Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201507326/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:5336, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2014 en onderscheiden besluiten van 12 december 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden
Algemene wet op het binnentreden 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/276 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
JV 2016/147 met annotatie van drs. F. Heinink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507326/1/V1.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 augustus 2015 in zaak nr. 15/5115 in het geding tussen:

de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen, (hierna tezamen: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2014 en onderscheiden besluiten van 12 december 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 augustus 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De staatssecretaris heeft de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning ingetrokken omdat zij niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze is verleend, te weten 'familie- of gezinsleven met uw partner [de referent]. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling geen duurzame en exclusieve relatie had en heeft met de referent en dat zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren. Omdat het verblijfsrecht van de kinderen van de vreemdeling afhankelijk is van dat van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris ook de aan de kinderen verleende verblijfsvergunningen ingetrokken. De staatssecretaris heeft zijn standpunt over de relatie tussen de vreemdeling en de referent mede gebaseerd op twee processen-verbaal, die zijn opgemaakt naar aanleiding van huisbezoeken op 26 februari en 11 maart 2013. Deze bezoeken vonden plaats op het adres waar de vreemdeling met de referent zou samenwonen. Uit deze processen-verbaal blijkt dat de vreemdeling en haar kinderen ten tijde van beide huisbezoeken niet aanwezig waren en dat de verbalisanten niets hebben aangetroffen dat erop duidt dat er kinderen, van wie een van ongeveer vijftien maanden oud, in de bezochte woning woonden. Zo hebben zij bij geen van de bezoeken kinderkleding, luiers, een kinderbed of ledikant, kinderboeken of voeding voor kinderen aangetroffen. Naast de resultaten van de huisbezoeken heeft de staatssecretaris de door de vreemdeling en de referent op 14 maart 2014 ten overstaan van een ambtelijke commissie afgelegde verklaringen in aanmerking genomen. Verder heeft hij meegewogen dat de referent, die naar gesteld de biologische vader is van het jongste kind van de vreemdeling, dat kind niet heeft erkend, dat de vreemdeling naar buiten toe niet altijd hetzelfde adres voert als de referent en dat zij hun gezamenlijke financiële verplichtingen, zoals de betaling van de huur en boodschappen, niet vanuit een gezamenlijke rekening voldoen.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

2. De staatssecretaris betoogt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de huisbezoeken onrechtmatig zijn, omdat de betrokken hoofdagent en buitengewoon opsporingsambtenaren van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland (hierna: de verbalisanten) niet de vereiste toestemming tot binnentreden hebben gekregen. Hij voert daartoe, onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi; Kamerstukken II, 1984-1985, 19 073, nrs. 1-3, blz. 10 en 21), aan dat die toestemming ook namens de bewoner mag worden gegeven. Bij het eerste huisbezoek mochten de verbalisanten er volgens de staatssecretaris van uitgaan dat degene die opendeed - de zus van de referent - bevoegd was namens de referent te spreken. Wat betreft het tweede huisbezoek voert de staatssecretaris, onder verwijzing naar de uitspraak van 22 maart 2013 in zaak nr. 201109753/1/V3, aan dat uit het onderliggende proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten met toestemming van de referent zijn binnengetreden. De staatssecretaris voert verder aan dat de Awbi geen gevolgen verbindt aan het niet nakomen van de uit die wet voortvloeiende verplichtingen en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij, alvorens tot uitsluiting van het bewijs over te gaan, een belangenafweging had moeten maken, die volgens de staatssecretaris in zijn voordeel had moeten uitvallen. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat de ten overstaan van de ambtelijke commissie afgelegde verklaringen en de overige aan de intrekkingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden los staan van de resultaten van de huisbezoeken. Zij heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat het besluit van 18 februari 2015 niet in stand kan blijven, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Awbi is degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden.

Ingevolge het vierde lid vraagt de persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden.

2.2. In de memorie van toelichting bij de Awbi staat dat toestemming tot binnentreden door een bewoner zelf of namens hem door een ander kan worden gegeven, bijvoorbeeld door iemand die op de woning past. Van de ambtenaar die wenst binnen te treden, kan niet worden verlangd dat hij onderzoekt of degene die hem te woord staat, bevoegd is hem binnen te laten. Hij zal er in de regel van uit mogen gaan dat degene die hem te woord staat bewoner is of namens deze kan spreken. Bij twijfel hierover zal hij zich ervan moeten vergewissen dat deze persoon bevoegd is hem binnen te laten.

De staatssecretaris betoogt terecht dat de verbalisanten bij het eerste huisbezoek op 26 februari 2013 ervan mochten uitgaan dat de zus van de referent bevoegd was namens de referent toestemming te geven tot binnentreden. Uit het proces-verbaal dat naar aanleiding van dit huisbezoek is opgemaakt, blijkt immers dat de zus van de referent de verbalisanten vanaf het balkon van de woning te woord heeft gestaan, desgevraagd de toegangsdeur tot het trappenhuis heeft geopend en, nadat de verbalisanten zich hadden gelegitimeerd, heeft gevraagd of zij binnen wilden komen. Voorts heeft zij ten overstaan van de verbalisanten verklaard op bezoek te zijn bij haar broer, die op dat moment niet in de woning aanwezig was. Het proces-verbaal geeft geen blijk van omstandigheden die de verbalisanten, in weerwil van het vorenstaande, ertoe hadden moeten nopen zich ervan te vergewissen dat de zus van de referent bevoegd was hen binnen te laten. Nu voorts niet in geschil is dat de verbalisanten met toestemming van de zus van de referent zijn binnengetreden, betoogt de staatssecretaris terecht dat dit huisbezoek niet in strijd met artikel 1, vierde lid, van de Awbi heeft plaatsgevonden.

In zoverre slaagt de grief.

2.3. Uit het proces-verbaal dat naar aanleiding van het tweede huisbezoek op 11 maart 2013 is opgemaakt blijkt dat de referent, nadat de verbalisanten zes keer hadden aangebeld, luid op de deur hadden gebonsd en hadden geroepen dat de deur geopend moest worden, de deur half heeft geopend, iets heeft gemompeld en vervolgens de deur heeft gesloten. Nadat de verbalisanten opnieuw op de deur hadden geklopt heeft de referent de deur opnieuw geopend en, in antwoord op de vraag van de verbalisanten hen binnen te laten, gevraagd waarom. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten de referent vervolgens een aantal vragen hebben gesteld en op enig moment de woning zijn binnengetreden. Anders dan de staatssecretaris betoogt, blijkt uit het proces-verbaal niet dat de referent daartoe aan hen toestemming heeft gegeven. De verwijzing naar de onder 2 vermelde uitspraak van 22 maart 2013 kan de staatssecretaris niet baten, nu in die zaak uit het desbetreffende proces-verbaal wel bleek dat de betrokken verbalisanten met toestemming van de bewoner waren binnengetreden. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat dit huisbezoek in strijd met artikel 1, vierde lid, van de Awbi heeft plaatsgevonden.

De staatssecretaris betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte grond heeft gevonden voor uitsluiting van het bewijs dat hij met dit huisbezoek heeft verkregen. Gelet op de gang van zaken tijdens dit huisbezoek, zoals die hiervoor is weergegeven, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bewijs op een wijze is verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, zodat de geconstateerde schending van de Awbi tot uitsluiting moet leiden.

In zoverre faalt de grief.

2.4. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitsluiting van het bewijs dat is verkregen met het tweede huisbezoek, niet tot uitsluiting noopt van de ten overstaan van de ambtelijke commissie afgelegde verklaringen en de overige door de staatssecretaris in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, weergegeven onder 1 (hierna samen: de overige bewijsmiddelen). De staatssecretaris wijst er in dit verband terecht op dat voormelde verklaringen, waaruit blijkt dat de referent weinig kennis heeft van de details van zijn gezinsleven met de vreemdeling en daarover slechts in vage, algemene bewoordingen kan verklaren, los staan van de resultaten van de huisbezoeken. Dat geldt ook voor hetgeen de staatssecretaris voor het overige aan de intrekking van de verblijfsvergunningen ten grondslag heeft gelegd. Nu de overige bewijsmiddelen en het bewijs dat naar aanleiding van het eerste huisbezoek is verkregen, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de Afdeling voldoende is om het standpunt van de staatssecretaris over de relatie tussen de vreemdeling en de referent - en daarmee de intrekking van de verblijfsvergunningen van de vreemdelingen - te kunnen dragen, betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank in zoverre ten onrechte heeft geconcludeerd dat het besluit van 18 februari 2015 niet in stand kan blijven. In zoverre slaagt de grief.

3. De staatssecretaris betoogt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij een onjuiste bewijslastverdeling heeft toegepast. De rechtbank heeft weliswaar terecht overwogen dat bij de intrekking van een verblijfsvergunning de bewijslast op hem rust, maar zij heeft niet onderkend dat nu hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling geen duurzame en exclusieve relatie had en heeft met de referent en zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren, het vervolgens aan de vreemdeling was aan te tonen dat zij aan de vereisten voor vergunningverlening voldoet.

3.1. In het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling van 27 mei 2013 heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar onder meer de onder 1 bedoelde processen-verbaal, op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie heeft met de referent, hetgeen betekent dat haar verblijfsvergunning kan worden ingetrokken. Hieruit is af te leiden dat de staatssecretaris heeft onderkend dat de bewijslast op hem rust. De staatssecretaris betoogt terecht dat, indien hij in zijn bewijslast is geslaagd, het vervolgens aan de desbetreffende vreemdeling is tegenbewijs te leveren. De rechtbank heeft niet onderkend dat het door de staatssecretaris in de besluiten van 3 juni 2014 en 18 februari 2015 ingenomen standpunt, dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij een duurzame en exclusieve relatie had en heeft met de referent en zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren, in dat licht moet worden bezien.

De grief slaagt.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

4. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

Conclusie

5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 18 februari 2015 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Inleidend beroep

6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

6.1. De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen en in aanmerking genomen dat de vreemdelingen reeds in bezwaar hebben betoogd dat de huisbezoeken onrechtmatig zijn, is in dit geval niet aan deze maatstaf voldaan. De beroepsgrond is derhalve terecht voorgedragen. Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen bestaat echter aanleiding dit gebrek krachtens artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Conclusie inleidend beroep

7. Het beroep is ongegrond.

8. De staatssecretaris moet, gelet op hetgeen onder 6.1 is overwogen, op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld. Bij de vaststelling van de door de vreemdelingen in bezwaar gemaakte proceskosten neemt de Afdeling in aanmerking dat het gaat om samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die daarom in zoverre als één zaak worden beschouwd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 augustus 2015 in zaak nr. 15/5115;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

670.