Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201506918/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde partiële herziening bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506918/1/R2.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te IJsselstein,

en

de raad van de gemeente IJsselstein,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde partiële herziening bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door ing. G.C.M. Verkleij, en de raad, vertegenwoordigd door N.E.C. Versteegh, M. Knol en J.J. Niessing, bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting Stichting Katholiek voortgezet onderwijs Cals College Nieuwegein/IJsselstein, vertegenwoordigd door H.J. de Vetter, drs. N.G.T. de Jong en drs. J.A.M. Warmels, als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet voor de gronden aan de Hoge Dijk 1 te IJsselstein in een uitbreiding van de bestaande bebouwing van de middelbare school Cals College IJsselstein. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te IJsselstein. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, dat voorziet in een ontwikkeling in de directe nabijheid van hun woningen. Zij vrezen dat het plan zal leiden tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat.

Procedureel

3. [appellant] en anderen betogen dat het plangebied van het vastgestelde plan ten onrechte niet overeenkomt met het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan en dat het besluit van de raad van 2 juli 2015 niet ziet op een aanpassing van de grenzen van het plangebied.

3.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan zou worden vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat in het vastgestelde plan onder andere de plangrens grenzend aan het perceel [locatie 2] ten opzichte van het ontwerpplan 15 m is verschoven en daarmee samenvalt met de grens van het bouwvlak. Gezien de aard en de omvang van de wijzigingen gaat het niet om een wezenlijk ander plan, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wettelijke procedure opnieuw had moeten worden doorlopen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 4.1 in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015 in deze procedure. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen.

Het betoog faalt.

Stedelijke ontwikkeling

4. [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de actuele regionale behoefte van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling niet is aangetoond. De behoefte om op de locatie uit te breiden is slechts gebaseerd op een geprognotiseerd aantal leerlingen en niet op een werkelijk aantal leerlingen binnen de regio, aldus [appellant] en anderen. De geprognotiseerde toename is volgens hen bovendien tijdelijk van aard wegens de dalende belangstelling voor het Anna van Rijn College, het vervallen van het VMBO-onderwijs op dit college en het aanbieden van de tijdelijke Havo-top op het Cals College IJsselstein. Voorts voeren zij aan dat het plan zal leiden tot leegstand, nu als gevolg van de realisering van de voorziene ontwikkeling andere regionale locaties leeglopen, terwijl deze feitelijk beschikbaar zijn.

4.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen verstaan onder:

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

4.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitbreiding van de school niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, kan worden aangemerkt, omdat sprake is van een uitbreiding van een bestaande school en het gewenst is dat uitbreiding van scholen op dezelfde locatie en binnen hetzelfde schoolgebouw plaatsvinden. Een grotere locatie is volgens de raad binnen het voedingsgebied van de school niet aanwezig.

4.3. De Afdeling is van oordeel dat de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van de bebouwing van de school met 2.400 m² gelet op de omvang ervan dient te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik in de plantoelichting inzichtelijk moet zijn gemaakt dat deze ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte en in hoeverre die behoefte binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien als nader omschreven in die bepaling.

4.4. De raad heeft ten aanzien van de vraag of de uitbreiding voorziet in een actuele regionale behoefte verwezen naar het rapport "Leerlingenprognose en ruimtebehoefte voortgezet onderwijs 2013, Cals College, IJsselstein" van Pronexus van maart 2013. Uit dit onderzoek blijkt volgens de raad een structurele uitbreidingsbehoefte van het Cals College. Blijkens bijlage 1 bij de plantoelichting is volgens de raad voor de noodzaak van de uitbreiding van het Cals College IJsselstein uitgegaan van een gereguleerde instroom per jaar. De werkelijke behoefte is groter, aldus de raad. Uit de doorberekening van de huidige situatie die in bijlage 1 bij de plantoelichting is opgenomen, blijkt dat wanneer het aantal leerlingen niet wordt gereguleerd, dit in ieder geval over de gehele berekende periode tot 2033 resulteert in een nog groter leerlingenaantal en grotere instroom. Hierbij is de krimp van de basisgeneratie van het totaal aantal jongeren dat naar het voortgezet onderwijs gaat betrokken. Voorts is in bijlage 1 bij de plantoelichting berekend dat bij een gereguleerde instroom met Havo-top een uitbreiding van onderwijsruimte van 3.500 m2 brutovloeroppervlak nodig is ten opzichte van de huidige situatie. Omdat over de permanente Havo-top geen duidelijkheid bestaat, heeft de raad besloten de uitbreiding te faseren en in het plan te voorzien in een bebouwingsuitbreiding van 2.400 m2. Daarbij heeft de raad betrokken dat de huidige bebouwing van de middelbare school aan de Hoge Dijk 1 te klein is om de behoefte op te vangen, dat thans op deze locatie acht noodlokalen aanwezig zijn en dat de tijdelijke nevenvestiging aan de Abbink Spainklaan - waar elf lokalen aanwezig zijn - tot uiterlijk de zomer van 2018 kan worden gebruikt voor het Cals College IJsselstein, nu daar woningbouw is voorzien. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het plan zal worden voorzien in een actuele regionale behoefte. Voor de verdere motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 5.3 in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen. Ten aanzien van de verwijzing van [appellant] en anderen ter zitting naar de "Kaderstellende notitie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2015-2030" en het "Integrale Huisvestingsplan Onderwijs 2015-2030" van de gemeente IJsselstein, overweegt de Afdeling dat in deze stukken expliciet is ingegaan op de situatie van het Cals College en wordt verwezen naar de prognoses neergelegd in het rapport van Pronexus. Hierbij is in het "Integrale Huisvestingsplan Onderwijs 2015-2030" vermeld dat volgens de prognose en de gemaakte afspraken met het Cals College het aantal leerlingen zich voor lange tijd zal gaan stabiliseren op ruim 1.700 leerlingen. Om deze leerlingen te huisvesten wordt een permanente uitbreiding gerealiseerd. Hieruit kan, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet worden afgeleid dat de in het plan voorziene uitbreiding van het Cals College in strijd is met deze stukken en er geen sprake zou zijn van een actuele regionale behoefte aan deze uitbreiding.

4.5. Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro wordt, nu [appellant] en anderen hierover niets nieuws hebben aangevoerd, verwezen naar hetgeen de voorzieningenrechter hierover heeft overwogen onder 5.4 van de uitspraak van 10 november 2015. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

5. [appellant] en anderen betogen dat verwezenlijking van de voorziene uitbreiding van het Cals College IJsselstein een onaanvaardbare inbreuk op hun woon- en leefklimaat met zich brengt door een toename van activiteiten, verkeersbewegingen en geluidhinder en een afname van verkeersveiligheid en privacy in en rond de woningen. Daartoe betogen zij dat het plan het toestaat om op korte afstand van hun woningen aan de Hoge Dijk bebouwing op te richten en activiteiten die samenhangen met de school te laten plaatsvinden. Volgens [appellant] en anderen gaat de raad er ten onrechte vanuit dat het gebied waarbinnen de school is gelegen, kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied zoals bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure). Uitgaande van een omgevingstype "rustige woonwijk" dient de afstand tussen de bestemming "Maatschappelijk", waarbinnen de uitbreiding van de school is voorzien, en de gevels van de woningen aan de Hoge Dijk ten minste ongeveer 30 meter te zijn. Daartoe voorzag het vorige bestemmingsplan in een zone van ongeveer 30 meter met de bestemming "Tuin", aldus [appellant] en anderen.

5.1. De raad heeft voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. De Afdeling is van oordeel dat de raad hierbij niet ten onrechte ervan is uitgegaan dat de omgeving van de school is aan te merken als gemengd gebied, waarbij volgens de VNG-brochure voor geluidhinder wegens scholen een afstand tot milieugevoelige functies wordt aanbevolen van 10 meter. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 6.1 in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang van verwezenlijking van de uitbreiding van het Cals College IJsselstein een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het door [appellant] en anderen gestelde belang bij het voorkomen van een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hiertoe verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 6.2, 6.3 en 6.4 in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ook hier geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen.

Het betoog faalt.

Parkeren

6. [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in mogelijkheden om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Daartoe wijzen zij op de in het plan opgenomen maximum bouw- en gebruiksmogelijkheden, waarop de parkeervoorzieningen dienen te zijn afgestemd.

6.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels dient per lokaal 1 parkeerplaats te worden gerealiseerd.

6.2. De raad heeft toegelicht dat de hoeveelheid parkeerplaatsen is gebaseerd op het gemeentelijke parkeerbeleid, neergelegd in het "Parkeerbeleidsplan 2007". Voor middelbaar onderwijs is hierin volgens de raad een parkeernorm van 0,5 tot 1 parkeerplaats per lokaal opgenomen. Nu voorzien is dat de school na uitbreiding 77 klaslokalen zal hebben en voorzien wordt in 83 parkeerplaatsen, wordt volgens de raad binnen het plangebied voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

6.3. De Afdeling is van oordeel dat in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daartoe overweegt de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 7.2 in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015 dat het blijkens bijlage II bij de Nota van zienswijzen, "Verkeer en parkeren", de bedoeling is dat er 77 lokalen op het perceel Hoge Dijk 1 worden gerealiseerd en dat er na verwezenlijking van het plan - evenals in de huidige situatie - 83 parkeerplaatsen worden aangelegd. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid van de in het gemeentelijk parkeerbeleid neergelegde parkeernormen heeft kunnen uitgaan. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat hierbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van andere ruimten dan lokalen, waar onderwijsondersteunend personeel werkzaam is, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft ter zitting verklaard dat de betreffende parkeernormen voor scholen gemiddelde kencijfers zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden dat niet op elk moment van de dag alle lokalen in gebruik zullen zijn en dat niet elk personeelslid met de auto naar school komt. Met de parkeernorm van 1 parkeerplaats per lokaal wordt volgens de raad in voldoende mate in de daadwerkelijke parkeerbehoefte voorzien. De Afdeling acht deze toelichting van de raad niet onjuist. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze parkeerplekken niet binnen de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" kunnen worden verwezenlijkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat door de raad onweersproken is gesteld dat uit het bij het verweerschrift overgelegde inrichtingsplan blijkt dat op het terrein van de school in 100 parkeerplaatsen kan worden voorzien. Verder is niet gebleken dat er thans sprake is van een onaanvaardbare parkeerdruk op het terrein van de middelbare school of in de directe omgeving of dat de situatie na realisering van het plan in beduidende mate zal verslechteren.

Het betoog faalt.

Verkeer

7. Voor zover [appellant] en anderen beogen te betogen dat het plan niet uitvoerbaar is, nu de te treffen verkeersmaatregelen ten onrechte geen juridische zekerheid bieden omtrent de haalbaarheid en de feitelijke uitvoering van het plan, wordt vastgesteld dat de wegen waarop de in paragraaf 2.2.2 van de Nota van zienswijzen genoemde verkeersmaatregelen betrekking hebben, buiten het plangebied liggen. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 10 november 2015 onder 8 overwogen dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zonder de genoemde verkeersmaatregelen het plan niet uitvoerbaar is en op de wegen rond het plangebied geen inrichting mogelijk is die acceptabel is uit een oogpunt van verkeersveiligheid. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat een nieuw verkeersbesluit zal worden genomen om de situatie verder te verbeteren.

Het betoog faalt.

Onduidelijkheid planregel

8. [appellant] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte diverse begripsbepalingen ontbreken. In dit verband wordt gewezen op "overige aan de schoolfunctie gerelateerde voorzieningen", "lokaal" en "school voor voortgezet onderwijs".

8.1. De Afdeling is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het plan rechtsonzeker is omdat daarin de begrippen "overige aan de schoolfunctie gerelateerde voorzieningen" en "lokaal" niet nader zijn omschreven. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 9.1 en 9.2 in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter te komen.

8.2. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2015 is onder 9.3 ten aanzien van het begrip "school voor voortgezet onderwijs" het volgende overwogen:

"Met betrekking tot het begrip "school voor voortgezet onderwijs" staat in de Nota van zienswijzen in hoofdstuk 3, onder d, dat de planregels worden aangepast door in artikel 1 van de planregels een omschrijving op te nemen. De raad heeft in dit verband in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat was beoogd om in artikel 1 op te nemen dat onder school dient te worden verstaan: een inrichting waar voortgezet onderwijs wordt gegeven. Het woord "voortgezet" is abusievelijk niet opgenomen bij de vaststelling van het plan, aldus de raad.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid is voorbereid."

8.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter. Het betoog slaagt. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de definitiebepaling van "school" in artikel 1 van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Zienswijze

9. [appellant] en anderen hebben zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 1 van de planregels onder het kopje "school".

11. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat in artikel 1 van de planregels onder het kopje "school" wordt opgenomen "een inrichting waar voortgezet onderwijs wordt gegeven" en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

12. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente IJsselstein tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Derde partiële herziening bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college" van 2 juli 2015, voor zover het betreft artikel 1 van de planregels onder het kopje "school";

III. bepaalt dat artikel 1 van de planregels onder het kopje "school" als volgt komt te luiden: "een inrichting waar voortgezet onderwijs wordt gegeven";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover het is vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente IJsselstein op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente IJsselstein tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente IJsselstein aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Michiels w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

159-532.