Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201500462/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14994, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500462/1/A1.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 december 2014 in zaken nrs. 13/8874 en 14/89 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 24 juli 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 11 september 2013 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 8 mei 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 november 2013 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 24 juli 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2014 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 11 september 2013 en 22 november 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.A.M. Seck, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het besluit van 8 mei 2013 genomen naar aanleiding van een namens de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland op 25 januari 2012 gedane mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw). Volgens een bij de mededeling gevoegd proces-verbaal van 24 januari 2012 is [appellant] op die datum op de voor het openbaar verkeer openstaande weg A2 slapend achter het stuur van zijn auto aangetroffen. De verbalisanten namen daarbij waar dat de motor van de auto was ingeschakeld en de verlichting was ontstoken. Nadat zij [appellant] hadden aangesproken, namen zij waar dat zijn ogen bloeddoorlopen waren en zijn adem rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank, waarna [appellant] is gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Daarbij werd een alcoholindicatie boven de wettelijk vastgelegde limiet geconstateerd. [appellant] is daarop als verdachte van overtreding van artikel 8 van de Wvw aangehouden en naar het politiebureau overgebracht alwaar hij, daartoe bevolen, heeft meegewerkt aan een onderzoek naar het alcoholgehalte van zijn adem. Bij dat onderzoek is een ademalcoholgehalte van 620 µg/l geconstateerd.

2. Bij besluit van 1 februari 2012, dat is genomen naar aanleiding van de mededeling van 25 januari 2012, heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard en hem verplicht aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen. Bij besluit van 6 juni 2012 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het CBR heeft de besluiten van 1 februari 2012 en 6 juni 2012 ingetrokken bij besluit van 6 mei 2013. De Afdeling heeft in de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1869, een oordeel gegeven over deze besluiten. De Afdeling heeft in dat verband overwogen dat [appellant] niet voor het asp in aanmerking kwam omdat hij op het moment van de besluitvorming niet in Nederland woonde.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 mei 2013 op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte zonder verder onderzoek is gehandeld op basis van een vermoeden. In dat verband stelt [appellant] dat uit het proces-verbaal van 24 januari 2012 volgt dat hij zich realiseerde dat hij niet moest rijden en dat hij ervan heeft afgezien verder te rijden. Bovendien heeft het CBR volgens [appellant] te laat - ruim een jaar na ontvangst van de mededeling van 25 januari 2012 - een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Die vertraging is geheel aan het CBR te wijten, nu het CBR hem eerder ten onrechte heeft verplicht aan het asp deel te nemen. Ook heeft het CBR in het besluit van 8 mei 2013 ten onrechte gesteld dat de uitslag van het onderzoek naar de geschiktheid kan zijn dat alsnog een asp wordt opgelegd. Het in bezwaar gehandhaafde besluit is volgens [appellant] onverenigbaar met het bepaalde in artikel 131, eerste lid, onder b en c, van de Wvw en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, onder b en c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een asp of een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling van [appellant] dat hij tijdens zijn rit heeft ingezien dat hij niet meer zou moeten rijden, wat daar ook van zij, geen afbreuk doet aan de omstandigheid dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden met een ademalcoholgehalte dat hoger is dan de toegestane hoeveelheid. Gelet op het bepaalde in artikel 130, eerste lid, van de Wvw is de mededeling op goede gronden gedaan.

3.3. Het betoog van [appellant] dat het CBR in het besluit van 8 mei 2013 ten onrechte heeft gesteld dat de uitslag van het onderzoek naar de geschiktheid kan zijn dat alsnog het asp wordt opgelegd, berust op een verkeerde lezing van dat besluit. In het besluit van 8 mei 2013 is vermeld dat het asp alleen wordt opgelegd indien dat mogelijk is. Het opleggen van het asp is in zijn geval, zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1869, volgt, niet mogelijk gebleken.

3.4. De mededeling van de korpschef is van 25 januari 2012 en is volgens het datumstempel door het CBR ontvangen op 27 januari 2012 . Het besluit tot oplegging van een onderzoek naar de geschiktheid dateert van 8 mei 2013, zodat vast staat dat dit besluit niet is genomen binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken na ontvangst van de mededeling. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2687) kan uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 43 en volgende) worden afgeleid dat de in artikel 131, eerste lid, van de Wvw genoemde beslistermijn daarin is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar deze jurisprudentie overwogen dat overschrijding van de termijn, vermeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw niet met zich brengt dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de geschiktheid te nemen.

De rechtbank heeft, mede gelet op de verkeersveiligheid, terecht niet ontoelaatbaar geacht dat aan [appellant] na intrekking van het besluit tot oplegging van het asp alsnog het onderzoek naar de geschiktheid is opgelegd. Daarbij wordt betrokken dat [appellant] onder invloed van alcohol heeft gereden met een ademalcoholgehalte dat hoger is dan de toegestane hoeveelheid en dat [appellant] niet daadwerkelijk aan het asp heeft deelgenomen. Het CBR heeft met betrekking tot het asp onweersproken gesteld dat de kosten in verband met de oplegging van het asp aan [appellant] zijn vergoed.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de artikelen 131 en 132 van de Wvw niet van toepassing zijn, omdat hij ruim vijftien jaar niet meer in Nederland woont. Uit het bepaalde in artikel 131, vierde lid, van de Wvw en artikel 132, zevende lid, volgt dat deze wetsbepalingen niet van toepassing zijn op het spiegelbeeldige geval waarbij de houder van een Nederlands rijbewijs in het buitenland woont. [appellant] stelt dat hij onderworpen dient te worden aan de wettelijke bepalingen van België en niet aan die van Nederland. Hij verwijst in dat verband naar de Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 (PB 2006 L403/18; hierna: de Richtlijn), in het bijzonder overweging 15 van de considerans.

4.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn kan, onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.

Volgens overweging 15 van de considerans van de Richtlijn is het passend dat de lidstaten, om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer, hun nationale bepalingen inzake de intrekking, schorsing, verlenging en nietigverklaring van het rijbewijs, kunnen toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven.

Ingevolge artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw wordt bij het besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, wordt voor de toepassing van het tweede lid onder rijbewijs mede verstaan: een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, aanhef en onder c, is, behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het zevende lid wordt voor de toepassing van het tweede lid onder rijbewijs mede verstaan: een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

4.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 mei 2013 is aan [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd omdat hij op Nederlands grondgebied heeft gereden onder invloed van alcohol, met een ademalcoholgehalte dat hoger is dan in Nederland wettelijk is toegestaan. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 juli 2013 heeft het CBR het in Nederland aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard wegens het niet voldoen van de kosten in verband met het aan hem opgelegde onderzoek naar de geschiktheid. Daargelaten dat de Belgische autoriteiten bevoegd kunnen zijn om jegens [appellant] - de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs - nationale bepalingen toe te passen die betrekking hebben op de rijbevoegdheid van [appellant], kan uit het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn, alsmede het bepaalde in de artikelen 131 en 132 van de Wvw, geenszins worden afgeleid dat de Nederlandse autoriteiten jegens [appellant] niet bevoegd zijn maatregelen te treffen met betrekking tot de rijbevoegdheid van [appellant]. Artikel 11 van de Richtlijn, overweging 15 van de considerans van de Richtlijn noch de artikelen 131 en 132 van de Wvw bieden aanknopingspunten voor de door [appellant] voorgestane uitleg dat de houder van een Nederlands rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats in België heeft verworven en die op Nederlands grondgebied Nederlandse wettelijke bepalingen overtreedt, uitsluitend onderworpen mag worden aan de in België geldende wettelijke bepalingen. Deze situatie valt immers niet onder het toepassingsbereik van de Richtlijn. Artikel 131, vierde lid, van de Wvw en artikel 132, zevende lid, zien evenmin op een situatie zoals aan de orde.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR zijn rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de geschiktheid.

5.1. Ingevolge artikel 132, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wvw besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen.

Ingevolge artikel 24, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) verleent betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet.

5.2. Voor zover [appellant] verwijst naar zijn gronden als hiervoor weergegeven onder 3, wordt overwogen dat die gronden reeds door de Afdeling in de overwegingen 3.1 tot en met 3.4 zijn verworpen.

Aangezien [appellant] de kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid niet of niet tijdig heeft voldaan als bedoeld in artikel 24, onder a, van de Regeling, was het CBR bevoegd zijn rijbewijs ongeldig te verklaren, als het heeft gedaan, gelet op het bepaalde in artikel 132, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wvw.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

672.