Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201503895/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2015, met kenmerk 4889031, heeft de raad het bestemmingsplan "Ierse Pond" vastgesteld (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7553
ABkort 2016/170
BR 2016/72 met annotatie van J.R. van Angeren, P. van der Woerd
JM 2016/102 met annotatie van J.S. Haakmeester
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503895/1/R2.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAB Development Nederland B.V., gevestigd te Hoevelaken, gemeente Nijkerk (hierna: MAB),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASR Dutch Prime Retail Custodian B.V., gevestigd te Utrecht (hierna: ASR),

3. de vereniging Belangenvereniging Hooglanderveen, gevestigd te Hooglanderveen, gemeente Amersfoort (hierna: de belangenvereniging),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015, met kenmerk 4889031, heeft de raad het bestemmingsplan "Ierse Pond" vastgesteld (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben MAB, ASR en de belangenvereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

MAB, ASR, de belangenvereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2016, waar MAB, vertegenwoordigd door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door N.J.T. Bossink, ASR, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse, advocaat te Utrecht, bijgestaan door K.D. Boekschoten en W. Frielink, de belangenvereniging, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], bijgestaan door mr. H. Doornhof, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, B. de Brouwer, M. de Geus, R. Hoogzaad, P. Reffeltrath, R. Titulaer en K.E. Vlaar-Zijderveld, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door drs. M.J.M. Vaessen, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Planbeschrijving

2. Het plan voorziet in een juridisch planologische regeling voor een thans onbebouwd perceel aan de Ierse Pond te Amersfoort (hierna: het perceel), gelegen in de oksel van de Heideweg en de Valutaboulevard op het bedrijventerrein Vathorst. Het plan bestaat uit plandelen met de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Verkeer - Verblijfsgebied", "Water" en "Groen". Ten opzichte van de mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen", vastgesteld door de raad op 9 december 2014, voor die gronden bood, voorziet het plan in een toevoeging van de functie ‘detailhandel - algemeen’, waardoor ter plaatse van de gronden, in aanvulling op de onder het vorige bestemmingsplan reeds toegestane functies, tot maximaal 3.000 m2 bruto vloeroppervlak (hierna: bvo) detailhandel mag worden verwezenlijkt.

Achtergrond

3. Aanleiding voor het plan vormt een bindend advies over de uitleg van een bepaling uit een overeenkomst tussen de gemeente en projectontwikkelaar Vahstal Holding B.V. Deze bepaling houdt in dat de gemeente verplicht is om een kavel van 3.000 m2 in de oksel van een zichtlocatie in het plan Vathorst aan te bieden waarop ‘de uitoefening van zowel grootschalige als kleinschalige detailhandel mogelijk is’.

MAB is projectontwikkelaar van het op circa 1,3 kilometer van het plangebied gelegen winkelcentrum Vathorst, waarvan inmiddels 12.400 m2 bvo is opgeleverd aan ASR Vastgoed Vermogensbeheer B.V. Zij werkt momenteel aan de tweede fase van de winkelontwikkeling (maximaal 5.600 m2 bvo). ASR is eigenaar van gronden en winkelruimtes in het gedeeltelijk gerealiseerde en het nog te realiseren deel van het winkelcentrum Vathorst. MAB en ASR menen dat het plan in de weg staat aan een voorspoedige ontwikkeling van dit winkelcentrum. De belangenvereniging heeft als doel onder meer het ontwikkelen en stimuleren van en deelnemen aan activiteiten die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening, de leefbaarheid, het woonklimaat en het welzijn in en rond het aan het plangebied grenzende dorp Hooglanderveen.

MAB, ASR en de belangenvereniging kunnen zich niet verenigen met de in het plan voorziene ontwikkeling om detailhandel - zoals een supermarkt - te verwezenlijken. Daartoe voeren zij verscheidene beroepsgronden aan.

Intrekking

4. ASR heeft ter zitting haar beroepsgrond dat het plan in strijd is met artikel 3.3, vierde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening ingetrokken.

Belanghebbendheid

5. De raad betwist de belanghebbendheid van de belangenvereniging en voert daartoe aan dat haar statuten onduidelijk zijn.

5.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.2. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Met artikel 1:2, derde lid, heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

Het belang dat de bij notariële akte opgerichte belangenvereniging zich blijkens haar statuten ten doel stelt te behartigen, is zowel het ontwikkelen en stimuleren van en deelnemen aan activiteiten die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening, de leefbaarheid, het woonklimaat en het welzijn in en rond Hooglanderveen, als het initiëren, stimuleren en coördineren van activiteiten, die gericht zijn op het bevorderen van samenwerkingsmogelijkheden tussen burgers en het samenwerken met organisaties, die eenzelfde doel nastreven. Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid. Het plangebied ligt binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doelomschrijving.

Blijkens de statuten tracht de belangenvereniging haar doel onder meer te bereiken door: 1. het behartigen van de directe en indirecte belangen voortvloeiende uit de doelstelling, 2. het deelnemen, dan wel een eigen bijdrage leveren aan dergelijke activiteiten, 3. te bevorderen dat burgers individueel of in groepsverband kunnen deelnemen aan beslissingen betreffende de ruimtelijke ordening, de leefbaarheid, het woonklimaat en het welzijn in het werkgebied van de vereniging, 4. het stimuleren en organiseren van contactmogelijkheden tussen burgers en organisaties, 5. het geven van voorlichting, advies en hulp, 6. het verzamelen, bijhouden en verspreiden van informatie aan een zo breed mogelijke groep, 7. het verwerven en beheren van roerende en onroerende goederen en 8. het ontwikkelen van alle activiteiten in de meest ruime zin, voor zover zij gericht zijn op het doel van de vereniging.

Niet in geschil is dat de belangenvereniging de voorgenoemde feitelijke werkzaamheden ook daadwerkelijk verricht. Anders dan de raad betoogt, is de doelstelling van de belangenvereniging niet zo veelomvattend dat deze onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de belangenvereniging niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de belangenvereniging gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat zij belanghebbende is in de zin van artikel 1:2.

Omvang van het geschil

6. De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden van MAB, ASR en de belangenvereniging over de in artikel 3, lid 3.4, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid niet op eerder ingediende zienswijzen berusten en derhalve buiten beschouwing moeten worden gelaten.

6.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

6.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden bij een omgevingsvergunning ten behoeve van functiemenging op bedrijventerreinen afwijken van de desbetreffende bepalingen van het plan voor andere functies, met dien verstande dat toepassing van de afwijking niet mag leiden tot feitelijke wijziging van de bestemming.

6.3. Artikel 3, lid 3.4 van de planregels maakte reeds onderdeel uit van het ontwerpplan dat in zoverre niet gewijzigd is vastgesteld. MAB, ASR en de belangenvereniging hebben over artikel 3, lid 3.4, van de planregels geen zienswijze naar voren gebracht. Geen aanleiding bestaat om MAB te volgen in haar betoog ter zitting dat zij met de stelling in haar zienswijze dat door het toevoegen van extra meters commercieel vastgoed in Ierse Pond geen invulling wordt gegeven aan de huidige marktbehoefte, bezwaren tegen de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid naar voren heeft gebracht, aangezien daarin geen op artikel 3, lid 3.4, van de planregels toegespitst betoog kan worden gelezen. Nu het beroep van MAB, ASR en de belangenvereniging over artikel 3, lid 3.4, van de planregels niet steunt op bij de raad ingebrachte zienswijzen en niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, dient het beroep van MAB, ASR en de belangenvereniging in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7. Voorts stelt de raad dat meer beroepsgronden van de belangenvereniging tegen het bestreden besluit niet op een eerder ingediende zienswijze berusten en dus buiten beschouwing moeten worden gelaten. In dit verband wijst hij op het betoog van de belangenvereniging (1) dat de raad ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het belang bij nakoming van een bindend advies over een overeenkomst tussen de gemeente en de projectontwikkelaar waardoor het plan niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening, (2) dat het plan voor zover daarbij de vestiging van detailhandel wordt mogelijk gemaakt ten onrechte in strijd is met het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de nota "Amersfoort, stad om in te winkelen", (3) dat het plan voor zover daarbij de vestiging van detailhandel wordt mogelijk gemaakt in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld, (4) dat het ten behoeve van het plan uitgevoerde Flora- en faunaonderzoek uit september 2012 ten onrechte niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd en gedateerd is, (5) dat het plan niet uitvoerbaar is wegens het ontbreken van goedkeuring van het college van gedeputeerde staten in het kader van preventief begrotingstoezicht en (6) dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

7.1. De zienswijze van de belangenvereniging ziet uitsluitend op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". Daartoe overweegt de Afdeling dat in deze zienswijze alleen wordt betoogd dat in verband met de verkeersdruk en de verkeersveiligheid een extra ontsluiting op de Valutaboulevard kort voor rotonde 14 onwenselijk is, hetgeen de belangenvereniging desgevraagd ter zitting niet heeft weersproken. De voormelde beroepsgronden 2 en 3 zien niet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", maar op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de daarop betrekking hebbende planregels, die reeds onderdeel uitmaakten van het ontwerpbestemmingsplan dat in zoverre ongewijzigd is vastgesteld. Nu het beroep van de belangenvereniging in zoverre niet steunt op een bij de raad ingebrachte zienswijze en niet is gebleken dat haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, dient het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De overige door de raad genoemde beroepsgronden hebben mede betrekking op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", zodat deze in het kader van een tegen dat plandeel gericht beroep kunnen worden aangevoerd.

Terinzagelegging

8. De belangenvereniging betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:11 van de Awb, nu het ten behoeve van het plan uitgevoerde flora- en faunaonderzoek uit september 2012 ten onrechte niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

8.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 6:22 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

8.2. In paragraaf 4.7 van de plantoelichting is opgenomen dat adviesbureau Bureau Viridis ten behoeve van het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerrein e.o. en snelwegen" in 2012 flora en fauna-onderzoek heeft verricht naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde en bedreigde soorten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Inventarisatie vijf gebieden in Amersfoort Noordoost voor bestemmingsplan Bedrijventerreinen" (hierna: het onderzoeksrapport). De Afdeling overweegt dat het onderzoeksrapport een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk is, omdat dit stuk betrekking heeft op het in de plantoelichting genoemde aspect flora en fauna/ecologie. Het onderzoeksrapport van Bureau Viridis heeft in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb niet ter inzage gelegen met het ontwerpbestemmingsplan.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu het onderzoeksrapport is vermeld in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en de belangenvereniging het rapport dan ook had kunnen opvragen. Aannemelijk is dat andere belanghebbenden daardoor niet benadeeld zijn, aangezien het bestaan van het onderzoek van Bureau Viridis kenbaar was. Er mag derhalve worden aangenomen dat andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin erop gewezen werd dat het onderzoeksrapport van Bureau Viridis niet ter inzage lag dan wel dat zij, na desgevraagd inzage te hebben gehad in het voormelde rapport, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht.

Ladder voor duurzame verstedelijking

9. MAB en ASR betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de actuele regionale behoefte van de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling niet is aangetoond.

9.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

9.2. De gronden in het plangebied liggen braak. In het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" waren deze gronden bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 tot en met 3.2. Dit bestemmingsplan kende verschillende afwijkingsmogelijkheden voor functieverruiming (vrijetijdsvoorzieningen, zoals fitness, leisure en dergelijke, en perifere detailhandel). Zoals hiervoor onder 2 is weergegeven, voorziet het plan in de toevoeging van de functie ‘detailhandel - algemeen’ aan de in het vorige bestemmingsplan reeds toegestane functies op de gronden in het plangebied. Het bouwvlak in het plan komt overeen met het bouwvlak in het vorige bestemmingsplan, met dien verstande dat het bouwvlak in het vorige bestemmingsplan een inham met een oppervlakte van 340 m2 had, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein - expeditiehof’. Nu het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 7, lid 7.6, onder a, van de planregels van het vorige bestemmingsplan bij omgevingsvergunning kon toestaan om ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein - expeditiehof' bebouwing op te richten, nemen de bouwmogelijkheden van het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan in zoverre niet toe. Net als ingevolge artikel 7, lid 7.2, van het vorige bestemmingsplan, mag ingevolge artikel 3, lid 3.2, van het plan het bouwvlak geheel worden bebouwd.

9.3. In verband met de bouwplannen van de ontwikkelaar Vahstal Holding B.V. is het ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder f, van de planregels toegestaan om ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - overbouwing' een overbouwing te verwezenlijken, met dien verstande dat het toegestane bouwoppervlak binnen het bouwvlak niet toeneemt. Een overbouwing is in artikel 1, lid 1.69, van de planregels gedefinieerd als: een deel van een gebouw, gelegen boven het peil, vrij van het aansluitende afgewerkte terrein, dat ter weerszijden wordt ondersteund door hetzelfde gebouw. Hoewel in het vorige bestemmingsplan geen mogelijkheid om een overbouwing te verwezenlijken was opgenomen, nemen de totale bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan ook in zoverre niet toe, nu volgens het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, onder f, van de planregels de oppervlakte van bebouwing binnen deze specifieke bouwaanduiding in mindering dient te worden gebracht op de totale toegestane bouwoppervlakte binnen het bouwvlak.

9.4. Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nr. 201408879/1/R3 en van 5 augustus 2015 in zaak nr. 201500276/1/R2). Zoals hiervoor is overwogen voorziet het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan niet in uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, en derhalve niet in nieuw ruimtebeslag, maar uitsluitend in uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden. Naar het oordeel van de Afdeling brengt in dit geval de wijziging van het toegestane gebruik van het perceel niet met zich dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Daartoe is van belang dat artikel 7, lid 7.4, van de planregels van het vorige bestemmingsplan reeds een afwijkingsbevoegdheid kende ten behoeve van perifere detailhandelsbedrijven die niet was beperkt in oppervlakte, en de toegestane detailhandel in het plan is beperkt tot 3.000 m2 bvo. Nu het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is artikel 3.1.6, tweede lid, niet van toepassing. Hetgeen MAB en ASR overigens naar voren hebben gebracht over de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, kan derhalve buiten bespreking blijven.

De betogen falen.

Rijks- en provinciaal beleid

10. ASR betoogt dat het plan in strijd is met de structuurvisie Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het rijk (hierna: de SVIR) en de structuurvisie Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (hierna: de PRS) van provinciale staten van Utrecht. Daartoe voert zij aan dat onvoldoende rekening is gehouden met hetgeen in paragraaf 3.4 van de SVIR en paragraaf 5.3 van de PRS staat, nu de raad onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre er behoefte bestaat aan de in het plan voorziene ontwikkeling.

10.1. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan rijks- en/of provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging betrokken dient te worden. In de plantoelichting is in paragraaf 2.2 voormeld beleid genoemd en is uiteengezet in hoeverre er behoefte bestaat aan de in het plan voorziene detailhandel. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit beleid niet in de belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid, leegstand en duurzame ontwrichting, passendheid en bindend advies

11. MAB en ASR betogen dat het plan ten onrechte niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Daartoe voeren zij aan dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de nota "Amersfoort, stad om in te winkelen", vastgesteld door de raad op 10 februari 2015 (hierna: de nota detailhandel). Zij stellen in dit verband dat de nota detailhandel beleidsregels bevat en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn, nu het bindend advies en het voornemen om het voorliggende plan vast te stellen al bekend waren voordat de nota detailhandel werd vastgesteld.

Voorts stellen zij onder verwijzing naar het rapport "Amersfoort; effect en detailhandel locatie Ierse Pond" van 9 juni 2015, opgesteld door bureau BRO (hierna: het tegenrapport) en het rapport "Beoordeling onderbouwing detailhandel bestemmingsplan Ierse Pond Amersfoort" van 11 juni 2015, opgesteld door adviesbureau Droogh Trommelen en Partners (hierna: het DTNP-rapport), dat als gevolg van het plan onaanvaardbare leegstand en duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is te verwachten. Tevens voeren MAB en ASR aan dat de verwezenlijking van detailhandel op het perceel dat is gelegen op het bedrijventerrein Vathorst niet passend is in de omgeving.

Ten slotte voeren zij, alsmede de belangenvereniging, aan dat de raad ten onrechte het plan uitsluitend heeft vastgesteld omdat hij zich hiertoe op grond van het bindend advies van 2 augustus 2012 over een overeenkomst tussen Vahstal Holding B.V. en de gemeente verplicht heeft geacht en de raad de belangen van derden ten onrechte niet heeft meegewogen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Daartoe voert de raad allereerst aan dat de nota detailhandel geen beleidsregels bevat, maar een indicatief karakter heeft.

Voorts stelt de raad dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare leegstand of duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is te verwachten. Hij verwijst daarbij naar het ten behoeve van het plan gemaakte rapport "Toetsing detailhandel bestemmingsplan Ierse Pond" van februari 2015, opgesteld door Seinpost Adviesbureau B.V. (hierna: het rapport). Tevens stelt de raad dat de in het plan voorziene ontwikkeling op het bedrijventerrein Vathorst, gelet op het karakter van dit bedrijventerrein, passend is in de omgeving.

Ten slotte voert de raad aan dat de aanleiding voor het plan het bindend advies over de genoemde overeenkomst betreft en dat dit slechts één omstandigheid is die is meegewogen in de gemaakte integrale belangenafweging.

11.2. Daargelaten of de nota detailhandel een beleidsregel is zoals bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, is de nota detailhandel niet van toepassing op de in het plan voorziene ontwikkeling, nu deze ontwikkeling expliciet van het toepassingsbereik van deze nota is uitgezonderd. Uit het raadsvoorstel tot vaststelling van de nota detailhandel van 16 december 2014 blijkt dat de raad de nota detailhandel niet van toepassing achtte op de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling MAB en ASR niet in hun betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met de nota detailhandel.

11.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2), komt voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar is het doorslaggevende criterium of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

De raad heeft onder verwijzing naar het rapport gesteld dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare leegstand of duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is te verwachten. Hetgeen MAB en ASR hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevat dat de raad het rapport niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij betrekt de Afdeling het memo "Reactie Seinpost Adviesbureau B.V. op de rapporten van BRO en DTNP m.b.t. bestemmingsplan Ierse pond" van 28 juli 2015 van genoemd adviesbureau en de toelichting van de raad ter zitting naar aanleiding van het tegenrapport en het DTNP-rapport op de effecten van de in het plan voorziene ontwikkeling op de detailhandelssituatie in de omgeving. In het tegenrapport en het DTNP-rapport wordt er weliswaar terecht op gewezen dat in het bestemmingsplan "Hooglanderveen en Vathorst" voor bepaalde westelijke gronden in Vathorst een uitwerkingsplicht is opgenomen voor 3.500 m2 bvo detailhandel, maar deze omstandigheid is in het rapport en het voormelde memo in aanmerking genomen. Uit het door MAB en ASR aangevoerde is voorts niet gebleken dat als gevolg van het plan bewoners in de omgeving niet langer op een aanvaardbare afstand in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien. Gelet op het vorenstaande biedt hetgeen MAB en ASR hebben betoogd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervan kon uitgaan dat het plan geen onaanvaardbare leegstand of duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau tot gevolg zal hebben.

11.4. Inzake de stelling van MAB en ASR dat de in het plan voorziene detailhandel niet passend is in de omgeving, heeft de raad er op gewezen dat het bedrijventerrein Vathorst een bedrijventerrein met redelijk schone bedrijvigheid is, waar veel bedrijven worden voorzien van een kantoorachtige uitstraling en waar diverse andere functies zijn toegelaten zoals fitness/dansschool, leisure, hotel- en congresfaciliteiten, onderwijs en zorg. Volgens de raad past detailhandel wat betreft ruimtelijke uitstraling daar goed in. In hetgeen MAB en ASR hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkeling passend is in de omgeving.

11.5. Ten aanzien van het betoog van MAB, ASR en de belangenvereniging dat de raad ten onrechte het plan uitsluitend heeft vastgesteld omdat hij zich hiertoe op grond van een bindend advies over een overeenkomst tussen Vahstal Holding B.V. en de gemeente verplicht heeft geacht en de raad de belangen van derden daarbij ten onrechte niet heeft meegewogen, stelt de Afdeling voorop dat een overeenkomst niet kan leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, in zaak nr. 201401760/1/R2). De raad dient bij een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging te maken van alle betrokken belangen. Dat Vahstal Holding B.V. en de gemeente een overeenkomst hebben gesloten, waarover ook een bindend advies is uitgebracht, is derhalve een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het plan in zijn afweging dient te betrekken. De raad heeft in dit geval de genoemde overeenkomst in de belangenafweging betrokken. Dat daarbij aan de belangen van MAB, ASR en de belangenvereniging geen doorslaggevend gewicht is toegekend, maakt niet dat deze belangen niet in de afweging zijn betrokken.

De betogen falen.

Verkeer

12. De belangenvereniging betoogt dat verwezenlijking van het plan zal leiden tot verkeersproblemen.

Daartoe voert zij aan dat de maximale capaciteit van de rondweg Valutaboulevard reeds is bereikt. In dit verband wijst de belangenvereniging erop dat de raad ten onrechte ervan uitgaat dat er per dag ongeveer 7.000 motorvoertuigbewegingen op de Valutaboulevard plaatsvinden, nu uit verscheidene documenten van de gemeente volgt dat de Valutaboulevard meer verkeersbewegingen verwerkt dan waarvan de raad thans uitgaat en dat de verkeersbewegingen van de bezoekers van woonwarenhuis Loods 5 niet zijn verdisconteerd in het aan het plan ten grondslag liggende verkeersonderzoek.

Voorts voert de belangenvereniging aan dat de in het plan voorgenomen ontsluiting van het plangebied op rotonde 14 die thans al een knelpunt vormt, zal zorgen voor verkeersonveilige situaties voor fietsers en voetgangers. Daartoe stelt zij dat een extra ontsluiting op de Valutaboulevard te dicht bij voormelde rotonde is voorzien. Tevens had de raad nader onderzoek moeten uitvoeren naar de verkeersafwikkeling van deze rotonde en had hij gevolg moeten geven aan de slechte ervaringen met een andere rotonde elders in Amersfoort, aldus de belangenvereniging.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat realisering van het plan niet zal leiden tot verkeersproblemen, nu de maximale capaciteit van de rondweg thans nog niet is bereikt en de voorgenomen ontsluiting van het plangebied op rotonde 14 geen onveilige situatie voor fietsers en voetgangers met zich brengt.

12.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

b. ontsluitingswegen, bestaande uit ten hoogste één rijbaan, met dien verstande dat de aanleg van een extra ontsluitingsweg, niet ten koste mag gaan van het ter plaatse aanwezige water, in de zin dat dit water gecompenseerd dient te worden binnen de bestemming "Bedrijventerrein";

c. voet- en fietspaden;

d. parkeervoorzieningen;

e. in- en uitritten;

(…).

12.3. Blijkens de verbeelding vinden de in het plan met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden aansluiting op de bestaande wegen Euroweg, zowel de Valutaboulevard als de parallelweg hiervan en rotonde 14, welke ook aansluit op de Heideweg. Blijkens de plantoelichting is beoogd de in het plan voorziene ontwikkeling in zuidelijke richting te ontsluiten via de Euroweg. Het perceel is ook bereikbaar via de voormelde parallelweg en tevens wordt de mogelijkheid geboden voor een rechtstreekse aansluiting op de Valutaboulevard.

12.4. Ten behoeve van het plan is blijkens paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting onderzoek gedaan naar de verkeerskundige gevolgen van de invulling van het perceel met 3.000 m² bvo detailhandel en 4.000 m² bvo horeca en leisure, zijnde de maximale mogelijkheden met de meest verkeersaantrekkende werking. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Reactie tbv zienswijzennota - Verkeersonderzoek Ierse Pond Vathorst - Afdeling Verkeer en Vervoer" van 26 januari 2015 (hierna: het verkeersonderzoek). Daarin is vermeld dat als gevolg van de in het plan voorziene oppervlakten en de bijbehorende kentallen, zoals bedoeld in CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie", per dag in totaal maximaal 5.000 motorvoertuigbewegingen van en naar het plangebied worden verwacht. De modelberekeningen van het zogenoemde regionale verkeersmodel geven blijkens het verkeersonderzoek aan dat ongeveer de helft van het toekomstige verkeer van en naar het perceel gebruik maakt van de Valutaboulevard en dat de andere helft via de Euroweg rijdt. De kruispunten in de directe omgeving van het perceel kunnen dit verkeer over het algemeen goed verwerken en er komen geen structurele knelpunten voor, aldus het verkeersonderzoek.

12.5. Over het betoog dat de maximale capaciteit van de rondweg Valutaboulevard reeds is bereikt, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de huidige situatie niet, zoals de belangenvereniging stelt, ongeveer 15.000 tot 20.000, maar ongeveer 7.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal op de Valutaboulevard zijn, hetgeen geen onaanvaardbare verkeersafwikkelingsproblemen met zich brengt. In dit verband heeft de raad uiteengezet dat het aantal van 7.000 is gebaseerd op tellingen uit 2013 en het voormelde in 2014 opgestelde verkeersmodel.

De raad heeft voorts toegelicht dat de door de belangenverenging vermelde aantallen, die zijn ontleend aan de door de gemeente opgestelde leidraad "Concessieverlening motorbrandstofverkooppunt bedrijvenpark Vathorst" van 11 juni 2013 en de presentatie "Verkeer in en rond Hooglanderveen. Modelstudie Heideweg en Brenninkmeijerlaan", in dit geval niet toepasselijk zijn. De leidraad heeft betrekking op een ander op ongeveer 1,5 kilometer afstand van het plangebied gelegen deel van de Valutaboulevard met andere verkeersstromen en de presentatie heeft betrekking op resultaten van een studie over de gevolgen van een eventuele afsluiting van de Heideweg.

De raad heeft tevens toegelicht dat, anders dan de belangenvereniging stelt, in het verkeersonderzoek dat uitgaat van de verwachte situatie in 2025 de verkeersbewegingen van de bezoekers van de in mei 2015 geopende Loods 5 zijn verdisconteerd.

De belangenvereniging heeft de reactie van de raad op hetgeen zij heeft aangevoerd onvoldoende met gegevens onderbouwd weerlegd. Hetgeen de belangenvereniging heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersonderzoek zodanige onjuistheden bevat dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Dit betekent dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximale capaciteit van de rondweg Valutaboulevard thans nog niet is bereikt.

12.6. Met betrekking tot het betoog dat de voorgenomen ontsluiting van het plangebied op rotonde 14 zorgt voor een onveilige situatie voor fietsers en voetgangers, overweegt de Afdeling het volgende.

In reactie op de stelling van de belangenvereniging dat een extra ontsluiting op de Valutaboulevardweg in het noordwesten van het plangebied te dicht bij rotonde 14 is voorzien, wijst de raad op paragraaf 3.4 van de zienswijzennota, waarin is vermeld dat rotondes worden gezien als verkeersveilige oplossingen. Ter plaatse van een rotonde is de verkeerssituatie overzichtelijk en wordt een verkeersveilige snelheid afgedwongen, aldus de zienswijzennota. Daarin staat voorts dat zowel de huidige ontsluiting van de parallelweg op de Valutaboulevard als de extra afrit van de Valutaboulevard naar de parallelweg zodanig zijn vormgegeven dat deze passen binnen een duurzaam veilige inrichting. De voorziene extra ontsluiting op de Valutaboulevard in het noordwesten van het plangebied is zodanig vormgegeven dat het verkeer dat hiervan gebruik maakt zicht heeft op het verkeer op de parallelweg. Daarnaast ligt de voorziene extra ontsluiting op meer dan 100 meter afstand van rotonde 14 en kan deze alleen gebruikt worden voor verkeer van de Valutaboulevard naar de Ierse Pond, aldus de raad. Volgens hem wordt aldus de genoemde ontsluiting niet te dicht bij rotonde 14 voorzien.

De raad heeft zich onder verwijzing naar de zienswijzennota, de plantoelichting en het verkeersonderzoek op het standpunt gesteld dat voldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het extra verkeer als gevolg van verwezenlijking van het plan voor de afwikkeling van de rotonde. Weliswaar wordt in het verkeersonderzoek aangegeven dat in 2025 de rotonde gevoelig voor toenames in de verkeersstroom zal zijn, maar volgens de raad wordt desalniettemin dan nog steeds voldaan aan de normen voor een acceptabele verkeersafwikkeling. Daartoe wijst de raad erop dat uit het verkeersonderzoek blijkt dat het verkeer ter plaatse van het perceel zich verspreidt in noordelijke richting via de Valutaboulevard en in zuidelijke richting via de Euroweg.

Inzake de verwijzing van de belangenvereniging naar de rotonde ter plaatse van De Nieuwe Poort in Amersfoort, heeft de raad gesteld dat deze rotonde een diameter heeft die veel groter is dan die van rotonde 14 en in een stedelijke omgeving in de onmiddellijke nabijheid van grote publieksaantrekkende functies ligt. Al het verkeer dat ter plaatse de parkeervoorzieningen verlaat, wordt via deze rotonde afgewikkeld, hetgeen voor extra verkeersdruk zorgt. Nu voorts het verkeer van en naar het plangebied zich over verschillende aan- en afvoerwegen kan verdelen, is de genoemde rotonde niet vergelijkbaar met rotonde 14. Voor zover de belangenvereniging heeft gewezen op ongevallen op de Hanzeboulevard en de Laakboulevard, heeft de raad in zijn nader stuk en ter zitting toegelicht dat de gemeentelijke statistieken aangeven dat er sinds de aanleg van rotonde 14 in 2004 geen ongeval ter plaatse is geregistreerd.

De belangenvereniging heeft de reactie van de raad op hetgeen zij heeft aangevoerd onvoldoende met gegevens onderbouwd weerlegd. Hetgeen zij heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgenomen ontsluiting van het plangebied op rotonde 14 geen verkeersonveilige situatie voor fietsers en voetgangers met zich brengt.

Het betoog faalt.

Onderzoeksrapport flora en fauna

13. De belangenvereniging betoogt dat de raad onvoldoende actueel onderzoek heeft gedaan naar de aanwezige flora en fauna in en rondom het plangebied. Daartoe voert zij aan dat het rapport van het ten behoeve van het vorige plan uitgevoerde onderzoek door Bureau Viridis uit september 2012 ten onrechte aan het plan ten grondslag is gelegd, nu dit gedateerd is. Daarbij wijst de belangenvereniging op artikel 3.1.1a van het Bro.

13.1. Ingevolge artikel 3.3.1a van het Bro kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.

13.2. Anders dan de belangenvereniging lijkt te veronderstellen, staat artikel 3.3.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd.

De belangenvereniging heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksrapport zodanig is verouderd, dan wel zich na de totstandkoming van het onderzoeksrapport zodanige ontwikkelingen in het plangebied hebben voorgedaan dat de raad dit onderzoek niet in redelijkheid aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

14. Ten aanzien van het betoog van de belangenvereniging dat het plan niet uitvoerbaar is wegens het ontbreken van goedkeuring van het college van gedeputeerde staten in het kader van preventief begrotingstoezicht en dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling het volgende. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. In de plantoelichting staat dat het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht. Daartoe wordt erop gewezen dat de gronden in het plangebied eigendom zijn van de gemeente, de kosten van grondexploitatie worden verhaald door middel van grondverkoop en zowel de kosten als de opbrengsten zijn opgenomen in de grondexploitatie Vathorst bedrijventerrein. Weliswaar kent deze exploitatie sinds 1 januari 2014 een tekort, maar dit wordt gedekt door een bij de jaarrekening van 2013 getroffen voorziening, aldus de plantoelichting. De door de belangenvereniging naar voren gebrachte omstandigheid dat de gemeente geen goedkeuring heeft van het college van gedeputeerde staten van Utrecht in het kader van preventief begrotingstoezicht zoals bedoeld in artikel 203 van de Gemeentewet, wat daar ook van zij, biedt onder de genoemde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog faalt.

Plantoelichting

15. Ten aanzien van het betoog van ASR dat in de plantoelichting een onjuiste weergave van de vorige bestemming van het perceel is opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een plantoelichting. De plantoelichting maakt geen deel uit van het plan. Dit betekent dat geen juridisch bindende betekenis toekomt aan de plantoelichting en hetgeen daarin is opgenomen. Het betoog van ASR tegen de inhoud van de plantoelichting kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Relativiteit

16. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van toepassing is.

Conclusie en proceskosten

17. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

18. Ten aanzien van MAB en ASR bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.2, dient de raad ten aanzien van de belangenvereniging op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Tevens bestaat hierin aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan de belangenvereniging te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid MAB Development Nederland B.V. en ASR Dutch Prime Retail Custodian B.V. en van de vereniging Belangenvereniging Hooglanderveen voor zover gericht tegen artikel 3, lid 3.4 van de planregels, alsmede het beroep van de vereniging Belangenvereniging Hooglanderveen voor het overige voor zover niet gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Amersfoort tot vergoeding van bij de vereniging Belangenvereniging Hooglanderveen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Amersfoort aan de vereniging Belangenvereniging Hooglanderveen het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Baaren

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

579-823.