Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
201508102/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlenging derde baan SnowWorld" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet milieubeheer
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508102/1/R4.

Datum uitspraak: 26 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Kwaliteitsteam Buytenpark, gevestigd te Zoetermeer, en anderen,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Zoetermeer,

2. het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlenging derde baan SnowWorld" vastgesteld.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van de derde baan met uitkijktoren, het plaatsen van verschillende soorten containers, het plaatsen van een seizoensgebonden schaatsbaan, het plaatsen van een schietbaan, het uitvoeren van werkzaamheden en het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het inwerking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk (revisie).

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college besloten onder meer voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 en verder van de Wet ruimtelijke ordening.

De stichting en anderen hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 14 en 15 september 2015.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben SnowWorld Leisure N.V. (hierna: SnowWorld) en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2016, waar zijn verschenen: de stichting en anderen, vertegenwoordigd door R. Timmermans en L. van den Berg, vergezeld door drs. W. van Meerendonk, H. Tielemans, T. van der Woud-Wolterbeek en H. Luiten, en de raad en het college, vertegenwoordigd door drs. M.C.H.W. van Aubel, mr. A.O. Berghuis, ir. A. Kruijshaar en S. Duijts, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, vergezeld door ir. G. Bakker en ing. N. de Zwarte, beiden werkzaam bij bureau Stadsnatuur Rotterdam. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord: SnowWorld, vertegenwoordigd door W. Moerman, bijgestaan door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag, en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Molenwijk.

Overwegingen

Het bestemmingsplan

1. SnowWorld is een indoor skicomplex met drie skibanen. Het bestemmingsplan voorziet in een verlenging van de bestaande derde skibaan van SnowWorld van 210 m tot ongeveer 300 m. Het bestaande deel heeft een maximale hoogte van 32 m +NAP. Het plan voorziet voor het aan te bouwen deel in een maximum bouwhoogte van 69 m +NAP.

De uitbreiding is voorzien op gronden waaraan in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buytenpark", dat op 3 december 2012 is vastgesteld, grotendeels de bestemming "Natuur" was toegekend. De stichting en anderen kunnen zich niet verenigen met de in het plan voorziene ontwikkeling, omdat zij vinden dat dit leidt tot een aantasting van natuurwaarden en de raad bij de afweging van alle betrokken belangen te weinig gewicht heeft toegekend aan het behoud van de aanwezige natuurwaarden ter plaatse.

De stichting en anderen hebben ter zitting desgevraagd toegelicht dat hun beroep bestaat uit de dertien beroepsgronden die zij in hun beroepschrift expliciet als zodanig naar voren hebben gebracht. De Afdeling zal hierna ingaan op deze beroepsgronden.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procedurele aspecten

3. De stichting en anderen stellen dat de raad tijdens de lopende procedure niet is ingegaan op hun verzoek om een onafhankelijke instantie of groep van deskundigen in te schakelen ter toetsing van de door hen naar voren gebrachte bezwaren en zienswijze. De raad heeft zich teveel laten leiden door de in opdracht van de initiatiefnemer opgestelde rapporten. De raad maakt zich hiermee schuldig aan onredelijk en mogelijk onbehoorlijk bestuur, aldus de stichting en anderen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het besluit overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedure tot stand is gekomen. Bij de beantwoording van naar voren gebrachte zienswijzen baseert de raad zich op onderzoeken die door deskundigen zijn op gesteld en, voor zover nodig, zijn geactualiseerd.

3.2. Ingevolge artikel 3.31, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover van belang, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing op de voorbereiding van gecoördineerde besluiten.

Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

3.3. De stichting en anderen zijn in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen tegen de ontwerpbesluiten. Zij hebben dit ook gedaan. De raad is in de Nota Zienswijzen gemotiveerd ingegaan op de door de stichting en anderen naar voren gebrachte zienswijzen tegen de ontwerpbesluiten. De stichting en anderen hebben geen concrete redenen aangevoerd waarom deze reactie onvoldoende, vooringenomen dan wel onjuist zou zijn. De enkele stelling van de stichting en anderen dat de raad zich bij de besluiten en bij de reactie op de zienswijzen heeft gebaseerd op rapporten die in opdracht van de initiatiefnemer zijn opgesteld, acht de Afdeling onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur.

Het betoog faalt.

4. De stichting en anderen stellen dat over de planvorming uitsluitend overleg is gevoerd met de betrokken onderneming en niet met andere belanghebbenden. Voorts stellen de stichting en anderen dat de raad in 2012, tijdens de procedure over het bestemmingsplan "Buytenpark", heeft gezegd dat de uitbreiding van SnowWorld nog enkele jaren op zich zou laten wachten. In dat licht bezien zijn zij, maar ook de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak destijds onjuist geïnformeerd over de plannen met betrekking tot de uitbreiding van een derde baan.

4.1. De wijze waarop naar de stelling van de stichting en anderen wel, geen of te weinig overleg met hen is gevoerd, wat daar ook van zij, kan niet afdoen aan de omstandigheid dat in zoverre, zoals in 3.3 is overwogen, de wettelijke procedure is gevolgd.

De wijze waarop de raad zich in een eerdere procedure heeft uitgelaten over een eventuele toekomstige uitbreiding valt buiten het bereik van deze procedure. Dit aspect kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

Het betoog faalt.

5. De stichting en anderen betogen dat op verschillende momenten al overeenkomsten zijn gesloten en niet appellabele (deel)plannen zijn opgesteld. Zo is er eind 2014 al een erfpachtcontract gesloten met SnowWorld, zijn in het voorjaar van 2015 zowel een beeldkwaliteitplan als een natuurcompensatieplan vastgesteld en zijn de grenzen op de zogenoemde Zoetermeerse Groenkaart gecorrigeerd. De raad is hierdoor uiteindelijk voor een voldongen feit gesteld, aldus de stichting en anderen.

5.1. De raad dient bij de vaststelling van het plan alle ruimtelijk relevante belangen in onderling verband te bezien en te bepalen welke bestemmingen aan gronden in het plangebied moeten worden gegeven en welke regels daarbij nodig zijn. Daarbij dient de raad de naar aanleiding van het ontwerpplan ingediende zienswijzen te betrekken en daarop gemotiveerd te beslissen. Reeds gesloten overeenkomsten en genomen deelbeslissingen kunnen bij de vaststelling van het plan niet bepalend zijn. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad geen zelfstandige beoordeling heeft gemaakt van de belangen die met het plan zijn gemoeid of reeds gesloten overeenkomsten of genomen deelbesluiten voor de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure bepalend heeft geacht.

Het betoog faalt.

6. De stichting en anderen stellen dat de notitie van Mees Ruimte en Milieu, die betrekking heeft op de ladder van duurzame verstedelijking, pas na afloop van de zienswijzentermijn is aangeleverd. Zij stellen dat zij hierdoor ten onrechte niet eerder in de gelegenheid zijn gesteld om hierop te reageren.

6.1. Het ontwerpplan is op 20 februari 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De stichting en anderen hebben in de door hen naar voren gebrachte zienswijze betoogd dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontwerpplan niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Naar aanleiding van deze zienswijze heeft de raad de motivering laten aanvullen. Deze aanvulling is weergegeven in de door Mees Ruimte en Milieu opgestelde notitie "Ladder van duurzame verstedelijking", van 7 juni 2015 (hierna: Mees-notitie). De raad kon de Mees-notitie derhalve niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage leggen. De Afdeling overweegt dat de stichting en anderen hierop in hun beroepschrift hebben kunnen reageren.

Het betoog faalt.

Besluit milieueffectrapportage

7. De stichting en anderen stellen dat ten onrechte geen milieueffectrapportage is uitgevoerd. Zij voeren aan dat op grond van onderdeel D10, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van skihellingen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar, een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat niet, aldus de stichting en anderen.

De raad stelt zich volgens de stichting en anderen ten onrechte op het standpunt dat de uitbreiding betrekking heeft op 86.000 bezoekers per jaar, terwijl na de uitbreiding het totaal aantal bezoekers de drempelwaarde van 250.000 bezoekers overschrijdt. De stichting en anderen voeren aan dat er niet eerder een milieueffectrapport is opgesteld voor de skibaan en dat dit door gefaseerd uitbreiden ook steeds wordt vermeden. In de plantoelichting ontbreekt een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de milieu- en natuurwaarden van de in het plan begrepen gronden en de relatie met het aangrenzende gebied.

7.1. De raad stelt dat de activiteit onder de drempelwaarde van 250.000 bezoekers per jaar blijft, omdat met de uitbreiding ten opzichte van de bestaande situatie in 2011 een bezoekerstoename van maximaal 86.000 bezoekers wordt verwacht. Volgens de raad kon daarom worden volstaan met de vormvrije m.e.r-beoordeling die is gemaakt. De raad heeft op grond van die vormvrije m.e.r-beoordeling geconcludeerd dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is en dat er geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten zijn.

7.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage, voor zover van belang, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het vierde lid, voor zover van belang, worden als besluiten als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover van belang, geldt, voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (hierna: de Richtlijn) niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

7.3. In categorie D10 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar.

7.4. Het bestemmingsplan is in categorie D10 aangewezen als plan in kolom 3 en als besluit in kolom 4. Nu het onderhavige bestemmingsplan de voorgenomen uitbreiding van een skihelling bij recht mogelijk maakt en derhalve niet het kader vormt voor een wijzigings- of uitwerkingsplan zoals opgenomen in kolom 4, is in dit geval de milieueffectrapportage voor besluiten aan de orde.

7.5. Niet in geschil is dat het plan betrekking heeft op de uitbreiding van een skihelling als bedoeld in categorie D10 van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.

Bij de beoordeling van de drempelwaarde gaat het in dit geval om een vergelijking tussen de situatie ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan en de situatie die het plan mogelijk maakt. Daarbij is niet van belang dat niet eerder een milieueffectrapport is opgesteld. De stichting en anderen hebben niet bestreden dat door deze activiteit het aantal bezoekers met maximaal 86.000 toeneemt. Gelet hierop ligt de omvang van de activiteit ruim beneden de drempelwaarde van 250.000 bezoekers.

Dit betekent dat niet reeds op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit m.e.r een verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer bestond. Ter beoordeling staat dan ook slechts of de raad terecht heeft geconcludeerd dat op grond van de selectiecriteria van bijlage III bij de Richtlijn kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en dat toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer daarom achterwege kon blijven.

De criteria van bijlage III bij de Richtlijn hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project - waaronder cumulatie met andere projecten -, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Ten behoeve van het plan is de oplegnotitie m.e.r.-beoordeling, van 23 mei 2014, door Rho, adviseurs voor leefruimte, opgesteld. Daarin is de voorgenomen activiteit getoetst aan deze criteria. Uit de oplegnotitie m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. De Afdeling ziet in hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad desalniettemin tot de conclusie had moeten komen dat de uitbreiding belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken.

Er bestaan dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich op grond van de oplegnotitie m.e.r.-beoordeling niet op het standpunt had mogen stellen dat geen milieueffectrapport hoefde te worden opgesteld.

Voorts zijn in paragraaf 5.2 en volgende van de plantoelichting de milieueffecten als gevolg van de activiteit beschreven. Daarin wordt tevens verwezen naar de informatie en onderzoekgegevens uit een eerder opgestelde m.e.r.-beoordeling uit 2010 en de oplegnotitie m.e.r.-beoordeling. Gelet hierop mist het betoog van de stichting en anderen, dat in de plantoelichting een beschrijving ontbreekt van de wijze waarop rekening is gehouden met milieuaspecten en natuurwaarden, feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

Strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, Bro

8. De stichting en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld, omdat de regionale behoefte niet is aangetoond en de noodzaak van een verlenging van de skibaan tot ruim 300 m met een hoogte van 70 m evenmin. Er is ten onrechte niet onderzocht of de baan bijvoorbeeld 50 m korter en derhalve ook minder hoog kan worden uitgevoerd

De regionale behoefte is volgens de stichting en anderen ten onrechte in een straal van 75 km rond SnowWorld gezocht. Volgens de stichting en anderen overstijgt dit verzorgingsgebied de regio en heeft de raad deze regionale behoefte onvoldoende onderbouwd. De stichting en anderen voeren in dat verband aan dat het verzorgingsgebied kleiner is, zodat de verwachte toename van het aantal bezoekers met gemiddeld 150 per dag niet wordt gehaald. Hiermee vervalt volgens hen de noodzaak aan het plan. Voorts ontbreekt een marktonderzoek waarbij ook aandacht is besteed aan gelijksoortige of verwante voorzieningen en eventuele uitbreidingsplannen daarvan. Zij wijzen daartoe onder meer op Snowdome De Uithof in Den Haag, Snowplanet Spaarnwoude, een tiental borstelbanen en 40 zogenoemde rolbanen. Voorts zijn volgens de stichting en anderen ten onrechte een aantal haltes voor openbaar vervoer betrokken bij de vraag of kan worden voorzien in een passende ontsluiting, terwijl deze haltes op te grote afstand van SnowWorld liggen.

De stichting en anderen merken op dat de raad nog na het vaststellingsbesluit een tweede notitie over de ladder voor duurzame verstedelijking heeft ingebracht. Hiermee lijkt de raad een procedureel verzuim te repareren, aldus de stichting en anderen.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

De raad stelt voorts dat SnowWorld aantrekkelijker wordt door het verlengen van de derde baan en dat de bezoekersaantallen aanzienlijk zullen toenemen. Een marginale verlenging zou weinig zin hebben. Ook wat betreft de impact op landschappelijke waarden zou weinig winst geboekt worden als de verlenging niet 90 maar 50 m zou zijn.

8.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8.3. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op de Mees-notitie. De inhoud daarvan is samengevat weergegeven in paragraaf 2.1.3 van de plantoelichting.

8.4. Daarnaast heeft de raad de door Stec Groep opgestelde notitie "Notitie Ladder Uitbreiding SnowWorld Zoetermeer" van 4 december 2015 (hierna: Stec-notitie) in het geding gebracht. Uit de inleiding van de Stec-notitie volgt dat de raad ter voorlichting van zichzelf, naar aanleiding van het beroep van de stichting en anderen, aan de Stec groep nog een beknopte en heldere visie op de behoefte en de ladder heeft gevraagd.

8.5. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 maart 2015 in zaak nr. 201400341/1/R1, zal in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking van geval tot geval moeten worden bezien welk regionaal schaalniveau past bij de stedelijke ontwikkeling waarin het plan voorziet. In de Mees-notitie staat dat de markt voor dagrecreatie gevarieerd en competitief is. SnowWorld concurreert niet alleen met andere indoorskibanen, maar ook met overige vormen van vrijetijdsbesteding zoals onder meer de Efteling. De Mees-notitie gaat daarom voor SnowWorld uit van een verzorgingsgebied met een straal van ongeveer 75 km.

Dat de raad aan de hand van de Mees-notitie is uitgegaan van een regionaal schaalniveau van 75 km rondom de ontwikkeling en daarbinnen de actuele behoefte heeft beschreven, komt de Afdeling niet onredelijk voor. De stichting en anderen hebben niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat de raad niet heeft mogen uitgaan van een marktregio met deze omvang.

8.6. In de Stec-notitie is toegelicht dat die marktregio is gebaseerd op de geografische spreiding van reserveringen voor SnowWorld Zoetermeer in de periode januari 2013 tot en met september 2014. In de Stec-notitie wordt aan de hand van een analyse van bezoekersgegevens van de website van SnowWorld een marktregio met een straal van 60 tot 75 km, ongeveer gelijk aan 60 tot 90 autominuten, reëel geacht. In zoverre bevestigt de Stec-notitie de Mees-notitie.

8.7. In 2011 heeft SnowWorld volgens de Mees-notitie een enquête gehouden onder haar bezoekers. Daaruit volgt dat de lengte van de piste de belangrijkste factor is voor de keuze van een skibaan. De indoor-skibanen binnen het verzorgingsgebied van SnowWorld Zoetermeer zijn Snowplanet te Spaarnwoude, met een baanlengte van 230 m, Uithof te Den Haag, met een baanlengte van 211 m, en Skidome Rucphen te Rucphen, met een baanlengte van 160 m. Met een verlenging van de derde baan tot 300 m beschikt SnowWorld over de langste baan binnen haar verzorgingsgebied. Naar verwachting is deze baan interessant genoeg om ook de ervaren skiër te trekken. In 2008 had SnowWorld 300.000 bezoekers. Dit toont volgens de Mees-notitie aan dat er een regionale behoefte bestaat, temeer omdat de hiervoor genoemde indoor ski-banen ook al in bedrijf waren. De toename van het aantal pistebezoekers door een verlenging van de baan is volgens de Mees-notitie een reële inschatting.

Gelet hierop is in de Mees-notitie de noodzaak voor de verlenging van de derde baan naar 300 m onderzocht. De stichting en anderen hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd over zich in de regio bevindende banen niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek in zoverre onvolledig is of onjuist is uitgevoerd. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich aan de hand van de Mees-notitie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

8.8. In de Stec-notitie is nog nader uitgewerkt dat op basis van de bezoekersaantallen van andere skibanen in relatie tot hun lengte kan worden geconcludeerd dat er een kwalitatieve vraag is vanuit de consument naar grotere en langere banen. Binnen het verzorgingsgebied van de ontwikkeling is er nog geen aanbod van lange(re) banen. Voorts wordt in de Stec-notitie gewezen op een analyse van ZKA uit 2015 waaruit volgt dat er ongeveer 33.500 extra bezoekers door de verlenging van de piste (een groei van 15%) gerealiseerd zou kunnen worden. In de Stec-notitie wordt geconcludeerd dat er in de marktregio een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan indoor-ski bestaat en dat als gevolg van de verhoogde attractiewaarde bij een langere baan de bezettingsgraad, het vervolgbezoek en de verblijfsduur vergroot zal worden. Er zijn geen centra in de marktregio die een soortgelijk aanbod kunnen bieden als SnowWorld. Het is daarom reëel om te verwachten dat de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte met name zal plaatsvinden in Zoetermeer. In zoverre bevestigt de Stec-notitie de Mees-notitie.

8.9. In de Mees-notitie staat dat SnowWorld voor autoverkeer is ontsloten door de Buytenparklaan vanaf de Amerikaweg. Op de T-splitsing Buytenparklaan-Amerikaweg is in 2011 een rotonde aangelegd, waardoor de verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer zijn verbeterd. De wegen hebben voldoende capaciteit om de verkeerstroom van en naar het Buytenpark op een goede wijze af te wikkelen. Voorts bevindt zich op 500 m van SnowWorld een bushalte aan de Amerikaweg en op ongeveer 900 m aan de Hoflaan en stoppen RandstadRail 3 en 4 op de halte Voorweg. Dit station ligt op ongeveer 1,5 km van SnowWorld. Met hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd over de afstand tussen de haltes voor openbaar vervoer en SnowWorld, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de raad deze haltes in het kader van een passende ontsluiting niet bij de planvaststelling mocht betrekken. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich aan de hand van de Mees-notitie niet in redelijkheid op het stadpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een adequate ontsluiting van het plangebied.

8.10. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de Mees-notitie zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat de raad zich bij het vaststellingsbesluit hierop niet heeft mogen baseren. In zoverre is er dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Stec-notitie is opgesteld om een procedureel verzuim te herstellen.

8.11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Verordening ruimte

9. Om vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan in overeenstemming met de Verordening ruimte mogelijk te maken heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 23 juni 2014, kenmerk PHZ-2014-478373917, verzonden 17 juli 2014, krachtens artikel 21, eerste lid, van de (op dat moment geldende) Verordening ruimte van 30 januari 2010 (hierna: Verordening ruimte 2010) ontheffing verleend voor de in het bestemmingsplan opgenomen verlenging van de derde skibaan van SnowWorld, onder de voorwaarde dat een voorwaardelijke verplichting voor het aanbrengen en onderhouden van beplanting rondom de derde baan opgenomen wordt in het bestemmingsplan.

10. De Verordening ruimte van 9 juli 2014 (hierna: Verordening ruimte 2014) is in werking getreden op 1 augustus 2014.

Het besluit tot vaststelling van het plan dateert van 14 september 2015.

11. Ten tijde van de bij besluit van 23 juni 2014 verleende ontheffing, gold de Verordening ruimte 2010. De raad is bij de vaststelling van het plan uitgegaan van de Verordening ruimte 2014. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 februari 2016, met zaak nr. 201502315/1/R4 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, staat de Verordening ruimte 2014 hieraan niet in de weg.

12. De stichting en anderen stellen dat het plan in strijd is met de bepalingen uit de Verordening ruimte 2014, omdat het plan leidt tot ‘transformeren’ en niet tot ‘inpassing’ of ‘aanpassing’ zoals bedoeld in de Verordening ruimte 2014. Er ontstaat volgens hen door de in het plan voorziene uitbreiding van de skibaan in het Buytenpark een geheel nieuw landschap met een bouwwerk dat atypisch, gebiedsvreemd en zo hoog en omvangrijk is dat dit het beeld in het park gaat domineren. Het Buytenpark wordt hierdoor getransformeerd van een park waar het primair om natuurwaarden gaat in een park waar SnowWorld centraal staat. De stichting en anderen wijzen erop dat het Buytenpark in de Visie Ruimte en Mobiliteit (hierna: VRM) is opgenomen in beschermingscategorie 2, zodat een ruimtelijke ontwikkeling die tot transformeren leidt, niet mogelijk is.

Voor zover wel sprake is van ‘aanpassen’ in de zin van de Verordening ruimte 2014, voldoet het plan niet aan de in de Verordening ruimte 2014 gestelde voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft, aldus de stichting en anderen.

12.1. De raad stelt dat de uitbreiding in overeenstemming is met de Verordening ruimte 2014. Op grond van de Verordening ruimte 2014 en de Structuurvisie is een uitbreiding van niet-agrarische bedrijven buiten het bestaande stadsgebied toegestaan, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Omdat de uitbreiding van SnowWorld meer dan 10% van de huidige oppervlakte van het complex omvat, moet op grond van artikel 2.3.3 van de Verordening Ruimte 2014 deze uitbreiding worden beschouwd als ‘aanpassen’ in de zin van artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening ruimte 2014. Zij verwijzen daartoe naar de toelichting op de Verordening ruimte 2014. Hierin staat dat het bij transformatie gaat om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. In dit geval is geen sprake van een nieuw landschap.

12.2. Ingevolge artikel 2.3.3 van de Verordening ruimte 2014 voldoet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op bestaande niet-agrarische bedrijven en andere bestaande niet-agrarische bebouwing op gronden buiten bestaand stads- en dorpsgebied aan de volgende voorwaarden:

[…]

2. uitbreiding met meer dan 10% van het bruto vloeroppervlak van niet-agrarische bedrijven en agrarische aanverwante bedrijven, wordt beschouwd als aanpassen als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, voor zover verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is gebleken.

Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

[…]

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; Artikel 2.2.1, derde lid (aanvullende ruimtelijke maatregelen), bepaalt:

a. De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):

i. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;

ii. wegnemen van verharding,

iii. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;

iv. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

b. De onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken.

[…]

12.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het in dit geval gaat om een uitbreiding met meer dan 10% van het bruto vloeroppervlak van een bestaand niet-agrarisch bedrijf op gronden buiten bestaand stadsgebied, zodat sprake is van ‘aanpassen’ als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014.

Of het plan voldoet aan de in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b van de Verordening ruimte 2014 gestelde voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft, zal hierna in de overwegingen onder 12 en volgende worden beoordeeld.

Ruimtelijke inpassing en groencompensatie

13. De stichting en anderen stellen dat het plan onvoldoende in maatregelen voorziet om te voldoen aan de in het raadsbesluit van 16 december 2013 gestelde voorwaarden. Zij voeren aan dat het plan zowel kwantitatief als kwalitatief in onvoldoende maatregelen voorziet. De raad is bij de compensatie ten onrechte uitgegaan van de footprint van de uitbreiding. Daarmee gaat de raad volgens de stichting en anderen voorbij aan de werkelijke effecten van de verlengde baan op het landschap. De aantasting van de natuur is niet alleen tweedimensionaal, maar door de hoogte van de baan driedimensionaal. De aantasting beslaat volgens hen ongeveer 75.000 m³. Bovendien wordt in het Compensatieplan voorgesteld om droge natuur te vervangen door natte natuur, terwijl dit een andere natuursoort is.

De stichting en anderen stellen dat het verleggen van grenzen van een natuurkerngebied binnen een gebied dat de bestemming "Natuur" heeft, niet kan worden aangemerkt als compensatie. Voorts is de maatregel om aan de gronden van het eilandje in het sportdeel van het Buytenpark de bestemming "Natuur" toe te kennen in het kader van groencompensatie niet relevant, aldus de Stichting en anderen.

Voorts stellen de stichting en anderen dat het plan ten onrechte niet voorziet in groencompensatie onder de baan, terwijl in de gemeentelijke Visie Buytenpark staat dat bij uitbreiding van SnowWorld maatregelen dienen te worden genomen die onder de baan doorlopen en met de provincie afspraken zijn gemaakt dat rondom de baan in groen moet worden voorzien. Dit legt de raad ten onrechte uit als ‘naast de baan’.

Zij voeren nog aan dat de verlengde derde baan vanwege de hoogte een opvallende zichtbaarheid zal hebben die zich uitstrekt tot een straal van 2,5 km, en wijzen daartoe op de rekenmethodiek van ir. Han Lörzing. De raad heeft de hoogte van de baan onvoldoende betrokken in de besluitvorming. De raad stelt zelf immers dat inpassing door afschermende beplanting vanwege de hoogte van de baan niet mogelijk is. De raad is er volgens de stichting en anderen ten onrechte aan voorbijgegaan dat hij reeds om die reden had moeten afzien van dit plan. Niet vol te houden is dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft als bedoeld in de Verordening ruimte 2014, aldus de stichting en anderen.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het raadsbesluit van 16 december 2013 twee randvoorwaarden worden gesteld aan de uitbreiding, één voor het ontwerp van de baan en één voor de kwantitatieve en kwalitatieve compensatie van het verlies aan areaal van het natuurkerngebied. Deze randvoorwaarden zijn nader uitgewerkt in het Beeldkwaliteitsplan, de Aanpassingen Groenkaart (toevoeging van het westelijk weidevogelgebied) en het Compensatieplan. Dit Compensatieplan is in overleg met appellanten op basis van het natuurwaardenonderzoek vastgesteld, aldus de raad.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat er ongeveer 3.400 m² aan natuurkerngebied verdwijnt, terwijl er een gebied van ruim 7.400 m² wordt toegevoegd aan het natuurkerngebied. Hiermee wordt ruim voldaan aan de voorwaarde die is opgenomen in het raadsbesluit van 16 december 2013. Het is vrijwel onmogelijk compensatie van de natuurkern in kubieke meters uit te drukken. Bij de kwalitatieve compensatie is wel rekening gehouden met de impact van het volume van het gebouw op het omliggende gebied. Daarom voorziet het plan in de aanplant van struweel rondom de verlengde baan in een gebied met een oppervlakte van 4.243 m², aldus de raad.

De raad stelt zich op het standpunt dat met het raadsbesluit van 16 december 2013 de randvoorwaarde uit 2009, dat het landschap onder de baan moet doorlopen, is vervallen. Deze randvoorwaarde gold voor het realiseren van een vierde baan. Nu het bij de verlenging van de derde baan om een bestaande baan gaat, is het niet mogelijk om de constructie van de baan te veranderen en vanwege die bestaande constructie is beplanting onder de baan niet mogelijk.

De raad stelt dat de effecten van de beoogde ontwikkeling op het landschap zijn getoetst in de m.e.r.-beoordeling en in de oplegnotitie m.e.r-beoordeling. Conclusie is dat de landschappelijke waarden van de openheid binnen de omringende polders niet direct worden aangetast. Voorts dient het bouwplan te voldoen aan de in het Beeldkwaliteitsplan uitgewerkte uitgangspunten en criteria. Dit is gewaarborgd in artikel 5.2.1, aanhef en onder f, van de planregels. De raad acht de impact op het landschap mits voldaan wordt aan deze voorwaarden, aanvaardbaar.

Voor zover appellanten wijzen op de methodiek van Lörzing, Habers en Breedijk, stelt de raad dat deze methode specifiek is ontwikkeld om de impact van de Belle van Zuylentoren in het Groene Hart te berekenen. Deze toren is ruimt 3,5 keer zo hoog als de beoogde uitbreiding van SnowWorld. Het is niet gebruikelijk om een dergelijke analyse te maken. De methodiek is in dit geval niet van toepassing. Volgens de raad is bij de besluitvorming rekening gehouden met de impact van het bouwwerk op de omgeving.

13.2. In het raadsbesluit van 16 december 2013 is de voorwaarde gesteld om kwantitatief te compenseren door in of nabij het Buytenpark de begrenzing van de natuurkern elders uit te breiden met de footprint van de uitbreiding van SnowWorld.

Om hieraan te voldoen is ten behoeve van het plan het Compensatieplan Verlengde Derde Baan SnowWorld (hierna: Compensatieplan) opgesteld. Op grond van artikel 5.4.1 van de planregels dienen de maatregelen die zijn genoemd in het Compensatieplan uiterlijk één jaar na ingebruikname van de verlengde derde baan te zijn gerealiseerd. In de plantoelichting staat in paragraaf 4.5 dat de oppervlakte aan natuurkerngebied dat door de uitbreiding van SnowWorld verloren gaat aan de noordwestzijde van het Buytenpark wordt gecompenseerd. In het Compensatieplan staat dat het natuurkerngebied niet wordt verkleind, maar dat door herbegrenzing van het natuurkerngebied het areaal zelfs toeneemt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de afweging van belangen rekening gehouden met de impact van de baan op het landschap door de footprint met factor 2 te compenseren en rondom de baan 4.243 m² struweel aan te planten.

Anders dan de stichting en anderen menen, bevat het raadsbesluit van 16 december 2013 geen voorwaarden met betrekking tot het compenseren van droge natuur met droge natuur.

13.3. Voor zover de stichting en anderen stellen dat het verleggen van grenzen van een natuurkerngebied binnen een gebied dat de bestemming "Natuur" heeft niet kan worden aangemerkt als groencompensatie, overweegt de Afdeling dat het hier geen compensatie van verlies van gronden met de bestemming "Natuur" betreft, maar het verlies van areaal van het natuurkerngebied.

In het Compensatieplan staat voorts dat ervoor is gekozen ook het areaal met de bestemming "Natuur" in het Buytenpark te vergroten door aan de gronden van het eiland dat tussen de sportvelden en de Meerpolder ligt, de bestemming "Natuur" toe te kennen. Dit om tegemoet te komen aan de bezwaren van het Kwaliteitsteam Buytenpark. Deze maatregel was niet nodig om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk beleid, aldus het Compensatieplan.

13.4. In het Beeldkwaliteitsplan zijn zeven criteria vastgesteld en uitgewerkt. Ingevolge artikel 5.2.1, aanhef en onder f, van de planregels moet de architectonische vormgeving van het gebouw ten behoeve van de verlenging van de derde baan voldoen aan deze criteria. Zo moeten rondom de baan bosschages worden aangeplant, zodat de baan wordt omgeven door struweel dat aansluit op de beplanting in de omgeving van de baan.

In het Compensatieplan staat dit als kwalitatieve maatregel genoemd. De beplanting zal bestaan uit soorten van de zogenoemde Zeeuwse haag. De Zeeuwse haag bestaat uit sleedoorn, meidoorn, veldesdoorn, aangevuld met onder meer hondsroos, egelantier en vlier. Dit struweel weert grote grazers onder de skibaan en zorgt voor voedselrijkheid en schuilmogelijkheden, waardoor deze aantrekkelijk wordt voor vogels en muizen. Dit struweel groeit uit tot een hoogte variërend tussen de twee en acht meter en heeft niet als doel de baan aan het zicht te onttrekken, omdat dit gelet op de omvang van het gebouw niet mogelijk is, maar om de baan op maaiveldniveau in te passen.

13.5. Niet ontkend kan worden dat de grote hoogte van de derde baan een belangrijke invloed zal hebben op de beleving van het landschap in de omgeving. De Afdeling stelt vast dat normering omtrent de hoogte die voor een gebouw als dit aanvaardbaar is, ontbreekt. Gelet op de voorwaarden die de raad heeft gesteld aan groencompensatie, herbegrenzing van de natuurkern en landschappelijke inpassing, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad na afweging van alle betrokken belangen de hoogte van het gebouw en de landschappelijke inpassing daarvan niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

13.6. In hetgeen de stichting en anderen naar voren hebben gebracht over de inpassing, de kwantitatieve en kwalitatieve groencompensatie en het veranderen van de ruimtelijke kwaliteit, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de stelling van de raad dat de gestelde randvoorwaarden zijn uitgewerkt in het Beeldkwaliteitsplan en het Compensatieplan. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan voorziene kwantitatieve en kwalitatieve maatregelen niet toereikend heeft kunnen achten om te voldoen aan de in het raadsbesluit van 16 december 2013 gestelde voorwaarden.

13.7. Gezien de in het plan voorziene kwantitatieve en kwalitatieve groencompensatie, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening ruimte 2014.

13.8. Gelet op het voorgaande behoeven de tegen de ontheffing gerichte beroepsgronden geen bespreking meer. Deze kunnen niet tot vernietiging van het vaststellingsbesluit van 14 september 2014 leiden, omdat hiervoor geen ontheffing van de Verordening ruimte 2014 is vereist.

Strijd met Provinciaal beleid

14. De stichting en anderen betogen dat het plan in strijd met provinciaal beleid is vastgesteld. Zij wijzen daartoe op het Gebiedsprofiel Land van Wijk en Wouden van Zuid-Holland, vastgesteld op 16 juli 2013. In het Gebiedsprofiel is vastgelegd dat aan de rand van Zoetermeer moet worden voorzien in een gelaagde opbouw met alleen in de stad accenten van hoogbouw. De verlenging van de derde baan is hiermee niet in overeenstemming, aldus de stichting en anderen.

14.1. De raad stelt dat rekening is gehouden met het Gebiedsprofiel en dat het Buytenpark en SnowWorld bijdragen aan een belangrijk kenmerk van het Land van Wijk en Wouden, namelijk het contrast tussen het open landschap en de verstedelijking daaromheen.

14.2. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In paragraaf 2.2.4 van de plantoelichting wordt het Buytenpark in het Gebiedsprofiel omschreven als een natuur- en recreatiegebied dat gelegen is op een voormalige puinstort. SnowWorld en het Buytenpark liggen aan de randen van de stad. Dit biedt volgens paragraaf 2.2.4 van de plantoelichting de mogelijkheid om het contrast tussen de drukke randen van het gebied en het open polderlandschap te versterken. Gelet hierop heeft de raad in zoverre rekening gehouden met provinciaal beleid.

Het betoog faalt.

Strijd met gemeentelijk beleid

15. De stichting en anderen betogen dat het plan in strijd met gemeentelijk beleid is vastgesteld, aangezien het Buytenpark in 1996 is aangewezen als ‘begrazingsgebied’, in 1999 als ‘natuurgebied’ en vanaf 16 september 2013 als ‘natuurkern’. Het plan is volgens hen ook in strijd met de Visie Buytenpark 2010, het collegememo over natuurcompensatie, het Zoetermeerse Stadsnatuurplan de Stadsvisie 2030 en de Hoogbouwvisie. Voorts wijzen zij erop dat aan de gronden waarop de in het plan voorziene uitbreiding van de skibaan is voorzien in het bestemmingsplan "Buytenpark" (2012) de bestemming "Natuur" was toegekend en dat op die gronden alleen extensieve recreatie en geen intensieve recreatie is toegestaan.

15.1. De raad stelt dat paragraaf 2.4 van de plantoelichting uitgebreid ingaat op het toepasselijke gemeentelijk beleid.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het gebied dat nodig is voor de uitbreiding van SnowWorld niet meer tot het natuurkerngebied behoort, omdat de Groenkaart op 18 mei 2015 door de raad gewijzigd is vastgesteld.

15.2. In paragraaf 2.4 van de plantoelichting is een overzicht gegeven van geldend gemeentelijk beleid en in hoeverre daarmee rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan. Volgens paragraaf 2.4.1 van de plantoelichting sluit het planvoornemen aan bij de opgaven en de te benutten kansen die zijn verwoord in de Stadsvisie 2030, die op 15 december 2008 door de raad van Zoetermeer is vastgesteld.

In paragraaf 2.4.4 van de plantoelichting staat dat de voorziene verlenging van de derde baan zou plaatsvinden in het begrazingsgebied van het Buytenpark dat is aangewezen als natuurkern op de Groenkaart van Zoetermeer van september 2013. Op 18 mei 2015 is echter een nieuwe Groenkaart vastgesteld. Volgens die Groenkaart behoren de gronden die nodig zijn voor de verlenging van de derde baan niet meer tot het natuurkerngebied.

In de Visie Buytenpark 2010 werd al rekening gehouden met de uitbreiding van SnowWorld (toen nog een vierde baan). De inhoud van het collegememo (2011) had volgens de raad al betrekking op de uitbreiding met een vierde baan. De inhoud hiervan is opnieuw beoordeeld. Dit heeft in 2014 geleid tot het vaststellen van het Compensatieplan Verlengde Derde Baan SnowWorld. De Hoogbouwvisie geldt voor de oude lintstructuren en heeft vooral betrekking op functies als wonen en werken. Het feit dat de Hoogbouwvisie geen uitspraken doet over het Buytenpark neemt niet weg dat de hoogte van SnowWorld wel belangrijk is voor de beleving van het bouwwerk vanuit het Buytenpark en het omliggende polderlandschap. SnowWorld maakt onderdeel uit van de skyline van Zoetermeer en de uitbreiding zal dit versterken, aldus de plantoelichting.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming met gemeentelijk beleid is vastgesteld.

15.3. Voor zover de stichting en anderen erop wijzen dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buytenpark" aan de gronden waarop de uitbreiding van de skibaan is voorzien de bestemming "Natuur" was toegekend en betogen dat op die gronden alleen extensieve en geen intensieve recreatie is toegestaan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

15.4. De raad heeft aanleiding gezien om een nieuw bestemmingsplan voor SnowWorld vast te stellen. De raad heeft in dit verband weloverwogen ervoor gekozen om alvorens medewerking te verlenen aan voorliggend plan, randvoorwaarden te stellen aan de uitbreiding van SnowWorld met betrekking tot de compensatie van natuurwaarden. Anders dan de stichting en anderen kennelijk veronderstellen, heeft de raad uitdrukkelijk onder ogen gezien dat als gevolg van dit plan een deel van de natuurwaarden verloren zal gaan en daar ook een zwaarwegend belang aan toegekend door randvoorwaarden te stellen. De raad heeft na afweging van alle betrokken belangen naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.

Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

16. De stichting en anderen stellen dat het plan tot achteruitgang en vernietiging van natuurwaarden in het Buytenpark zal leiden. Het Buytenpark vormt het leefgebied voor ruim honderd vogelsoorten waarvan de helft broedvogel is. In het Buytenpark leven onder meer de ransuil, de velduil, de bosuil, de buizerd, de torenvalk, de boomvalk, de boomleeuwerik, de buidelmees, de kleine plevier, de wielewaal, de zwarte roodstaart, de scholekster, de grutto, de goudplevier, de putter en de kneu. Zij voeren, onder verwijzing naar de Bezonningsstudie SnowWorld Zoetermeer, van iTX BouwConsult, van 11 februari 2016 (hierna: Bezonningsstudie) aan dat de massieve constructie van de baan tot dusdanige schaduwwerking zal leiden dat er droge natuur, zoals ruigtestruweel verloren zal gaan. Dit natuurtype is schaars en biedt plaats aan bijzondere planten, struiken en paddenstoelen, alsmede vogels, vlinders, libelle en vleermuizen. Deze schaduwwerking zal zijn weerslag hebben op deze planten en dieren en zal met name tot een verstoring van het foerageergebied van vele vogels leiden. De schaduw reikt soms zelfs verder dan de ongeveer 100 m afstand van de baan, waar zich de rust- en broedplaats van tientallen ransuilen bevindt, aldus de stichting en anderen.

Volgens de stichting en anderen zijn er ook waarnemingen van andere dieren zoals de bedreigde argusvlinder en de sikkelsprinkhaan, alsmede de grondgebonden zoogdieren zoals de bosmuis, de hermelijn, het konijn, de wezel, de mol, de haas, de spitsmuis en de veldmuis.

De stichting en anderen hebben ter zitting toegelicht dat de verhoging van de baan tevens zal leiden tot een variatie en verandering in windstromen en dat dit zijn weerslag zal hebben op het foerageergebied van diverse soorten vleermuizen. De plaats die een vleermuis kiest wordt vooral bepaald door het insectenaanbod. Vleermuizen zijn insecteneters en insecten begeven zich het liefst in een luwe omgeving. De stichting en anderen vrezen er daarom voor dat als gevolg van een wijziging van windstromen insecten wegblijven en hierdoor een gedeelte van het foerageergebied voor vleermuizen zal verdwijnen.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen ontheffing van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is, zodat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De raad stelt dat het plan niet tot negatieve beïnvloeding van de gunstige staat van instandhouding van wettelijk beschermde soorten zal leiden. Broedvogelmonitoring heeft uitgewezen dat er 30 broedvogels in het Buytenpark voorkomen. Daarvan is de ransuil de enig jaarrond beschermde soort, waarvan één territorium binnen het plangebied en één buiten het plangebied is vastgesteld.

De raad stelt voorts dat op de top van de heuvel, waarop de verlenging is voorzien, zich in de huidige situatie nauwelijks struweel bevindt. Deze top is verworden tot kaalgegraasd terrein door overbegrazing van koeien en paarden. In zoverre zal de schaduwwerking van de verlengde baan op de top niet tot de door stichting en anderen gevreesde gevolgen van het verdwijnen van struweel leiden.

De schaduwwerking van de verlengde baan is voorts minder groot dan door de stichting en anderen wordt gesteld, omdat de verlengde baan op een palenconstructie zal worden gebouwd, de schaduwwerking met het uur verandert en er derhalve geen locaties zijn die gedurende de hele dag in de schaduw zullen liggen.

De raad stelt onder verwijzing naar ecologisch onderzoek dat er geen jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen zijn aangetroffen. De raad heeft ter zitting nog toegelicht dat de verhoging van de baan niet tot meer windstromen, maar naar verwachting juist tot meer luwte zal leiden.

16.2. De bescherming van diersoorten is geregeld in de Ffw. In het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan kan dit aspect uitsluitend een rol spelen in verband met de uitvoerbaarheid van het plan. De vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan ten aanzien van de in het gebied aanwezige soorten een vrijstelling geldt, dan wel ontheffing krachtens de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, zijn aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dit laat onverlet dat de raad het plan niet mocht vaststellen, indien en voor zover op voorhand viel aan te nemen dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

16.3. In paragraaf 5.8.2 van de plantoelichting staat dat in 2009 en 2010 in het kader van eerdere plannen ten behoeve van een vierde baan uitgebreid ecologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit betreffen de "Veldinventarisatie beschermde soorten SnowWorld Zoetermeer" van september 2009, uitgevoerd door adviesbureau Mertens, en "Beschermde en bedreigde natuurwaarden SnowWorld Zoetermeer" van november 2010, uitgevoerd door bureau Stadsnatuur Rotterdam, (hierna: bSR-rapport 2010).

Ten behoeve van voorliggend plan zijn deze onderzoeken geactualiseerd en toegespitst op de uitbreiding van de derde baan. Deze actualisatie is uitgevoerd door bureau Stadsnatuur Rotterdam in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte en weergegeven in het rapport "Inventarisatie beschermde soorten SnowWorld Zoetermeer", van november 2014 (hierna: bSR-rapport 2014).

Het bSR-raport 2014 richt zich specifiek op strikt beschermde natuurwaarden van de groepen flora, vogels en vleermuizen. Het onderzoek is erop gericht om te bepalen dat ten aanzien van deze groepen geen verbodsbepalingen worden overtreden.

16.4. Het flora-onderzoek heeft zich toegespitst op de Rietorchis Dactylorhiza majalis praetermissa (hierna: Rietorchis). Deze is aangetroffen langs een sloot die de toegangsweg naar SnowWorld kruist. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen effect hebben op deze groeiplaatsen.

Bij broedvogelinventarisatie zijn territoria van 30 vogelsoorten aangetroffen. Bij de inventarisatie in 2014 zijn de putter, de kneu, de buizerd, de torenvalk, de bosuil, de boomvalk, de boomleeuwerik, de buidelmees, de kleine plevier, de wielewaal, de zwarte roodstaart, de scholekster, de grutto en de goudplevier niet aangetroffen.

Volgens het bSR-raport 2014 is vrijwel zeker sprake van twee territoria van de ransuil in het gebied. Dit is een soort met een jaarrond beschermde status. De ransuil gebruikt het Buytenpark als broedgebied, overwinteringsgebied, rustgebied en foerageergebied. De locatie van de verblijfplaats van de ransuil ligt volgens het bSR-raport 2014 ruim buiten de reikwijdte van de bouwplannen voor de uitbreiding van de skibaan. De ransuil broedt in struwelen ten oosten van de huidige baan waar geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze struwelen verdwijnen niet. Er verdwijnen derhalve geen broedplaatsen als gevolg van het plan. De nestlocaties bevinden zich op plaatsen die ook in de huidige situatie vaak door mensen worden betreden. De activiteiten in het SnowWorld-complex zijn vrijwel uitsluitend inpandig, waardoor extra impact van toenemende menselijke betreding van de wandelpaden vermoedelijk is te verwaarlozen, aldus het bSR-raport 2014.

De uitbreiding van de skibaan zal wel leiden tot een geringe afname van foerageergebied, maar het is onwaarschijnlijk dat hierdoor de functionaliteit van het hele gebied als jachtterrein voor de ransuil wordt aangetast, aldus het bSR-raport 2014. Ransuilen zijn gebaat bij duisternis. Daarom wordt in het bSR-raport 2014 aanbevolen om lichtvervuiling naar de omgeving tot een minimum te beperken. De raad heeft deze aanbevelingen in het plan overgenomen.

16.5. De uitvoering van het project leidt niet tot een rechtstreekse aantasting van het nest van de ransuil. De stichting en anderen hebben betoogd dat de functionaliteit van deze nestplaatsen niettemin kan worden aangetast door verstoring of aantasting van het foerageergebied als gevolg van de schaduwwerking van de baan. Zij wijzen er daarbij op dat de verlengde baan binnen een straal van 300 m van vele vogels ligt.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2011 in zaak nr. 201001013/1/R3 volgt dat het aantasten van foerageergebieden niet wordt begrepen onder het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, tenzij deze samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2012 in zaak nr. 201201434/1/A3 (www.raadvanstate.nl) volgt dat artikel 11 van de Ffw niettemin wordt overtreden, indien door de aantasting van foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de desbetreffende soorten deze plaatsen om die reden zullen verlaten.

De raad stelt dat is onderzocht of de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde vogelsoorten in het geding komt. Volgens de raad is dat niet het geval. De raad stelt, onder verwijzing naar een reactie van Bureau Stadsnatuur Rotterdam, dat er geen onaanvaardbare effecten zijn te verwachten van de schaduwwerking, omdat de door de stichting en anderen genoemde soorten niet uitsluitend voorkomen in het gebied waar schaduweffecten te verwachten zijn en er in ruime mate geschikt habitat overblijft. De instandhouding van de soorten is niet in het geding, aldus de raad.

De stichting en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan dan wel de schaduwwerking als gevolg van de verlengde baan, voor de ransuil of voor andere vogelsoorten die zich binnen een straal van 300 m bevinden, leidt tot een aantasting van foerageergebied dat samenvalt met vaste rust- of verblijfplaatsen of tot een aantasting van foerageergebied die tot gevolg heeft dat de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de desbetreffende soorten deze plaatsen om die reden zullen verlaten. Hetgeen zij hebben aangevoerd, geeft bovendien geen grond voor het oordeel dat de raad hiernaar onvoldoende onderzoek heeft verricht.

16.6. Bij de inventarisatie in 2014 zijn vijf soorten vleermuizen aangetroffen. Alle soorten zijn foeragerend of passerend waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Evenmin zijn vaste vliegroutes aangetoond. De laatvlieger en rosse vleermuis vliegen veelal hoog en los van vaste structuren van hun verblijven naar de foerageergebieden. De watervleermuis en meervleermuis zullen naar verwachting vooral de watergangen in het buitengebied gebruiken om naar het Buytenpark te vliegen. Hier blijven ze voornamelijk foerageren boven de wateren in de randen van het park. Op de plek waar de verlenging van de baan is voorzien, wordt weinig gefoerageerd door vleermuizen. De uitstraling van licht kan een verstorende werking heben voor de meervleermuis, die erom bekend staat licht te mijden, daarom wordt in het bSR-rapport 2014 in het algemeen gesteld dat het is aan te bevelen om de uitstraling van licht tot een minimum te beperken. De raad heeft deze aanbeveling bij de vaststelling van het plan overgenomen.

Voor zover de stichting en anderen hebben aangevoerd dat de hoogte van de baan een verandering van windstromen zal veroorzaken, overweegt de Afdeling dat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat dit tot een aantasting van het foerageergebied voor vleermuizen zal leiden.

16.7. In het bSR-rapport 2010 is onderzoek gedaan naar libellen, dagvlinders en sprinkhanen. In dat onderzoek is de aanwezigheid van de argusvlinder vermeld, hoewel deze soort niet is opgenomen op de rode lijst. De argusvlinder is volgens het bSR-rapport 2010 waargenomen op de graslanden ten noorden en ten oosten van de huidige baan. De koninginnepage is destijds niet aangetroffen. Als enige bedreigde sprinkhaan is de sikkelsprinkhaan waargenomen in 2010. Deze heeft de status ‘gevoelig’ op de rode lijst, maar vertoont de laatste jaren een opmars. De soort is in 2010 waargenomen in de ruigte ten oosten van de baan. Daar zullen geen werkzaamheden plaatsvinden en daar zal ook geen struweel verdwijnen. Gezien de aanwezigheid van voldoende biotoop komt de soort waarschijnlijk verspreid over het hele Buytenpark voor.

16.8. De onderzoeken leiden tot de conclusie dat geen beschermde natuurwaarden worden aangetast en dat direct of indirect de gunstige staat van instandhouding van wettelijk beschermde soorten niet negatief wordt beinvloedt. Daarom is geen ontheffing op grond van de Ffw nodig, aldus het bSR-rapport 2014.

16.9. De stichting en anderen hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd over de aanwezige natuurwaarden niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren.

17. De stichting en anderen voeren aan dat de raad de gevolgen van de in het plan voorziene uitbreiding van de nieuwe baan voor dier- en plantensoorten waarvoor de Ffw geen of een minder streng beschermingsregime bevat ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan heeft betrokken. Naar deze gevolgen is volgens hen geen onderzoek verricht.

De stichting en anderen stellen dat de bouw tot schade en hinder aan de natuur kan leiden. In dat kader stellen zij dat het vrijwel onmogelijk is om de bouwwerkzaamheden uit te voeren overeenkomstig de omgevingsvergunning, omdat daarin ten onrechte geen voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het broedseizoen.

18. Voor zover de stichting en anderen erop wijzen dat geen onderzoek is uitgevoerd naar niet beschermde soorten, overweegt de Afdeling dat geen onderzoek nodig is naar soorten waarvoor een algehele vrijstelling geldt. Dit betreft de soorten bosmuis, hermelijn, konijn, wezel, mol, haas, spitsmuis en veldmuis. Dit zijn geen strikt beschermde soorten, maar soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt ingevolge artikel 16b, eerste lid, in samenhang met het tweede lid onder a, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Overigens geeft hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen onderzoek naar deze gevolgen heeft verricht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zowel in het bSR-rapport 2010 als in het bSR-rapport 2014 voorstellen worden gedaan voor mitigerende maatregelen om negatieve effecten op de betreffende soortgroepen in het algemeen, dus ook met betrekking tot de niet-beschermde en bedreigde soorten, te beperken.

Het betoog faalt.

Bouwwerkzaamheden

19. De stichting en anderen stellen dat de bouwwerkzaamheden tot hinder en schade aan de natuur zullen leiden. Dit is volgens hen in strijd met de gemeentelijke Gedragscode in het kader van de Flora- en Faunawet en artikel 6.1.1.a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buytenpark". In dat verband voeren zij aan dat het bouwterrein twee keer zo groot zal zijn dan het huidige complex van SnowWorld. Met de bouwwerkzaamheden wordt een groter gebied aangetast dan alleen het gebied dat nodig is voor het bouwwerk, terwijl de gemeentelijke Gedragscode in artikel 16.3 bepaalt dat verstoring van dieren en schade aan hun leefgebied moet worden vermeden, aldus de stichting en anderen.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hoewel de werkzaamheden tijdens de aanlegfase een uitvoeringskwestie betreffen en geen gevolgen kunnen hebben voor de bestreden besluiten, de mogelijke ecologische effecten van de uitvoering van de voor de uitbreiding benodigde werkzaamheden wel in kaart zijn gebracht in de "Notitie ecologische beoordeling aanlegfase baan SnowWorld Zoetermeer", van bureau Stadsnatuur Rotterdam, van 5 juni 2015 (hierna: Notitie ecologische beoordeling aanlegfase).

Er zijn twee varianten voor de aanvoer van het materiaal tijdens de werkzaamheden. In de eerste variant wordt naast de bestaande derde baan een licht oplopende bouwweg naar de top van de voormalige puinstort aangelegd. In de tweede variant loopt de transportroute grotendeels over bestaande paden langs de achterzijde van het complex. Beide varianten zijn in kaart gebracht voor wat betreft hun effecten op de flora en fauna. Er is gekozen voor de tweede variant, omdat deze het minst bezwarend is gebleken, aldus de raad.

19.2. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond aldus, dat de stichting en anderen betogen dat de werkzaamheden alsnog zullen leiden tot overtreding van de Ffw.

19.3. Volgens de Notitie ecologische beoordeling aanlegfase wordt de aanvoerroute van materialen en de bouwplaats niet gerealiseerd op plaatsen waar wettelijk beschermde plantensoorten voorkomen. Ook de struwelen waarin zich nesten van de ransuil bevinden, blijven buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De nestplaats die in 2014 is aangetroffen bevindt zich op ongeveer 75 m afstand van de gronden waar opslag van materieel is voorzien. De werkzaamheden zullen uitsluitend overdag plaatsvinden, zodat verlichting geen verstorende factor zal vormen. Het door de bouwwerkzaamheden veroorzaakte geluid zal naar verwachting niet tot een vermindering van het broedsucces van ransuilen leiden. Aangezien werkzaamheden vrijwel uitsluitend bij daglicht plaatsvinden is verstoring van vleermuizen door bouwverlichting niet aan de orde. Dit geldt ook voor geluid van passerende voertuigen, alsmede voor geluid van bouwwerkzaamheden, aldus de Notitie ecologische boordeling aanlegfase. De stichting en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

19.4. De Afdeling stelt vast dat ingevolge voorschrift 22 van de omgevingsvergunning de werkzaamheden overeenkomstig de Gedragscode Zoetermeer moeten worden uitgevoerd, dat de adviezen in de Notitie ecologische beoordeling aanlegfase moeten worden opgevolgd en dat dient te worden voldaan aan de bepalingen van de Ffw. In voorschrift 22 staat dat dit onder meer inhoudt dat in het broedseizoen, van 15 maart tot en met 15 augustus geen verstoring van bestaande nesten mag plaatsvinden. Gelet hierop mist het betoog van de stichting en anderen over het ontbreken van een voorbehoud in de omgevingsvergunning met betrekking tot het broedseizoen, feitelijke grondslag.

19.5. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De beroepsgrond faalt.

20. De stichting en anderen stellen dat een maatregel als compensatie van verdwijnende natuur niet betrokken kan worden bij de beoordeling dat sprake is van overtreding van de Ffw.

20.1. De raad benadrukt dat er geen wettelijke verplichting is tot compensatie van natuurwaarden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat compensatie niet is vereist nu de gunstige staat van instandhouding van geen enkele soort in het geding is, er geen beschermde natuurwaarden worden aangetast en ook het Buytenpark als zodanig geen beschermde status heeft.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat met de groencompensatie die desalniettemin zal plaatsvinden, onder meer is beoogd te voldoen aan door de raad gestelde voorwaarden in het raadsbesluit van 16 december 2013.

Afweging van belangen

21. De stichting en anderen stellen dat de raad ten onrechte niet heeft afgewogen of het belang van de onderneming SnowWorld opweegt tegen de natuurwaarden van het gebied. Zij achten onvoldoende onderbouwd waarom de aantasting van het leefgebied van planten en diersoorten in dit geval aanvaardbaar is. Er is volgens de stichting en anderen een publiek belang gelegen in deze natuurwaarden. De redenering dat een uitbreiding van de baan leidt tot een toename van arbeidsplaatsen, achten de stichting en anderen niet steekhoudend.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de besluitvorming een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag is gelegd. Enerzijds is gewicht toegekend aan het belang van SnowWorld. Anderzijds is gekeken naar de gevolgen van het plan voor de omgeving. Volgens de ecologische onderzoeken zal de in het plan voorziene uitbreiding niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van natuur- en landschapswaarden. De uitbreiding zal wel impact hebben op het landschap. Gelet op de invloeden die er nu al zijn, wordt de landschappelijke impact niet onaanvaardbaar geacht.

21.2. De raad heeft na afweging van alle betrokken belangen ervoor gekozen om medewerking te verlenen aan de uitbreiding van de derde baan van SnowWorld. De Afdeling ziet gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen over de natuurwaarden, de inpassing en de groencompensatie geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van SnowWorld bij verlenging van de derde baan dan aan het door de stichting en anderen gestelde belang van behoud van natuurwaarden en behoud van het landschap.

Het betoog faalt.

Parkeren

22. De stichting en anderen betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met de Nota parkeernormen en Uitvoeringsregels (hierna: Nota parkeernormen), omdat het plan voorziet in de mogelijkheid dat op maximaal 12 dagen per jaar buiten het eigen terrein van SnowWorld wordt geparkeerd op een daartoe aangewezen veld, terwijl de Nota Parkeernormen bepaalt dat zoveel mogelijk moet worden geparkeerd op eigen terrein. In dit deel van het park voorziet het plan derhalve op onjuiste gronden en op incorrecte wijze in extra publieke parkeerruimte die ten koste gaat van het groen.

Voorts betogen zij dat de raad niet heeft kunnen voorzien in een facultatieve mogelijkheid, omdat een terrein is bestemd om te parkeren of niet.

22.1. De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met de Nota Parkeernormen.

22.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn op de voor "Groen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" parkeerplaatsen toegestaan. Deze parkeerplaatsen mogen maximaal 12 dagen per jaar gebruikt worden.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder g, zijn de voor "Sport-Skibaan" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen.

22.3. In de Nota Parkeernormen geldt als uitgangspunt dat de parkeereis wordt gerealiseerd op eigen terrein. De Nota Parkeernormen voorziet daarnaast in een mogelijkheid om af te wijken van dit uitgangspunt. Daarbij zal eerst worden bezien of een aanpassing van het bouwplan mogelijk is om te voldoen aan het gestelde uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, moet nauwkeurig worden aangegeven hoe aan de parkeereis wordt voldaan op een naburig privaat terrein op acceptabele loopafstand. Wanneer dit alles niet mogelijk blijkt, kan in overleg met de gemeente worden onderzocht of de resterende parkeervraag in de omgeving, veelal in de openbare ruimte kan worden opgelost. Belangrijk uitgangspunt daarbij blijft dat daarmee de parkeerdruk in de omgeving acceptabel blijft. De door de stichting en anderen gestelde strijd met de Nota Parkeernormen, louter op de grond dat niet volledig in de parkeerbehoefte wordt voorzien op eigen terrein, doet zich gelet op het voorgaande ook niet voor.

22.4. Volgens paragraaf 4.3 van de plantoelichting zijn twee onderzoeken uitgevoerd naar de parkeerbehoefte. Het onderzoek "SnowWorld Zoetermeer Verkeersonderzoek topdag", van DTV Consultants, van 1 maart 2010 en de Memo Stand van zaken integraal parkeerbehoefteonderzoek Buytenpark, van 12 april 2011 (hierna: Memo parkeerbehoefteonderzoek). Het aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein van SnowWorld bedraagt 450. Het grootste gedeelte van het jaar is dit toereikend, maar door de verwachte toename van het aantal bezoekers en de verwachte langere gemiddelde verblijfsduur neemt de behoefte aan parkeerplaatsen toe.

22.5. Volgens de Memo parkeerbehoefteonderzoek zijn in het Buytenpark verschillende parkeerterreinen aanwezig die kunnen worden benut om op de topdagen de pieken in de omgeving op te vangen, maar dit zal op een aantal dagen niet voldoende zijn. Daarom kan de groenstrook ten zuidwesten van de watergang in pieksituaties worden benut voor tijdelijk parkeren. Dit is gemaximeerd op 12 dagen per jaar. De locatie heeft een omvang van ruim 5.000 m². Dit is ruim voldoende om het potentiële tekort aan parkeerplaatsen op topdagen op te vangen, aldus de plantoelichting.

In hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad dit niet in redelijkheid zo heeft kunnen doen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op gronden waaraan de bestemming" Sport-Skibaan" is toegekend onder meer parkeren mogelijk is. Dit biedt de mogelijkheid om, als de situatie daar in de toekomst om vraagt, alsnog op eigen terrein het aantal parkeerplaatsen te vergroten.

Het betoog faalt.

23. Ook in hetgeen de stichting en anderen voor het overige aan argumenten naar voren hebben gebracht tegen het bestemmingsplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de vaststelling van het plan heeft kunnen komen.

Conclusie ten aanzien van het plan

24. Het beroep tegen het besluit van 14 september 2015 waarbij de raad het bestemmingsplan "Verlenging derde baan SnowWorld" heeft vastgesteld, is ongegrond.

De omgevingsvergunning

25. De omgevingsvergunning is verleend voor het verlengen van de derde baan met uitkijktoren, het plaatsen van verschillende soorten containers, het plaatsen van een seizoensgebonden schaatsbaan, het plaatsen van een schietbaan, het uitvoeren van werkzaamheden en het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk (revisievergunning).

Voorschriften

26. De stichting en anderen stellen dat de omgevingsvergunning ten onrechte niet voorziet in een voorschrift met de verplichting die volgt uit artikel 5.4.1 van de planregels.

26.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een voorschrift in de omgevingsvergunning hiertoe niet nodig is.

De Afdeling overweegt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat in artikel 5.4.1 van de planregels voldoende is gewaarborgd dat de maatregelen uit het Compensatieplan binnen een jaar zullen worden uitgevoerd. Het niet uitvoeren van deze maatregelen, leidt tot strijdig gebruik van de gronden waartegen handhavend kan worden opgetreden.

Het betoog faalt.

27. De stichting en anderen stellen dat het bestemmingsplan ten onrechte wordt gecombineerd met de verlening van achterstallige omgevingsvergunningen, zoals voor illegaal in gebruik genomen ruimten die alsnog worden gelegaliseerd. Zij wijzen daartoe op een schaatsbaantje en een schietbaantje. In dat kader voeren zij aan dat blijkens de vergunning voor het ijsbaantje dit uiterlijk op 31 maart steeds moet worden afgebroken en dat bij bepaling van die datum ten onrechte geen rekening is gehouden met het broedseizoen.

27.1. Het college stelt dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning ook zag op de schiettent en de ijsbaan. De ijsbaan en schiettent bevinden zich beide in het plangebied en zijn in overeenstemming met het bestemmingsplan. Het college acht voldoende samenhang aanwezig tussen skibaan, ijsbaan en schiettent, zodat er geen reden was om de omgevingsvergunning te weigeren. Dat voor de ijsbaan geen rekening is gehouden met het broedseizoen is volgens het college onjuist.

27.2. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Sport-Skibaan" aangewezen gronden bestemd voor overige sportvoorzieningen.

Ingevolge artikel 5.2.1, onder c, geldt uitsluitend in de periode van 1 oktober t/m 31 maart in afwijking van het bepaalde in lid b ter plaatse van de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - ijsbaan" een maximum bebouwingspercentage van 70%.

Ingevolge dat artikel onder d geldt uitsluitend in de periode van 1 oktober t/m 31 maart, in afwijking van het bepaalde onder d, ter plaatse van de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding-ijsbaan" een maximale bouwhoogte van 10 m.

27.3. De Afdeling stelt vast dat de in de omgevingsvergunning voorziene bebouwing in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Verlenging derde baan SnowWorld", zodat het college in zoverre terecht geen aanleiding heeft gevonden de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Voorts overweegt de Afdeling dat er voldoende samenhang bestaat met het plangebied en er geen rechtsregel aan in de weg staat dat het college een omgevingsvergunning verleent voor meerdere bouwactiviteiten tegelijk.

Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van de omgevingsvergunning

28. In hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd tegen het besluit van 15 september 2015 waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Proceskosten

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Heinen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016

632.