Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201507738/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het wijzigingsplan "IJsselbos-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507738/1/R2.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te IJsselstein,

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het wijzigingsplan "IJsselbos-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2016, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door N.E.C. Versteegh, werkzaam bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, vertegenwoordigd door J.T. Bloemberg BSc, werkzaam bij de provincie, en Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd door ing. F. Mijnten, als partij gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Het beroep van [appellant] en anderen is ingediend door [appellant], [appellant B], [appellant C] en [appellant A].

2. Het wijzigingsplan is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college. [appellant B] en [appellant C] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Voor zover [appellant B] en [appellant C] hebben betoogd dat zij niet op de hoogte waren van het ontwerpplan, omdat zij het huis-aan-huisblad waarin het ontwerpplan is gepubliceerd niet hebben ontvangen, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de kennisgeving van het ontwerpplan behalve in het huis-aan-huisblad "Zenderstreeknieuws" ook in de Staatscourant en op de website van de gemeente is gepubliceerd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant B] en [appellant C] niet op de hoogte hadden kunnen zijn van de bekendmaking van het ontwerpplan en derhalve niet tijdig een zienswijze hadden kunnen indienen. De gestelde omstandigheid dat het bedoelde huis-aan-huisblad slecht wordt bezorgd, kan hieraan niet afdoen. Het had op hun weg gelegen om maatregelen te treffen om van de inhoud van de hen mogelijk betreffende publicaties kennis te kunnen nemen. De omstandigheid dat [appellant B] en [appellant C] geen kennis hebben genomen van de publicatie van de kennisgeving van het ontwerpplan dient daarom voor hun eigen risico te blijven.

Het beroep, voor zover ingediend door [appellant B] en [appellant C], is derhalve slechts ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht, waarbij het aannemelijk is dat [appellant B] en [appellant C] hierdoor in een ongunstiger positie zijn geraakt. Deze wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan omvatten, voor zover hier van belang, dat in de planregels is opgenomen dat parkeerplaatsen bijbehorende voorzieningen zijn van de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". Hetgeen [appellant B] en [appellant C] hebben aangevoerd inzake de aantasting van de zichtlijnen en het open karakter van het polderlandschap, de afstand tussen het bos en de Noord IJsseldijk en de afstand tot het agrarische perceel van [appellant] ziet niet op de hiervoor beschreven wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan zodat het door hen ingediende beroep wat deze gronden betreft derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het plan

3. Het wijzigingsplan is vastgesteld op grond van artikel 35, lid 35.9, van de regels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied noord en zuid" van 4 juli 2013 en voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" in de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". [appellant] en anderen wonen in de directe nabijheid van het plangebied of bezitten aldaar agrarische gronden.

Parkeren

4. [appellant] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte is gekozen voor de aanleg van een nieuwe parkeerplaats aan de Noord IJsseldijk, in plaats van uitbreiding van de reeds bestaande parkeerplaats bij het bos nabij het pannenkoekenrestaurant op het perceel Noord IJsseldijk 89. Volgens [appellant] en anderen zal de realisatie van een nieuwe parkeerplaats met een nieuwe uitrit gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid ter plaatse.

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

4.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door de uitbreiding van het bos een grotere parkeerbehoefte ontstaat dan waarin binnen de plancontouren kan worden voorzien. Ten aanzien van de locatiekeuze heeft het college toegelicht dat de bestaande parkeermogelijkheden bij het bestaande bos onvoldoende zijn voor de verwachte toestroom aan bezoekers. Omdat de uitbreiding van het IJsselbos een ander karakter krijgt dan het bestaande bos, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat beide delen van het bos een eigen parkeergelegenheid dienen te hebben. Derhalve is in het plan voorzien in extra parkeermogelijkheden. De nabij het pannenkoekenrestaurant gelegen parkeerplaats bevindt zich niet binnen het plangebied, dus uitbreiding van de daarbij behorende parkeerplaats ten behoeve van bezoekers van het bos ligt, mede gelet op de aanzienlijke afstand tot de voorziene uitbreiding van het IJsselbos, volgens het college niet voor de hand. Voorts heeft het college toegelicht dat uitgangspunt is dat de uitrit van de parkeerplaats niet in een rechte lijn tegenover de bestaande woningen aan de Noord IJsseldijk zal worden gerealiseerd. Ten aanzien van de verkeersveiligheid is volgens het college van belang dat het zicht vanuit de uitrit op de openbare weg onbelemmerd is. Volgens het college is hiervan in ieder geval sprake voor de zijde richting IJsselstein. Aan de zijde richting de Meerndijk ligt weliswaar een bocht, maar daar kan volgens het college doorheen gekeken worden, zodat deze overzichtelijk is. Volgens het college heeft de verkeerskundige van de gemeente ingestemd met deze locatie, omdat het punt overzichtelijk is. Als voorwaarde is daarbij wel gesteld dat de knotwilg die in de buurt van de uitrit staat, zal worden verplaatst of verwijderd, aldus het college. Ten aanzien van de gestelde sociale onveiligheid heeft het college zich op het standpunt gesteld dat bij de gemeente geen klachten bekend zijn over het gebruik van parkeerplaatsen voor criminele activiteiten.

4.3. De Afdeling is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college in het plan niet heeft kunnen voorzien in parkeervoorzieningen ten behoeve van bezoekers van de uitbreiding van het IJsselbos. Gelet op de door het college gegeven toelichting heeft het college er in redelijkheid voor mogen kiezen om in dit plan in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. De Afdeling stelt vast dat in de verbeelding geen exacte locatie is vastgelegd waar deze parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Volgens artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden die zijn aangewezen voor "Recreatie - Dagrecreatie" bestemd voor parkeervoorzieningen. Dit betekent dat op alle gronden binnen het plangebied deze parkeervoorzieningen mogelijk zijn. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze bestemming van de gronden niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Voor zover [appellant] en anderen zich richten tegen de locatie voor een parkeerplaats en de situering van de uitrit zoals deze in de inrichtingstekening zijn weergegeven, stelt de Afdeling vast dat deze inrichtingstekening geen deel uitmaakt van het plan. Het college heeft toegelicht dat voor de realisering van de uitbreiding van het bos voor de op de inrichtingstekening weergegeven locatie is gekozen vanwege de in het nieuwe deel van het bos aan te leggen voorzieningen. Gelet op de afstand en de ligging van deze beoogde parkeerplaats en de situering van de uitrit tot de gronden en woningen van [appellant] en anderen, biedt hetgeen [appellant] en anderen hieromtrent hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat deze locatie in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij heeft het college het belang van de verkeersveiligheid voldoende in de afweging betrokken. Ten aanzien van de gestelde vrees voor het gebruik van de parkeerplaats voor criminele activiteiten heeft het college ter zitting toegezegd dat bij signalen over dergelijke activiteiten daartegen handhavend zal worden opgetreden.

Het betoog faalt.

Aantasting openheid landschap

5. [appellant] en [appellant A] betogen voorts dat door de aanleg van het bos de vrije zichtlijnen vanaf het perceel [locatie 1] en het open karakter van het polderlandschap worden aangetast.

5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van het hebben van specifieke zichtlijnen voor een bewoner niet afdoet aan het maatschappelijk belang voor de regio Utrecht dat wordt gehecht aan de uitbreiding van het IJsselbos. Hierbij verwijst het college naar de in de plantoelichting vermelde beleidsdocumenten waaruit dit belang blijkt. Voorts heeft het college toegelicht dat het landelijke gebied van IJsselstein deel uitmaakt van het nationaal landschap het Groene Hart. Een van de kernkwaliteiten van het Groene Hart is de diversiteit van het landschap. Deze kernkwaliteit wil het contrast tussen de grote open weidegebieden en de verdichte rivierstroken versterken. Een uitbreiding van het bestaande IJsselbos draagt volgens het college bij aan de versterking van de diversiteit.

5.2. Gelet op deze toelichting is de Afdeling van oordeel dat het college onder de genoemde omstandigheden in redelijkheid meer belang heeft kunnen hechten aan het maatschappelijk belang bij de uitbreiding van het IJsselbos, dan aan het belang van [appellant] en [appellant A] bij het onbelemmerd behouden van vrije zichtlijnen en het open karakter van het landschap. Hierbij heeft het college van belang mogen achten dat de met het plan beoogde uitbreiding van het IJsselbos bijdraagt aan de versterking van de diversiteit van het aanwezige landschap.

Het betoog faalt.

Afstand aanplant bos

6. [appellant] en [appellant A] betogen dat het college in het plan voor de afstand waar de aanplant van het bos begint 50 m tot de Noord IJsseldijk had moeten aanhouden. Ter voorkoming van schade aan gewassen door schaduwwerking op het agrarisch perceel van [appellant], ten westen van het plangebied, had voor de aanplant van het bos een afstand van 40 m moeten worden aangehouden.

6.1. De raad heeft zich ten aanzien van de door [appellant] en [appellant A] gewenste afstand van 50 m tot de Noord IJsseldijk op het standpunt gesteld dat bij de inrichting van het gebied met diverse factoren rekening is gehouden, maar dat deze geen aanleiding hebben gegeven om een bredere strook aan te houden dan in het inrichtingsplan is neergelegd.

Ten aanzien van de gewenste afstand van 40 m tussen het bos en het agrarisch perceel van [appellant] heeft het college zich op het standpunt gesteld dat bij de inrichting van het bosgebied rekening is gehouden met het bestaande agrarisch gebruik op het desbetreffende perceel.

6.2. Uit de plantoelichting blijkt dat het college bij het bepalen van de locatie van het bos rekening heeft gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de in het plan voorziene afstand tot de Noord IJsseldijk had mogen aanhouden. Dit geldt te minder nu [appellant] en [appellant A] niet aannemelijk hebben gemaakt waarom het op alle delen van het bos aanhouden van een afstand van 50 m tot het begin van de aanplant noodzakelijk zou zijn. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college hieraan overigens toegevoegd dat het volgens het inrichtingsplan de bedoeling is dat de met het plan beoogde uitbreiding van het bos, anders dan het reeds bestaande deel, feitelijk vrijwel overal op meer dan 50 m afstand van de Noord IJsseldijk zal worden aangelegd, zodat hiermee aan de wens van [appellant] en [appellant A] wordt tegemoet gekomen.

Het betoog faalt.

6.3. Ten aanzien van de gewenste afstand van 40 m tussen het aan te planten bosperceel en het agrarisch perceel van [appellant] overweegt de Afdeling als volgt. Uit de zienswijzennota en het verweerschrift blijkt dat het college bij de inrichting van het bosgebied rekening heeft gehouden met het bestaande agrarisch gebruik op het perceel van [appellant]. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een afstand van 40 m tussen de beplanting van het bos en het agrarisch perceel een grote afstand is, die vrijwel nergens wordt gehanteerd. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting nader toegelicht dat tussen het perceel van [appellant] en het bosperceel een kavelsloot en een schouwpad van 6 m breed komen te liggen en voorts een strook met mantelvegetatie zal worden aangelegd voordat de eerste bomenrij van het bos zal worden aangeplant. Gelet hierop zal ongeveer 13 m zijn gelegen tussen het agrarisch perceel en de eerste bomenrij. Volgens het college zal hiermee voldoende afstand aanwezig zijn tussen het perceel van [appellant] en het bos en zal het negatieve effect van schaduwwerking op het agrarisch perceel gering zijn.

Gelet op deze toelichting en de omstandigheid dat [appellant] de negatieve relatie die zou bestaan tussen eventuele schaduwwerking op de desbetreffende afstand en de groei van gewassen niet aannemelijk heeft gemaakt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft moeten toekennen aan de belangen van [appellant] bij de beperking van schaduwwerking voor zijn gewassen dan aan het algemeen belang bij het aanleggen van het bos op de gekozen locatie. Daarbij wordt nog betrokken dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat door het bos alleen de ochtendzon zou kunnen worden beperkt, maar dat overigens geen sprake zal zijn van eventuele schaduwwerking.

Voor zover [appellant] betoogt dat bij een naburig agrarisch perceel bij de aanleg van een eerder deel van het IJsselbos in 1989 wel een afstand van 40 m tot een daar aangrenzend agrarisch perceel zou zijn aangehouden, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid niet maakt dat het college, ondanks bovenstaande toelichting, zou zijn gehouden in onderhavige situatie dezelfde afstand aan te houden.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend namens [appellant B] en [appellant C] en voor zover het is gericht tegen de aantasting van de zichtlijnen en het open karakter van het polderlandschap, de afstand tussen het bos en de Noord IJsseldijk en de afstand tot het agrarische perceel;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Michiels w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

159-532.