Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201506099/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3922, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om toekenning van extra uren rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506099/1/A2.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2015 in zaak nr. 14/6355 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om toekenning van extra uren rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2014 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door N. Saidi, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.O. Vos, vergezeld door mr. M. Doets, beiden werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] treedt op als advocaat van [persoon] in een echtscheidingsprocedure. [persoon] heeft daarvoor een toevoeging aangevraagd, welke de raad bij besluit van 7 februari 2013 heeft verleend. Op 16 januari 2014 heeft [appellant] de raad verzocht om extra uren vergoed te krijgen omdat op de zaak het Duits huwelijksvermogensrecht van toepassing is. De zaak kan daarom volgens [appellant] niet binnen de forfaitair beschikbaar gestelde 30 uren worden afgehandeld. De raad heeft de aanvraag om extra uren bij besluit van 3 maart 2014 afgewezen, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat een bijzondere rechtsvraag speelt, of zich zo’n juridisch relevant feitencomplex voordoet dat de zaak niet binnen het forfaitair toegekende tijdsbestek kan worden afgehandeld.

2. Bij brief van 6 maart 2014 heeft [appellant] tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft de raad [appellant] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een nadere toelichting te geven op de complexiteit van de zaak. Daarbij heeft de raad er ook op gewezen dat een urenspecificatie en een begroting moeten worden overgelegd, en dat deze ontbreken.

Bij brief van 30 mei 2014 heeft de raad [appellant] op de brief van 14 mei 2014 gewezen en hem opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de gevraagde stukken over te leggen. Die termijn eindigde op 13 juni 2014.

Bij brief van 15 juni 2014 heeft [appellant] een nadere toelichting gegeven op de complexiteit van de zaak. Ook heeft hij een urenspecificatie en een uitdraai uit het roljournaal overgelegd.

Bij besluit van 15 augustus 2014 heeft de raad het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard omdat de nadere stukken buiten de daarvoor gestelde termijn zijn overgelegd. De stukken zijn daarom buiten beschouwing gelaten. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, en heeft er met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van afgezien [appellant] te horen.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar van [appellant] terecht ongegrond heeft verklaard en er evenzeer terecht van heeft afgezien [appellant] te horen, reeds omdat de raad aan dat besluit terecht mede ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] geen begroting heeft overgelegd. De vraag of de raad ook van het horen kon afzien omdat [appellant] de door de raad gevraagde stukken buiten de daarvoor gestelde termijn heeft overgelegd, heeft de rechtbank onbesproken gelaten.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad hem in bezwaar had moeten horen. Daartoe voert [appellant] aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem ingediende nadere stukken te laat zijn ingediend.

4.1. Niet in geschil is dat ingevolge artikel 13, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 31, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) bij de aanvraag om extra uren rechtsbijstand een begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden moet worden overgelegd.

4.2. De raad heeft aan het besluit van 15 augustus 2014 een advies van de commissie voor bezwaar van 14 augustus 2014 ten grondslag gelegd. In dat advies is onder meer het volgende vermeld:

"Nu indiener heeft nagelaten binnen de gestelde termijn de benodigde informatie te verstrekken, dient het gestelde in het bezwaarschrift als kennelijk ongegrond te worden aangemerkt. Om deze reden is van het horen van indiener afgezien (ex artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht).

Het voorgaande leidt ertoe, dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Ten overvloede merkt de commissie op dat ook een inhoudelijke beoordeling van de nagekomen reactie de commissie geen aanleiding geeft om te oordelen dat het besluit dient te worden herroepen, gelet op het navolgende. […]

Indiener heeft niet aannemelijk gemaakt dat het enkele feit dat Duits huwelijksvermogensrecht van toepassing is, de vermogensafwikkeling in feitelijke of juridische zin dermate compliceert, dat de zaak redelijkerwijs niet binnen het forfaitaire tijdsbestek kan worden afgerond. Dit maakt de zaak niet zonder meer bewerkelijk. Bovendien heeft indiener nog altijd geen complete en begrijpelijke begroting overgelegd van de nog te verrichten werkzaamheden. Daardoor kan niet adequaat worden getoetst of de zaak in aanmerking komt voor toekenning van extra uren."

4.3. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit het advies niet dat de raad aan het besluit van 15 augustus 2014 mede ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] geen begroting heeft overgelegd. Uit het advies volgt dat het bezwaar slechts kennelijk ongegrond is verklaard omdat [appellant] de gevraagde stukken niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. Weliswaar heeft de commissie in het advies opgemerkt dat [appellant] geen complete en begrijpelijke begroting heeft overgelegd, maar die opmerking is uitdrukkelijk ten overvloede. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de raad het bezwaar op deze grond terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard, en is ten onrechte voorbij gegaan aan het betoog dat de raad niet mocht afzien van het horen van [appellant] omdat hij de door de raad gevraagde stukken buiten de daarvoor gestelde termijn heeft overgelegd. De Afdeling zal dat betoog daarom zelf beoordelen.

4.4. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat van het horen van een belanghebbende wordt afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat van het horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

4.5. [appellant] heeft de nadere stukken, zoals vermeld onder 2, twee dagen na afloop van de daarvoor gestelde termijn overgelegd. De raad heeft nadien twee maanden gewacht alvorens op het bezwaar te beslissen. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat er reeds vanwege de geringe overschrijding van de door de raad gestelde termijn redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar van [appellant] en de door hem overgelegde stukken niet konden leiden tot een andersluidend besluit. De in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb bedoelde situatie heeft zich dan ook niet voorgedaan, zodat de raad [appellant] ten onrechte niet heeft gehoord. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.6. Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2014 van de raad alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:3 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

6. [appellant] heeft, hoewel de raad hem daar bij brieven van 14 en 30 mei 2014 om heeft verzocht, geen begroting overgelegd, maar een urenspecificatie van verrichte werkzaamheden. [appellant] heeft zich eerst in beroep op het standpunt gesteld dat de urenspecificatie als begroting heeft te gelden. Daargelaten dat het de raad ten tijde van de in geding zijnde besluitvorming daarom niet duidelijk hoefde te zijn dat [appellant] de urenspecificatie als begroting heeft bedoeld, valt een urenspecificatie, anders dan [appellant] betoogt, niet gelijk te stellen aan een begroting. Een urenspecificatie biedt inzicht in de reeds verrichte werkzaamheden, maar, anders dan een begroting, niet in de naar verwachting nog uit te voeren werkzaamheden. Dat blijkt ook uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde urenspecificatie, waarop 43 uur aan werkzaamheden is vermeld, terwijl op de in bezwaar overgelegde urenspecificatie 36 uur en 30 minuten aan werkzaamheden is vermeld. Op grond van een urenspecificatie van een nog lopende procedure kan de in artikel 31, tweede lid, van het Bvr bedoelde beoordeling van de doelmatigheid van de begrote rechtsbijstand niet plaatsvinden.

7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 15 augustus 2014 geheel in stand blijven.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Reeds omdat het besluit van 3 maart 2014 niet is herroepen, bestaat geen grond voor vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt, zoals door [appellant] verzocht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2015 in zaak nr. 14/6355;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 15 augustus 2014, kenmerk 140370;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

362-799.