Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201508933/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:5251, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508933/1/V1.

Datum uitspraak: 18 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 november 2015 in zaak nr. 15/9217 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.H. Werink, advocaat te Groningen, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling, die de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft wegens haar gezondheidstoestand.

2. De staatssecretaris heeft aan het besluit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 12 augustus 2014 (hierna: het BMA-advies) en de BMA-nota van 25 november 2014 (hierna: de BMA-nota) ten grondslag gelegd.

3. Bij het opstellen van het BMA-advies zijn de brieven van de behandelaars van de vreemdeling van 18 maart 2014, 23 april 2014 en 28 april 2014 betrokken.

In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. De vreemdeling is al jaren bekend met psychische klachten. In de huidige situatie verblijft zij in het Fasehuis Hostel, van waaruit zij praktische ondersteuning krijgt aangeboden. Bij het uitblijven van behandeling is niet uit te sluiten dat een medische noodsituatie zal ontstaan. De vreemdeling kan reizen, mits er voorafgaande aan de reis wordt geregeld dat er een fysieke overdracht aan een mantelzorger plaatsvindt. Dit omdat de vreemdeling in de huidige situatie begeleid woont, wat als vorm van mantelzorg beschouwd kan worden.

Bij brief van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris het BMA een aanvullende vraag gesteld over het type mantelzorg dat voor de vreemdeling noodzakelijk is voor het welslagen van de medische behandeling die zij op dit moment ontvangt.

In de BMA-nota is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. Het BMA heeft informatie opgevraagd bij de behandelaars van de vreemdeling. Volgens de brief van deze behandelaars van 17 november 2014 is de vreemdeling niet meer woonachtig in het Fasehuis Hostel. Omdat zij zich niet aan de afspraken hield, is besloten haar geen onderdak meer te bieden in het Fasehuis Hostel. Er is een aantal maanden geen contact geweest, maar uiteindelijk blijkt zij bij haar vriend te verblijven, waar ze ook langere tijd zal blijven wonen. De behandelaars vermelden dat zij de indruk hebben dat de vreemdeling zelfstandig kan wonen en niet afhankelijk is van mantelzorg voor het welslagen van de medische behandeling. Deze nieuwe informatie heeft het BMA aanleiding gegeven het in het BMA-advies gestelde reisvereiste van fysieke overdracht aan een mantelzorger te laten vervallen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het antwoord op de vraag of de begeleiding die de vreemdeling heeft ontvangen in het Fasehuis Hostel noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen in het BMA-advies anders luidt dan in de BMA-nota, zodat, nu sprake is van een veranderd inzicht, op de staatssecretaris een zwaardere motiveringsplicht rust. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris hieraan niet voldaan, omdat uit de BMA-nota niet is gebleken dat hij heeft doorgevraagd of voor de vreemdeling, gelet op haar situatie en medische diagnostiek, begeleiding noodzakelijk is. Het standpunt dat deze begeleiding niet langer noodzakelijk is, heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank alleen gebaseerd op indrukken van behandelaars die de vreemdeling in het verleden hebben behandeld en op de omstandigheid dat zij bij haar vriend verblijft. Concluderend heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte geen nader advies aan het BMA heeft gevraagd en het besluit om die reden in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

4.1. De enige grief is gericht tegen de onder 4 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank onder meer het volgende heeft miskend. Het BMA heeft de meest recente medische informatie over de vreemdeling bij de advisering betrokken. Het BMA en de behandelaars van de vreemdeling zijn van dezelfde medische gegevens uitgegaan, er is geen andersluidende medische informatie van de behandelaars overgelegd en evenmin een contra-expertise. Bij brief van 29 september 2014 zijn door hem aanvullende vragen gesteld aan het BMA over noodzakelijke mantelzorg. Het BMA heeft de door de behandelaars bij brief van 17 november 2014 verstrekte medische informatie kenbaar bij de advisering betrokken door in de BMA-nota het eerder gestelde reisvereiste te laten vervallen. Wat betreft de BMA-nota is geen sprake van een gewijzigd inzicht maar van een aanvullend advies op basis van gewijzigde omstandigheden, aldus de staatssecretaris.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

4.3. Nu onbestreden is dat geen andersluidende informatie door de behandelaars van de vreemdeling is overgelegd, voert de staatssecretaris terecht aan dat het BMA de meest recente medische informatie over de vreemdeling bij het opstellen van het BMA-advies en de BMA-nota heeft betrokken en van dezelfde medische gegevens is uitgegaan als de behandelaars. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het BMA-advies en de BMA-nota zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Daarbij acht de Afdeling met name van belang dat, gezien de ten tijde van het uitbrengen van de BMA-nota zeer recente informatie in voormelde brief van 17 november 2014, de behandelaars van de vreemdeling verband leggen tussen het eindigen van de begeleiding van de vreemdeling door het Fasehuis Hostel en het niet afhankelijk zijn van mantelzorg voor het welslagen van de medische behandeling en dat deze wijziging in de situatie van de vreemdeling eveneens ten grondslag ligt aan het in de BMA-nota laten vervallen van het reisvereiste van fysieke overdracht aan een mantelzorger. Een contra-expertise ter weerlegging van de juistheid van de conclusie van het BMA is niet overgelegd. Het besluit is niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 november 2015 in zaak nr. 15/9217;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2016

154-785.