Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201600569/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "3e herziening Wijk Walburg, locatie Bouquet" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600569/2/R4.

Datum uitspraak: 18 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te Hendrik-Ido-Ambacht,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Zwijndrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "3e herziening Wijk Walburg, locatie Bouquet" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2016, waar de raad, vertegenwoordigd door E.V.P.E. Deleij en R.S.M. van der Kuijp, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van de locatie Bouquet te Zwijndrecht, waar thans 21 bungalowwoningen staan, en maakt daar de bouw van maximaal 26 patiowoningen mogelijk. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de gemeentegrens met Hendrik-Ido-Ambacht aan de noordzijde, de straat Bouquet aan de west- en oostzijde en de straat Hoofdland aan de zuidzijde.

3. [verzoekster] woont op het perceel aan de [locatie] te Hendrik-Ido-Ambacht. Haar perceel is gelegen op een afstand van circa 3 m van het plangebied en 20 m van het bouwvlak.

4. De voorzitter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu Van Pelt voornemens is op korte termijn in samenwerking met een architect de bouwplannen voor de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt verder uit te werken en naar aanleiding daarvan de voor die ontwikkeling benodigde omgevingsvergunningen aan te vragen.

5. [verzoekster] heeft bij brief van 30 maart 2016 verzocht om uitstel van de zitting, dan wel aanhouding van het onderzoek. Hiertoe voert zij aan dat zij in afwachting is van stukken die zij bij de gemeente heeft opgevraagd, althans van de uitkomst van de door haar tegen de weigering aan dit verzoek te voldoen ingestelde rechtsmiddelen.

5.1. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen daartoe is aangevoerd geen aanleiding de zaak aan te houden. Daarbij is tevens meegewogen dat de uitspraak van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en dat [verzoekster], op grond van eventuele documenten die zij na deze uitspraak van de gemeente ontvangt, desgewenst opnieuw een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kan indienen, dan wel deze documenten

- mits binnen de grenzen van een goede procesorde - in de bodemprocedure kan inbrengen.

6. [verzoekster] stelt dat de raad in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door nog geen vijf jaar na de inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan dat plan te herzien door gewijzigde voorschriften aan de op de gronden binnen het plangebied rustende woonbestemming toe te kennen, terwijl uit artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) volgt dat een planperiode tien jaar bedraagt.

6.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De omstandigheid dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan de planperiode van het voorheen geldende bestemmingsplan nog niet was verstreken doet aan die bevoegdheid niet af. De Wro, noch enige andere wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen binnen deze periode een nieuw bestemmingsplan vaststelt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de verwachting dat dit betoog in de bodemzaak tot vernietiging zal leiden.

7. [verzoekster] stelt dat in het ten behoeve van het plan door het onderzoeksbureau IDDS uitgevoerde Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bouwplan Bouquet van 10 juli 2015 (hierna: het akoestisch onderzoek) ten onrechte slechts rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de nieuw te bouwen woningen en niet met de gevolgen die het plan voor de omwonenden zal hebben. Volgens haar heeft de raad onvoldoende onderzoek verricht naar geluidseffecten van de ontsluiting van het plangebied, die via de weg aan de achterzijde van het plangebied, die grenst aan haar perceel, zal plaatsvinden. Voorts zal de bebouwing in het nieuwe plan anders over het plangebied zijn verdeeld, als gevolg waarvan de verspreiding van het geluid en daarmee de gevolgen voor de omgeving anders zullen worden. Ook hiernaar heeft de raad onvoldoende onderzoek gedaan.

7.1. De voorzieningenrechter constateert dat in het akoestisch onderzoek de gevolgen van het verkeerslawaai voor de nieuw te bouwen woningen zijn beoordeeld en niet die voor de omliggende bestaande woningen. De voorzieningenrechter acht, in het licht van hetgeen daartoe is aangevoerd, op voorhand evenwel niet aannemelijk dat het onderzoek niet volledig is geweest, dan wel dat wanneer, zoals de conclusie van het rapport luidt, voor de binnen het plangebied nieuw te bouwen woningen aan de geldende geluidsnormen wordt voldaan, dat niet tevens het geval is voor de omliggende bestaande woningen. Met betrekking tot de ontsluiting valt daar nog aan toe te voegen dat de ontsluiting van het plangebied niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie en dat het plan ten opzichte van de huidige situatie maximaal 5 extra woningen mogelijk maakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan beperkt zullen zijn, op grond waarvan kan worden aangenomen dat het bestaande wegennet deze kan verwerken en dat voorts van de door [verzoekster] gevreesde geluidsoverlast geen sprake zal zijn.

8. [verzoekster] stelt dat met de uitbreiding van de bouwmogelijkheden waarin het plan voorziet ten onrechte volledig voorbij wordt gegaan aan de belangen van omwonenden. Volgens haar heeft in zoverre geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden. Voorts betwist [verzoekster] de haalbaarheid van de in artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid en is deze afwijkingsbevoegdheid onvoldoende objectief begrensd en mist deze een goede ruimtelijke onderbouwing. Bovendien heeft toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een te ingrijpende wijziging van het plangebied tot gevolg, zonder dat de ruimtelijke effecten daarvan reeds zijn beoordeeld.

8.1. In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter voorshands geen grond voor het oordeel dat de in artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid in de bodemzaak niet in stand zal blijven. Daartoe wordt overwogen dat [verzoekster] niet nader heeft onderbouwd waarom toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet haalbaar zou zijn. Voorts is de afwijkingsbevoegdheid met de in voormelde bepaling onder a. tot en met f. opgenomen voorwaarden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende objectief begrensd. Daar komt bij dat de vraag of in het concrete geval aan de voor afwijking gestelde voorwaarden, waaronder de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, is voldaan, ter beantwoording voorligt in de procedure ter verkrijging van de voor de afwijking benodigde omgevingsvergunning. De raad heeft zich in het kader van de bestemmingsplanprocedure op het standpunt gesteld dat de na afwijking toegestane hogere bouwhoogte en een hogere bebouwingsdichtheid, gelet op de stedelijke woonomgeving, niet onaanvaardbaar zijn. Voorts heeft de raad nader toegelicht dat de bebouwingsdichtheid als gevolg van het plan, anders dan gesteld, niet zal verdubbelen. Weliswaar wordt het bouwvlak vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, maar binnen dat bouwvlak dienen ook de ontsluiting van de woningen, parkeerplaatsen en buitenruimten te worden geregeld. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot slot evenmin voorshands grond voor het oordeel dat aan de uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden geen evenwichtige belangenafweging ten grondslag is gelegd.

9. [verzoekster] stelt dat een aan haar perceel grenzende strook grond aan de noordzijde van het plangebied, waarop thans een groenbestemming rust en die ook als zodanig in gebruik is, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Dat er geen noodzaak bestaat om het vervallen van dat groen te compenseren omdat er aan de west- en zuidzijde van het plangebied voldoende groen aanwezig is, gaat volgens [verzoekster] voorbij aan haar belang, aangezien zij daar vanaf haar perceel geen zicht op heeft.

9.1. De groenstrook waar het [verzoekster] om te doen is, is met een oppervlakte van circa 80 m² relatief beperkt van omvang. Voorts wordt het perceel van [verzoekster] van deze groenstrook gescheiden door een berm, een sloot, een (andere) groenstrook met bomen en struiken en een weg, met een totale afstand van circa 20 m. Gelet daarop, bezien in samenhang met het resterende groen in de omgeving van het plangebied, ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen grond voor het oordeel dat [verzoekster] door het wegvallen van de betreffende groenstrook zodanig in haar belangen wordt geschaad dat de raad daar niet in redelijkheid toe heeft kunnen beslissen.

10. [verzoekster] stelt dat de raad de uitkomst van de ten behoeve van het plan door het bureau Kokon Architectuur & Stedenbouw uitgevoerde bezonningsstudie ten onrechte niet in zijn afwegingen heeft betrokken. Volgens [verzoekster] volgt uit deze studie dat het plan gevolgen heeft voor de bezonning van haar perceel, maar is daar ten onrechte niets mee gedaan, althans is daar onvoldoende gewicht aan toegekend.

10.1. Blijkens de bezonningsstudie is op de dagen 19 februari, 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 oktober voor 4 verschillende bouwvarianten die het plan mogelijk maakt gekeken naar de bezonning om 10.00 uur, om 13.00 uur en om 16.00 uur en naar de invloed van de nieuwbouw op de aangrenzende woningen en tuinen aan de Hoofdland en de Bouquet.

Uit deze bezonningsstudie volgt volgens de raad dat alleen in het vroege voorjaar (februari) en in het najaar (oktober) aan het einde van de dag (om 16.00 uur) sprake is van extra schaduw in de tuinen van de aangrenzende woningen als gevolg van de planologische wijziging. Hoewel voor schaduw in tuinen geen norm geldt, kan derhalve geconcludeerd worden dat de invloed van het plan op dit punt beperkt is, aldus de raad. De voorzieningenrechter constateert voorts dat slechts op één van de van voormelde momentopnamen gemaakte foto’s, die ziet op de bouwvariant waarbij er twee-onder-een-kap-woningen met een nokhoogte van 11 m worden gerealiseerd en die is genomen op 19 februari om 10.00 uur, de schaduw op een klein deel van de tuin van [verzoekster] valt.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen grond voor het oordeel dat de raad het bestreden plan niet in redelijkheid aldus heeft kunnen vaststellen.

11. [verzoekster] stelt dat het plan ten onrechte geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarin zij tegemoet zal worden gekomen in de mogelijke waardevermindering van haar perceel als gevolg van het plan. Voorts stelt zij dat, nu voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen planschaderisicoanalyse is uitgevoerd, onduidelijk is wat de mogelijke omvang van de planschade zal zijn, alsmede wie deze kosten zal gaan dragen, zodat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat.

11.1. Voor zover [verzoekster] klaagt over een mogelijke waardedaling van haar woning, terwijl het plan niet voorziet in compensatie daarvan, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat bovendien een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de verwachting dat dit betoog in de bodemzaak tot vernietiging zal leiden.

Voor zover het betoog ziet op de financiële uitvoerbaarheid van het plan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een planschaderisicoanalyse. Voorts heeft de raad met de initiatiefnemer van de ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin onder meer de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten is vastgelegd. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter met hetgeen [verzoekster] in dit kader heeft aangevoerd niet op voorhand aannemelijk gemaakt dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

12. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Wijker-Dekker

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2016

562.