Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201601394/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1245, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601394/1/V3.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 februari 2016 in zaak nr. 16/2040 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.A. Broersma, advocaat te Den Haag, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling een asielwens geuit. Hij is in bewaring gesteld krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waarin is bepaald dat een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend in bewaring kan worden gesteld, indien dat noodzakelijk is met het oog op vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit.

2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring noch in enig ander stuk uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling ondanks zijn asielwens in bewaring wordt gesteld en dat derhalve van een kenbare en toetsbare belangenafweging als bedoeld in paragraaf A5/6.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) geen sprake is. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat met het vermelden in de maatregel van bewaring van de omstandigheid dat de vreemdeling aantoonbaar onjuiste verklaringen over zijn identiteit heeft afgelegd inzichtelijk is gemaakt waarop de beslissing tot inbewaringstelling is gebaseerd. Nu de vreemdeling geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die hij eveneens in zijn beoordeling had behoren te betrekken kon ermee worden volstaan in de maatregel kenbaar te maken welk belang aanleiding heeft gevormd deze op te leggen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2016 in zaak nr. 201506600/1/V3 zijn in de in artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden voor inbewaringstelling de belangen die er toe kunnen leiden dat een asielzoeker in bewaring wordt gesteld vervat en heeft paragraaf A5/6.3 van de Vc 2000, voor zover daarin wordt gewezen op de noodzakelijke belangenafweging, geen toegevoegde waarde meer.

De rechtbank heeft gelet hierop niet onderkend dat, indien een van de gronden genoemd in artikel 59b van de Vw 2000 zich voordoet, de staatssecretaris niet gehouden is om, naast de afweging of met een lichter middel kon worden volstaan, een afweging te maken tussen die grond en het gegeven dat de vreemdeling een asielzoeker is.

2.2. Ingevolge artikel 5.1c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is de grond voor bewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet, aanwezig, indien de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, voordoen.

2.3. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat deze noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling hetgeen is gebleken uit de feiten en omstandigheden dat de vreemdeling:

(zware gronden)

(3b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

(3d) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit.

(lichte gronden)

(4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

(4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voorts is in de maatregel het volgende vermeld:

"Betrokkene is op geen enkele wijze bereid tot het opgeven van zijn juiste identiteit. Betrokkene geeft personalia op van personen die hier rechtmatig zijn. Deze personen zijn door ons gesproken en geven aan hem niet te kennen. Betrokkene gaf op een gegeven moment de verklaring dat hij een paspoort had en dat dit paspoort lag op de [locatie] te Den Haag. Hierop zijn collega's van Avim naar genoemd adres gegaan en bleek dat het een leugenachtige verklaring was. Het paspoort was daar echter ook de houder van het paspoort was ook aanwezig.

(-)

Betrokkene gaf in eerste aanleg aan dat hij een Hagenees was en kwam aan het eind van het verhoor aan, dat het Syrie was.

(-)

Op geen enkele wijze is de personalia/nationaliteit vast komen te staan.

Overleg met de IND piket, [medewerker], werd er bepaald dat [de vreemdeling] onder 59 b in bewaring gesteld kon worden.

Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door betrokkene is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.

Door de vreemdeling zijn geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel.

Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor betrokkene onevenredig bezwarend maken"

2.4. Uit het vorenstaande blijkt dat de vreemdeling meerdere keren onjuiste personalia heeft opgegeven en geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn identiteit en nationaliteit. De vreemdeling heeft voorts de gronden bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd inhoudelijk niet bestreden. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling asielzoeker is en stelt bang te zijn te worden teruggestuurd maakt niet dat de staatssecretaris vorenbedoelde gronden niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet hierop is de grond bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd.

Uit het onder 2.3. vermelde volgt verder dat de staatssecretaris heeft onderzocht of in het geval van de vreemdeling minder dwingende maatregelen doeltreffend konden worden toegepast en kenbaar in de maatregel tot uitdrukking heeft gebracht waarom dit volgens hem niet het geval is. De hier van belang zijnde onderdelen van de maatregel zijn aldus toereikend gemotiveerd.

2.5. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 4 februari 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat hij, indien hij recent Nederland zou zijn ingereisd, als Syriƫr niet in bewaring zou zijn gesteld en er derhalve sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.1. Deze beroepsgrond faalt, reeds omdat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij de Syrische nationaliteit heeft.

5. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 februari 2016 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 februari 2016 in zaak nr. 16/2040;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

345.