Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201508644/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Project 01 - Eerste Oosterparkstraat 88-126" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Crisis- en herstelwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/333
JBO 2016/122 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508644/1/R6.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Amsterdam,

en

1. de raad van de gemeente Amsterdam,

2. het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Oost,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Project 01 - Eerste Oosterparkstraat 88-126" vastgesteld.

Bij besluit van 19 november 2015 heeft het algemeen bestuur een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor het project 01.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het algemeen bestuur hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2015, waar de raad en het algemeen bestuur, vertegenwoordig door mr. Y.H.M. Huisman, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Stichting Stadgenoot, vertegenwoordigd door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, en E.J.A. Renders.

Overwegingen

De besluiten

1. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het plan voorziet in een nieuw planologisch kader voor de herontwikkeling van de percelen aan de Eerste Oosterparkstraat 88-126. Aan de gronden in het plangebied is grotendeels een centrumbestemming toegekend, waarbinnen onder meer detailhandel, (maatschappelijke) dienstverlening, kantoren en woningen zijn toegelaten. Het voorgaande bestemmingsplan "Oosterparkbuurt" voorzag eveneens in een centrumbestemming. De voorziene ontwikkeling kon niet op grond van dat plan worden gerealiseerd.

De omgevingsvergunning ziet op het oprichten van 39 appartementen, zes commerciële ruimten, een supermarkt en een stallingsgarage.

Ontvankelijkheid

3. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 14 mei 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 24 juni 2015. [persoon A] heeft schriftelijk een zienswijze naar voren gebracht. De zienswijze is per post van 30 juni 2015 ingekomen bij de raad. [persoon A] heeft derhalve niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [persoon A] redelijkerwijs niet kan worden verweten niet tijdig een zienswijze naar voren te hebben gebracht. Het beroep, voor zover dat in ingesteld door [persoon A], is niet-ontvankelijk.

4. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5. [persoon B] woont op een afstand van ongeveer 5 km van het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [persoon B] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [persoon B] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep, zover dat is ingediend door [persoon B], is niet-ontvankelijk.

Het geschil

6. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied. Zij zijn het niet eens met de ontwikkelingen die met het plan en de omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Volgens [appellant] en anderen is er een aantal procedurele fouten gemaakt. Daarnaast voeren zij aan dat het plan zal leiden tot overlast en dat ten aanzien van een aantal aspecten onvoldoende onderzoek is verricht.

Het beroep tegen het bestemmingsplan

7. [appellant] en anderen voeren aan dat pas in de beroepsfase is vermeld dat de Chw van toepassing is. Volgens hen zijn hangende de procedure de spelregels veranderd.

7.1. Het plan maakt de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk, zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a van de Chw, afdeling 2 van hoofdstuk 1, waarvan artikel 1.6 onderdeel uitmaakt, op het bestreden besluit van toepassing is. De omstandigheid dat hier in de ontwerpfase van het plan geen mededeling van is gedaan, maakt niet dat hangende de procedure de regels zijn gewijzigd. In de Chw is immers bepaald wanneer deze wet van toepassing is. De Chw bevat procedureregels voor de behandeling van beroepen. In de ontwerpfase gelden de reguliere procesregels. Gelet hierop heeft de raad geen noodzaak behoeven te zien reeds in de ontwerpfase melding te maken van het feit dat de Chw van toepassing is. Het betoog faalt.

8. Ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

8.1. [appellant] en anderen hebben de beroepsgrond dat de panden in het plangebied zijn aangewezen als rijksmonument bij brief van 18 maart 2016 en derhalve na het einde van de beroepstermijn naar voren gebracht. Deze beroepsgrond dient gelet op artikel 1.6a van de Chw dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

9. [appellant] en anderen voeren aan dat bij de planvorming geen inspraak volgens de Inspraakverordening Stadsdeel Oost heeft plaatsgehad.

9.1. De raad heeft erop gewezen dat de Inspraakverordening Stadsdeel Oost sinds 19 maart 2014 niet meer van toepassing kan zijn, omdat de bevoegdheid tot het vaststellen van de bestemmingsplannen sindsdien bij de raad ligt. Voorts wijst de raad erop dat in de centrale inspraakverordening 2003, die van toepassing is op besluiten van de raad, in artikel 2, tweede lid, onder h, inspraak in het kader van bestemmingsplannen wordt uitgesloten.

9.2. De Afdeling stelt vast dat de bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen sinds 19 maart 2014 bij de raad rust. Uit artikel 2, tweede lid, onder h, van de centrale inspraakverordening 2003 volgt dat geen inspraak wordt geboden bij bestemmingsplannen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen verplichting bestond tot het bieden van inspraak. Het betoog faalt.

10. [appellant] en anderen vrezen parkeeroverlast ten gevolge van het plan. Zij betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de parkeerproblematiek.

10.1. De raad heeft uiteengezet dat onderzoek is verricht naar de parkeerbehoefte. Volgens de raad volgt uit dit onderzoek dat ten gevolge van het plan de parkeerdruk enigszins zal toenemen, maar dat er voldoende parkeergelegenheid is om de parkeerdruk op te vangen. Het plan zal niet leiden tot parkeeroverlast.

10.2. In hoofdstuk 5.5 van de plantoelichting is de parkeerbehoefte ten gevolge van het plan bezien. Uit de plantoelichting volgt dat voor de in het plan voorziene vrije sectorwoningen eigen parkeerplaatsen worden gecreëerd in de op korte afstand van het plangebied gelegen Sparrengarage. In de plantoelichting staat verder vermeld dat er ten gevolge van de toename van commerciële ruimten een toename is van de parkeerbehoefte in de middag met vier parkeerplaatsen. Op de overige momenten in de week is er sprake van een afname van de parkeerdruk. Volgens de plantoelichting kan de toename van de parkeerdruk in de middagen worden opgevangen in de openbare ruimte. In dit verband wordt erop gewezen dat de parkeervergunningen in de Eerste Oosterparkstraat tussen 12:00 en 17:00 uur niet geldig zijn. Op deze manier zijn er meer parkeerplaatsen beschikbaar voor het winkelende publiek. Ten aanzien van de supermarkt die in het plan is voorzien, staat in de plantoelichting vermeld dat dit een zogenaamde mandjessupermarkt wordt. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat uit ervaringscijfers volgt dat een supermarkt met een beperkte omvang in het centrumgebied voornamelijk fietsers en voetgangers trekt. Gelet hierop zal de parkeerbehoefte volgens de plantoelichting lager uitvallen dan is berekend. [appellant] en anderen hebben de conclusies over de parkeerbehoefte uit de plantoelichting niet bestreden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot parkeeroverlast. Het betoog faalt.

11. [appellant] en anderen betogen dat het plangebied is gelegen op minder dan 200 m afstand van de spoorweg van het station Amsterdam Muiderpoort naar Amsterdam Amstel. Dit is volgens hen niet mogelijk gelet op het lawaai. Voorts is volgens hen ten onrechte geen onderzoek verricht naar het verkeerslawaai.

11.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

11.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.3. [appellant] en anderen voeren bezwaren aan met betrekking tot de overlast ter plaatse van de woningen in het plangebied als gevolg van de in de nabijheid van het plangebied gelegen spoorweg en verkeerswegen. Zij betogen dat ter plaatse van de woningen in het plangebied geluidoverlast zal worden ervaren en dat gelet hierop geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De bezwaren hebben geen betrekking op het eigen belang van [appellant] en anderen, maar zien uitsluitend op de belangen van de gebruikers van de woningen in het plangebied. Voor [appellant] en anderen gaat het om het belang gevrijwaard te blijven van ontwikkelingen in het plangebied en meer in het algemeen om het belang van het behoud van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van hun percelen. Wat er ook verder zij van die belangen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, de normen uit de Wet geluidhinder waarop [appellant] en anderen zich beroepen, hebben kennelijk niet de strekking die belangen te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

12. [appellant] en anderen betogen verder dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de luchtkwaliteit en naar de eventuele overschrijdingen van de grenswaarde voor NO2, CO2 en zwevende deeltjes.

12.1. De raad heeft uiteengezet dat onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en dat uit dit onderzoek naar voren is gekomen dat de Wet luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

12.2. Ten behoeve van het plan is door DPA Cauberg-Huygen onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Eerste Oosterparkstraat te Amsterdam" van 29 juli 2014 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek). In het onderzoek is uitgegaan van een toename van 348 verkeersbewegingen per etmaal. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat voor de toekomstige jaren de concentratiegrenswaarden voor zwevende deeltjes en NO2 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer op de maatgevende locaties ruimschoots worden gerespecteerd. De te verwachten bijdrage is ten opzichte van de huidige feitelijke situatie ruim lager dan de NIBM-grens van 1,2 ug/m³. Als gevolg van de dalende achtergrondconcentraties nemen de concentraties luchtverontreinigende stoffen na 2015 nog verder af. In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt dan ook geconcludeerd dat de Wet luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het luchtkwaliteitsonderzoek niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt.

13. [appellant] en anderen betogen dat de grond zwaar is vervuild en dat een saneringsplan moet worden opgesteld.

13.1. De raad wijst erop dat bodemonderzoek is verricht. Uit dit onderzoek volgt dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging, zodat er geen saneringsnoodzaak bestaat.

13.2. Ten behoeve van het plan is door DPA Cauberg-Huygen onderzoek verricht naar bodemverontreiniging in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Milieuhygiënisch bodemonderzoek inclusief aanvullend onderzoek; eerste Oosterparkstraat 88 tot en met 126 te Amsterdam" van 8 juli 2014 (hierna: het bodemonderzoek). Uit het bodemonderzoek volgt dat er enkele stoffen in licht verhoogde concentratie aanwezig zijn. Achter de Eerste Oosterparkstraat 88 is een verhoogd kopergehalte aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek verricht in de vorm van vier boringen. Hieruit volgt dat de omvang van de verontreiniging minder dan 25 m² bedraagt. Gezien deze beperkte omvang is er geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging en zijn er volgens het bodemonderzoek geen belemmeringen voor het plan. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het bodemonderzoek niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

14. [appellant] en anderen wijzen erop dat een bezonningsonderzoek ontbreekt.

14.1. De raad heeft uiteengezet dat een bezonningsstudie is uitgevoerd. Hieruit volgt volgens de raad dat de vermindering van de bezonning weliswaar waarneembaar is, maar dat deze beperkt van invloed zal zijn op het woongenot, omdat de schaduwwerking slechts beperkt is.

14.2. Ten behoeve van het plan is door Van Riezen & Partners een schaduwstudie uitgevoerd. Uit de schaduwstudie volgt dat het schaduweffect bij alle woningen beperkt blijft tot dagdelen. De zon wordt gedurende maximaal een dagdeel weggenomen en blijft in de middag op de gevel. In de zomer is er geen sprake van afname van de bezonning. Het betoog van [appellant] en anderen dat geen bezonningsonderzoek heeft plaatsgevonden mist feitelijke grondslag.

15. [appellant] en anderen vrezen dat het plan zal leiden tot leegstand van winkelpanden. In dit verband wijzen zij op de mogelijkheid in het plangebied een supermarkt te vestigen. Voorts stellen [appellant] en anderen dat de in het plan voorziene woningen onverkoopbaar zullen zijn.

15.1. De raad heeft uiteengezet dat de Eerste Oosterparkstraat zich ontwikkelt tot een aantrekkelijk winkelgebied. Met de komst van een supermarkt en een aantal dagwinkels krijgt het gebied een impuls en wordt het toekomstbestendiger. Uit de verrichte effectanalyse volgt dat er marktruimte is voor de toevoeging van een supermarkt. De leegstand zal volgens de raad niet boven de frictieleegstand komen. De raad stelt voorts dat er gelet op de huidige woningmarkt in Amsterdam geen enkele reden is om te twijfelen aan de verkoopbaarheid van de woningen

15.2. Het plan voorziet ingevolge artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels in 2220 m² bedrijfsvoeroppervlak voor commerciële ruimten, waarvan 1200 m² kan worden benut voor een supermarktvestiging. Ten opzichte van de huidige situatie leidt het plan tot een toename van 1000 m² aan commerciële ruimten. Ten behoeve van het plan is door Bureau Stedelijke Planning een distributieve onderbouwing en een effectanalyse uitgevoerd. Uit het rapport volgt dat er marktruimte bestaat voor de vestiging van een supermarkt. De realisatie van een supermarkt leidt voorts tot een in ruimtelijk, functioneel en commercieel opzicht meer aantrekkelijke entree van het winkelgebied. Volgens de analyse van het Bureau Stedelijke Planning zal het gehele winkelgebied een impuls krijgen en toekomstbestendiger worden. Het plan zal niet leiden tot onaanvaardbare leegstand. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de effectanalyse van het Bureau Stedelijke Planning niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt.

15.3. Het plan voorziet in 39 woningen. In de plantoelichting staat vermeld dat er in de metropoolregio Amsterdam tot 2040 een woningbehoefte bestaat van ongeveer 150.000 woningen. Voor de gemeente Amsterdam is een opgave 75.000 woningen vastgesteld. De druk op de Amsterdamse woningmarkt is hoog en er is een schaarste aan woningen in het midden en hogere marksegment, zo staat in de plantoelichting vermeld. De in het plan voorziene woningen sluiten volgens de plantoelichting aan op de vraag uit de markt. Ter zitting heeft Stichting Stadgenoot erop gewezen dat uit een memo van Hallie & Klooster Makelaardij volgt dat er in de Oosterparkbuurt 818 serieuze woningzoekenden zijn tegenover een aanbod van 4 woningen. Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in het plan voorziene woningen onverkoopbaar zullen zijn. Het betoog faalt.

Het beroep tegen de omgevingsvergunning

16. Tegen de omgevingsvergunning zijn geen specifieke beroepsgronden gericht. Nu alle aangevoerde gronden hiervoor zijn besproken in het kader van het bestemmingsplan en deze gronden niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan, bestaat evenmin aanleiding voor vernietiging van de omgevingsvergunning.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover ingediend door [persoon B] en [persoon A];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Hagen w.g. Brand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

575.