Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201507038/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2015 heeft de minister de bij beschikking van 8 september 2014 opgelegde maximale dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507038/1/A2.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Zorgloket Dag & Nacht Internationaal (hierna: de stichting), gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2015 heeft de minister de bij beschikking van 8 september 2014 opgelegde maximale dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

Bij besluit van 24 juli 2015 heeft de minister het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het bestreden besluit strekt tot invordering van de volledige dwangsom van € 10.000,00 en in plaats daarvan € 5.000,00 ingevorderd.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.D. Nienhuis, werkzaam bij het Ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 8 september 2014 heeft de minister de stichting een last onder dwangsom opgelegd. Aan dit besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat op grond van de artikelen 15 en 16 van de Wet toelating zorginstellingen (hierna: WTZi) en artikel 9, eerste lid, van de Regeling verslaglegging WTZi op haar de verplichting rust om vóór 1 juni 2014 aan het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg een Jaardocument maatschappelijke verantwoording over het verslagjaar 2013 te verstrekken. Op 1 september 2014 is gebleken dat het Jaardocument maatschappelijke verantwoording nog niet (volledig) was aangeleverd. De minister heeft de stichting gelast binnen een begunstigingstermijn van vier weken alsnog volledig te voldoen aan de verplichting tot het aanleveren aan het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg van het Jaardocument maatschappelijke verantwoording over het verslagjaar 2013, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere volledige week waarin niet volledig aan voornoemde last wordt voldaan, met een maximum van € 10.000,00. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is en de rechtmatigheid ervan niet meer aan de orde kan komen.

Bij het besluit van 20 februari 2015 heeft de minister de opgelegde dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd. Aan dat besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat de stichting niet binnen tien weken, volgend op de in het besluit van 8 september 2014 gestelde begunstigingstermijn van vier weken, het (volledige) Jaardocument maatschappelijke verantwoording 2013 heeft aangeleverd. Nu de stichting niet heeft voldaan aan de last, zijn de dwangsommen verbeurd. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien.

Bij het besluit van 24 juli 2015 heeft de minister de invordering alsnog beperkt tot een bedrag van € 5.000,00, omdat de stichting kon volstaan met een beperkte verantwoording, aangezien de stichting in 2013 geen zorg heeft geleverd. Volgens het geldende beleid wordt bij het nalaten van een beperkte verantwoording een dwangsom van € 5.000,00 opgelegd, aldus de minister.

2. De stichting betoogt dat de minister niet op goede gronden tot het besluit is gekomen en verwijst daartoe onder meer naar de reeds in bezwaar aangevoerde gronden. De stichting voert aan dat er geen volledige verantwoording afgelegd hoeft te worden, omdat er sprake is van een niet actieve stichting die in 2013 geen zorg heeft verleend, mede als gevolg van een sterfgeval. De stichting stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als gevolg waarvan geheel of gedeeltelijk van invordering dient te worden afgezien. Tevens stelt zij dat zij alsnog bereid is om, indien nodig, beperkt verantwoording af te leggen, maar dat zij digitaal geen stukken kan aanleveren, omdat de aanvraag voor het e-herkenningsmiddel is afgewezen.

2.1. Ingevolge artikel 15 van de WTZi stelt het bestuur van een instelling overeenkomstig door Onze Minister, voor zoveel nodig in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, te stellen regelen de begroting, de balans en de resultatenrekening alsmede de daarbij behorende toelichting met betrekking tot de instelling vast en legt het bestuur volledige afschriften daarvan ter inzage voor een ieder ter plaatse, door Onze Minister te bepalen.

Ingevolge artikel 16 verstrekt het bestuur van een instelling, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, aan Onze Minister of aan een bij die maatregel aangewezen bestuursorgaan de bij of krachtens die maatregel omschreven gegevens betreffende de exploitatie van de instelling.

Ingevolge artikel 37 is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de artikelen 15 en 16.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling verslaglegging WTZi worden bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg vóór 1 juni van het jaar volgend op het verslagjaar ingediend: a. de jaarverslaggeving in elektronische vorm; b. het jaardocument in elektronische vorm.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, beslist het bestuursorgaan alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

2.2. Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Nu vaststaat dat de stichting het maximale bedrag heeft verbeurd, is het geschil beperkt tot de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister van invordering had moeten afzien.

Bij het besluit van 24 juli 2015 heeft de minister in de verplichting van de stichting om beperkte verantwoording af te leggen een bijzondere omstandigheid gezien. Op grond daarvan heeft de minister de invordering beperkt tot de helft van de verschuldigde dwangsom. De minister behoefde geen aanleiding te zien om de invordering verder te beperken. De persoonlijke omstandigheden van de bestuurder van de stichting kunnen niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan de minister af had moeten zien van gehele of gedeeltelijke invordering van de dwangsom. Van een stichting mag worden verwacht dat zij in geval van langere afwezigheid van haar bestuurder, om welke reden dan ook, ervoor zorgt dat diens taken worden overgenomen. Dat de stichting alsnog bereid is om beperkt verantwoording af te leggen, maar dat zij digitaal geen stukken kan aanleveren omdat de aanvraag voor het e-herkenningsmiddel is afgewezen, is evenmin aan te merken als een bijzondere omstandigheid. De minister heeft in zijn besluit van 24 juli 2015 vermeld dat de stichting door contact op te nemen met het CIBG of de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), ook zonder e-herkenningsmiddel verantwoording af kan leggen.

Het betoog faalt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Borman w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

17-834.