Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201506578/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5213, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.1d
Vreemdelingenbesluit 2000 6.1e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506578/1/V2.

Datum uitspraak: 12 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 juli 2015 in zaak nr. 14/28378 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft de Somalische nationaliteit. Hij is met ingang van 28 april 1993 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Deze vergunning is met ingang van 1 april 2001 omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de staatssecretaris deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 18 oktober 2010. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vreemdeling op de pleegdatum van het meest recente delict waarvoor een onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden, te weten 12 december 2012, onherroepelijk was veroordeeld tot gevangenisstraffen van in totaal meer dan 14 maanden en voor ten minste 3 misdrijven.

2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de formulering van artikel 66a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) volgt dat hij slechts een inreisverbod kan uitvaardigen indien hij heeft vastgesteld dat op de vreemdeling artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000. Uit voormelde wettelijke bepaling noch uit een andere bepaling volgt volgens de staatssecretaris dat hij, voordat hij een inreisverbod uitvaardigt, ambtshalve moet beoordelen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is.

2.1. Ingevolge artikel 64 van de Vw 20000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, vaardigt onze minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

2.2. De Afdeling begrijpt artikel 66a, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw 2000 aldus dat de staatssecretaris tegen een vreemdeling geen inreisverbod mag uitvaardigen indien aan hem ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod reeds uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Anders dan de rechtbank heeft overwogen volgt uit deze bepaling niet dat de staatssecretaris, voordat hij een inreisverbod uitvaardigt, eerst ambtshalve moet vaststellen dat artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is op de vreemdeling. De memorie van toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) biedt evenmin aanknopingspunten voor de door de rechtbank gegeven uitleg (zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 420, nr. 3, blz. 18). In dit verband is voorts van belang dat in het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) uitdrukkelijk is geregeld in welke gevallen ambtshalve aan artikel 64 van de Vw 2000 wordt getoetst (zie de artikelen 6.1d en 6.1e van het Vb 2000). In het geval van de vreemdeling zijn deze artikelen niet van toepassing. Dat de vreemdeling medische problemen heeft en de staatssecretaris in het kader van de vraag of uitzetting van de vreemdeling strijd oplevert met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden advies heeft gevraagd van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) brengt voor de staatssecretaris, zonder een daartoe strekkend verzoek van de vreemdeling, niet de verplichting met zich om, alvorens het inreisverbod uit te vaardigen, ambtshalve vast te stellen dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op de vreemdeling van toepassing is. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris daartegen voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 30 oktober 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2. is overwogen volgt dat de rechtbank het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod van 30 oktober 2014 ten onrechte heeft vernietigd. Dit inreisverbod heeft de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1).

5. Het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is niet-ontvankelijk.

6. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 volgt voorts dat hetgeen de vreemdeling in zijn beroepschrift heeft aangevoerd over de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van zijn beroepsgronden tegen het inreisverbod van 30 oktober 2014.

7. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij onevenredig wordt getroffen door de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat hij strafbare feiten heeft gepleegd in een periode dat hij verslaafd was aan verdovende middelen en waarin hij leed aan psychoses. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar informatie van Stichting Door van 17 september 2014 voorts aangevoerd dat dankzij de behandeling die hij krijgt zijn verslaving onder controle is. Verder blijkt uit het rapport van het BMA van 8 augustus 2014 dat zijn psychische problematiek invloed kan hebben gehad op zijn criminele gedrag in het verleden. Voorts is hij niet in staat om middelen van bestaan te verwerven in Somaliƫ. Volgens de vreemdeling had de staatssecretaris op grond van deze omstandigheden moeten afzien van de intrekking van zijn verblijfsvergunning. De Afdeling vat dit betoog op als een beroep op artikel 4:84 van de Awb.

7.1. De staatssecretaris heeft zich, zoals toegelicht in beroep, op het standpunt gesteld dat de strafrechter bij de oplegging van de straffen rekening heeft gehouden met de invloed van de psychische problematiek van de vreemdeling op diens criminele gedrag. De staatssecretaris heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waaronder een misdrijf is gepleegd niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, aangezien zij reeds in het gevoerde beleid zijn verdisconteerd. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling stelselmatig, gedurende een zeer lange periode, veelvuldig strafbare feiten heeft gepleegd die tot grote overlast voor de maatschappij hebben geleid. Dat de vreemdeling na 27 februari 2013, zijnde de datum waarop het laatste delict is gepleegd, geen strafbare feiten meer heeft begaan, heeft te maken met de omstandigheid dat hij in die periode opgenomen is geweest in een instelling voor forensische verslavingszorg, aldus de staatssecretaris.

7.2. De staatssecretaris heeft zich met de hiervoor onder 7.1. weergegeven motivering terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2008 in zaak nr. 200707578/1 en 16 december 2015 in zaak nr. 201504524/1/V1). De beroepsgrond faalt.

8. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 juli 2015 in zaak nr. 14/28378;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, niet-ontvankelijk

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2016

594.