Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201503346/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2106, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503346/1/V1.

Datum uitspraak: 21 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2015 in zaak nr. 14/25091 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Lok, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris onderscheidenlijk de vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling beoogt verblijf bij haar partner (hierna: de referent). De staatssecretaris heeft geweigerd een mvv aan de vreemdeling te verlenen omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

2. Bij faxbericht van 21 december 2015 heeft de staatssecretaris de Afdeling medegedeeld dat hij bij besluit van 2 september 2015 een opvolgende aanvraag van de vreemdeling heeft ingewilligd en haar bij besluit van 4 november 2015 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend, geldig van 2 oktober 2015 tot 3 oktober 2020.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de vreemdeling dit aan de Afdeling bevestigd.

3. De vreemdeling klaagt in de grieven onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

3.1. Bij faxbericht van 12 februari 2016 heeft de staatssecretaris de Afdeling medegedeeld dat hij het besluit en het besluit van 21 oktober 2013 niet langer handhaaft omdat hij niet langer kan volhouden dat het besluit rechtens juist is noch dat hij de aanvraag terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

Reeds hierom slagen de grieven.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit alsnog gegrond verklaren. Het besluit komt wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Voorts ziet de Afdeling aanleiding het besluit van 21 oktober 2013 te herroepen. De staatssecretaris moet derhalve een nieuw besluit op de aanvraag nemen.

5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

6. Bij brief van 3 maart 2016 heeft de vreemdeling de Afdeling verzocht de staatssecretaris op te dragen een eerdere ingangsdatum toe te kennen aan de bij besluit van 4 november 2015 verleende verblijfsvergunning.

6.1. Aan dit verzoek wordt niet toegekomen, reeds omdat het besluit van 4 november 2015 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en derhalve niet aan de orde is in deze procedure.

7. Voorts heeft de vreemdeling de Afdeling bij brief van 3 maart 2016 verzocht de staatssecretaris te veroordelen tot het vergoeden van € 2.500,00 voor de immateriële schade die de vreemdeling, de referent en hun kinderen als gevolg van het besluit hebben geleden. Zij betoogt, onder verwijzing naar een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 mei 2013 over de referent, dat zij psychisch hebben geleden doordat zij onnodig lang op gezinshereniging hebben moeten wachten.

7.1. In deze rapportage is vermeld dat de depressieve episode van de referent mede in stand wordt gehouden door een combinatie van zijn persoonlijkheidsstructuur en zijn privésituatie, dat zijn begeleider en kinderen het liefst zien dat de vreemdeling naar Nederland komt en dat het van groot belang is dat de referent op korte termijn een meer intensieve behandeling ondergaat.

De vreemdeling heeft hiermee het causaal verband tussen het besluit en de door haar gestelde immateriële schade niet gestaafd, nu de psychische klachten van de referent volgens dit rapport verschillende mogelijke oorzaken hebben.

7.2. Voor zover de vreemdeling heeft bedoeld om vergoeding te verzoeken van de immateriële schade die zij heeft geleden omdat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond, wordt het volgende overwogen.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het primaire besluit vóór 1 februari 2014 bekend is gemaakt. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

Het door de vreemdeling tegen het besluit van 21 oktober 2013 gemaakte bezwaar is op 11 november 2013 door de staatssecretaris ontvangen. Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft de staatssecretaris dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling op 4 november 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2015, hoger beroep ingesteld.

Aangezien sinds de ontvangst van het per fax verzonden bezwaarschrift van 11 november 2013 ten tijde van deze uitspraak nog geen vijf jaar zijn verstreken, is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

8. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2015 in zaak nr. 14/25091;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van 14 oktober 2014, V-nummer […];

V. herroept het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 21 oktober 2013, V-nummer […];

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.232,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Keizer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016

716.