zover door haar vernietigd, in stand moeten laten.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van Waterplassen Olburgen is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, in zoverre de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 30 september 2014, voor zover door haar vernietigd, niet in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven.

6. Bij het besluit van 1 februari 2016 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, is door de gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

7. Het college dient ten aanzien van [wederpartij] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van Waterplassen Olburgen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waterplassen Olburgen B.V. gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 april 2015 in zaak nr. 14/8144, in zoverre de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 30 september 2014, voor zover door haar vernietigd, niet in stand heeft gelaten;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 1 februari 2016, kenmerk Z63908/UIT15-98082;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,32 (zegge: vijfenveertig euro en tweeëndertig cent), geheel toe te rekenen aan reiskosten.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016

620.