Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201506995/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterblokje IV, eerste herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506995/1/R2.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Willemstad, gemeente Moerdijk,

en

de raad van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterblokje IV, eerste herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte II C.V. (hierna RvR) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2016, waar [appellant] in persoon en de raad, vertegenwoordigd door A.P.M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is ter zitting RvR, vertegenwoordigd door C.J.M. Swart, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet aan de noordzijde van het plangebied in het linker bouwvlak in maximaal acht woningen. Het vorige bestemmingsplan voorzag in dat bouwvlak in maximaal zes woningen. Op verzoek van de initiatiefnemer RvR heeft de raad besloten om op deze locatie in plaats van zes woningen de bouw acht woningen op kleinere kavels toe te staan teneinde de verkoop van deze woningen te bevorderen.

Voorts voorziet het plan aan de noordzijde van het plangebied in het rechter bouwvlak in twee vrijstaande woningen. Een van deze twee woningen is van [appellant]. Hij richt zich tegen de toename van het aantal woningen in het linker bouwvlak ten opzichte van het vorige plan, omdat hij vreest dat dit ten koste gaat van het open bebouwingsbeeld en de waarde van zijn perceel.

Procedureel

3. [appellant] heeft volgens RvR uitsluitend beroep ingesteld om de in het plan voorziene ontwikkeling te vertragen. RvR stelt dat [appellant] in zijn e-mail van 24 juni 2015 impliciet heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan maar ontevreden te zijn over de afhandeling van de verkoop van zijn kavel en schadevergoeding te wensen. RvR stelt dat [appellant] hiermee een oneigenlijk motief heeft voor het beroep en derhalve misbruik maakt van zijn procesrecht. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus RvR.

3.1. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de - soms zeer verstrekkende - bevoegdheden waarover de overheid beschikt en welke een burger in de regel niet pleegt te hebben. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

[appellant] heeft gesteld dat het plan ten koste gaat van de openheid van het bebouwingsbeeld, zijn woongenot en de waarde van zijn woning, omdat dit ten opzichte van het vorige plan ter plaatse voorziet in tien bouwkavels in plaats van acht. [appellant] heeft derhalve een redelijk doel bij zijn beroep tegen de herziening van het plan. Dat [appellant] RvR kennelijk tevergeefs heeft verzocht om schadevergoeding is onvoldoende voor het oordeel dat zijn beroep zodanig is aangewend zonder redelijk doel, dat dit blijkt geeft van kwade trouw. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

4. [appellant] voert aan dat RvR geen belanghebbende is bij het plan die ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding kan deelnemen. RvR is volgens [appellant] met hem overeengekomen om aan de noordzijde van het plangebied acht kavels te realiseren. [appellant] betoogt dat, omdat RvR hiermee contractueel gebonden is aan de realisatie van acht kavels, in plaats van tien waarin het plan voorziet, zij daarmee feitelijk geen belang heeft bij het plan.

4.1. RvR was ten tijde van het beroep eigenaar van de betreffende gronden. Verder is het plan herzien op verzoek van RvR. Gelet op het vorenstaande heeft RvR een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit en kan zij als partij tot het geding worden toegelaten.

Inhoudelijk

5. Het beroep van [appellant] richt zich tegen het bouwvlak behorend bij de bestemming "Wonen" aan de noordzijde van het plangebied, waarbinnen de bouw van maximaal acht vrijstaande woningen mogelijk wordt gemaakt. [appellant] betoogt dat de raad de in zijn zienswijze gestelde belangen die verband houden met de nakoming van afspraken tussen hem en RvR over de aankoop van zijn kavel en de invulling van het gebied ten onrechte niet heeft meegewogen bij de vaststelling van het bestreden besluit.

5.1. In de nota van zienswijzen wordt ingegaan op de afspraken tussen RvR en [appellant] over de bouw van zes woningen in de oorspronkelijke opzet voor deze locatie. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden waaronder de verkoop van de kavel aan [appellant] hebben plaatsgevonden een zaak is tussen [appellant] en RvR. Door aan deze omstandigheden zelf geen bijzonder gewicht toe te kennen en de belangenafweging te beperken tot de ruimtelijke gevolgen die [appellant] als eigenaar van het naburige perceel stelt te ervaren heeft de raad niet onzorgvuldig gehandeld. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderbouwd dat met het plan een maatschappelijk belang is gemoeid. De zes bouwkavels in het vorige plan hadden al verkocht kunnen zijn als RvR de prijs hiervoor had laten dalen tot een markconform niveau. Ook wat betreft het voorliggende plan is volgens hem onduidelijk of RvR de kavels zal aanbieden tegen een marktconforme prijs. Verder betwist [appellant] het standpunt van de raad dat de beoogde acht kavels in het bouwvlak spoedig zullen worden bebouwd. Uit het aan het plan ten grondslag gelegde Woningbehoefteonderzoek 2010-2015 van de gemeente Moerdijk van oktober 2011 (hierna: het woningbehoefteonderzoek) komt volgens hem geen informatie naar voren over de behoefte aan vrijstaande woningen in samenhang met de kavelgrootte. Bovendien heeft de raad, gelet op de datum van het woningbehoefteonderzoek, in strijd met artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) gebruik gemaakt van gegevens die ouder zijn dan twee jaar.

Verder betoogt [appellant] dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro niet is onderbouwd dat met de voorgenomen stedelijke ontwikkeling wordt voorzien in een actuele regionale behoefte.

6.1. Over het betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro overweegt de Afdeling dat het gehele plan net als het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet in maximaal 108 woningen. De onderhavige planherziening leidt derhalve niet tot een toename van het aantal woningen in het plangebied en evenmin tot een vergroting van het bestreden bouwvlak. Het plan voorziet daarmee niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro, zodat het daarmee ook niet in strijd is.

6.2. Ingevolge artikel 3.1.1a van het Bro kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.

Deze bepaling sluit niet uit dat gebruik wordt gemaakt van gegevens die ouder zijn dan twee jaar. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het woningbehoefteonderzoek zodanig verouderd is dat de raad zich hier niet op mocht baseren. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad bij de vaststelling van het plan het woningbehoefteonderzoek alleen heeft betrokken voor het bepalen van de marktvraag naar woningen in het hogere segment. Volgens de toelichting van de raad is er nog steeds behoefte aan woningen binnen dit segment, te weten vrijstaande woningen op ruime kavels, maar is de financiering een beletsel geworden voor daadwerkelijke verkoop. [appellant] heeft niet gesteld dat de marktvraag in het hogere segment zelf in relevante mate is gewijzigd.

Met de vergroting van het maximale aantal woningen in het bouwblok op kleinere kavels komen volgens de plantoelichting de kosten voor particulieren dichter bij de ondergrens van het hogere segment te liggen. Volgens de raad zijn de woningen daardoor beter financierbaar en verkoopbaar. Tegenover de lagere opbrengst per kavel neemt het aantal woningen op de locatie toe van zes naar acht woningen, waarmee de eerder voor deze zogeheten Ruimte-voor-Ruimte-woningen gemaakte kosten kunnen worden gedekt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maatschappelijk belang dat is gelegen in de economische uitvoerbaarheid van het plan noopt om een groter aantal woningen te realiseren op kleinere kavels.

7. [appellant] stelt belang te hebben bij de handhaving van het open en wijdse karakter van de wijk met het oog op zijn woongenot en zijn praktijk voor fysiotherapie. Hij voert aan dat hij om die reden met RvR is overeengekomen dat binnen het bestreden bouwvlak zes woningen zouden worden gebouwd. In de nota van zienswijzen had de raad de openheid van het landschap gegarandeerd, aldus [appellant].

7.1. Over de gestelde verdichting van de locatie als gevolg van een groter aantal woningen ten opzichte van het vorige plan overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stedenbouwkundige opzet voor de locatie als gevolg van de planherziening niet wezenlijk verandert. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het maximale aantal woningen op deze locatie is toegenomen met twee ten opzichte van het vorige plan. Daarnaast blijft de minimaal aan te houden afstand tussen de zijdelings perceelsgrens en hoofdgebouwen 3 m, evenals de aan te houden afstand tot aan de weg. Voorts bedragen de maximale bouwdiepte en bouwbreedte van de woningen net zoals in het vorige plan 15 m. Ook mogen, net als in het vorige plan, bijgebouwen tot op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. Bovendien zijn in dit plan, anders dan voorheen, alleen vrijstaande woningen toegestaan.

De praktijk voor fysiotherapie op het perceel van [appellant] is volgens de raad een ondergeschikte functie waarop de gewijzigde planopzet geen wezenlijke invloed heeft. Voorts leidt het plan volgens de raad niet tot imagoschade nu het woningtype niet wijzigt.

De raad heeft zich met deze motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van twee woningen in het bestreden bouwvlak geen onaanvaardbare afbreuk doet aan het open en wijdse karakter van de wijk, het woongenot van [appellant] en zijn fysiopraktijk.

Het betoog faalt.

8. Wat de eventueel door [appellant] gestelde nadelige invloed van het plan op de waarde van zijn perceel betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

9. [appellant] stelt dat hij heeft geprobeerd de resterende zes bouwkavels op deze locatie te verwerven teneinde te komen tot een alternatieve invulling van deze gronden. De raad heeft volgens hem evenwel te kennen gegeven dat hij eerst eigenaar zou moeten worden van deze gronden om zijn verzoek voor een ander bestemmingsplan in behandeling te kunnen nemen. De raad had eerder de aanvraag van RvR tot vaststelling van het plan wel al in behandeling genomen zonder dat zij ten tijde van die aanvraag eigenaar was van deze gronden. [appellant] betoogt dat de vaststelling van het plan om die reden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

9.1. Over de door [appellant] gemaakte vergelijking wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat RvR volgens het verweerschrift met het onherroepelijk worden van het vorige bestemmingsplan reeds eigenaar was van de gronden en een aanvraag voor herziening van dat plan had ingediend waarop de raad moest beslissen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Gelet hierop faalt het betoog met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Koeman w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

429-656.