Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201502929/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1146, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2013 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] met betrekking tot het perceel [locatie], te Utrecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502929/2/A1.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Utrecht,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2015 in zaak nr. 14/3134 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2013 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] met betrekking tot het perceel [locatie], te Utrecht afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2014 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de motivering van de weigering handhavend op te treden tegen de schutting aan de achterkant van de woning van [appellant sub 2] (plantenbak). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en het college hebben een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2015, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door E.F.J.A.M. de Wit, werkzaam bij ARAG-rechtsbijstand, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK-rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare Tewari en mr. J. van der Valk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 februari 2016, nr. 201502929/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 2 april 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Het college heeft bij brief van 7 april 2016 verzocht om verlenging van de gestelde termijn. Bij brief van 12 april 2016 heeft het college te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ter herstellen.

Bij brief van 13 april 2016 is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak in verband met het hoger beroep van [appellant sub 1] geoordeeld, anders dan de rechtbank, dat voor de schutting aan de achterkant van de woning een omgevingsvergunning is vereist, zodat het college ook bevoegd was ter zake van deze schutting handhavend op te treden. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld, anders dan de rechtbank, dat de door het college genoemde omstandigheden, bestaande uit de beperkte invloed van de schuttingen op de omgeving, de conflicten tussen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en de belasting van het ambtelijk apparaat, niet als zodanig bijzonder kunnen worden aangemerkt dat het college daarin aanleiding had mogen vinden om te weigeren van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gebruik te maken.

In verband met het hoger beroep van [appellant sub 2] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of voor de bouw van de schutting aan de achterkant van de woning legalisatie tot de mogelijkheden behoorde, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om dit geconstateerde gebrek in het besluit van 2 april 2014 te herstellen, de uitkomst aan de Afdeling mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2. De in de tussenuitspraak vermelde termijn is op 6 april 2016 verstreken. Het college heeft de Afdeling laten weten dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.

3. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gegrond te verklaren en de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen het besluit van 2 april 2014 gegrond verklaren. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Afdeling ziet aanleiding het college met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze en de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten die [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb, nu hij het college niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten heeft verzocht, maar eerst in hoger beroep.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2015 in zaak nr. 14/3134;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 2 april 2014, kenmerk b14.0114;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen hierin en de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.480,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Soede

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

270.