Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201505391/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3175, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft het college besloten tot invordering over te gaan van een verbeurde dwangsom van € 50.000,00 omdat niet tijdig is voldaan aan de last onder dwangsom tot het beëindigen van het exploiteren van een casino, dan wel speelautomatenhal, op het perceel Binderseind 21 te Helmond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505391/1/A1.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JVH Gaming B.V., gevestigd te Den Bosch,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juni 2015 in zaak nr. 14/2574 in het geding tussen:

JVH Gaming

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft het college besloten tot invordering over te gaan van een verbeurde dwangsom van € 50.000,00 omdat niet tijdig is voldaan aan de last onder dwangsom tot het beëindigen van het exploiteren van een casino, dan wel speelautomatenhal, op het perceel Binderseind 21 te Helmond.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het college het door JVH Gaming daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2015 heeft de rechtbank het door JVH Gaming daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft JVH Gaming hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2016, waar JVH Gaming, vertegenwoordigd door mr. S.M.J. van Groenendael, bijgestaan door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 8 juli 2013 heeft college JVH Gaming op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 gelast om vóór 9 september 2013 de exploitatie van een casino, dan wel speelautomatenhal, op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden.

JVH Gaming heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Dat besluit staat dan ook in rechte vast.

2. JVH Gaming betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was over te gaan tot invordering. Daartoe voert zij aan dat het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 20 januari 2014. Voorts voert zij aan dat het college niet bij haar tot invordering kon overgaan, omdat niet zij de overtreder was, maar JVH Gaming en Entertainment B.V. die de speelautomatenhal ter plaatse exploiteerde. Volgens JVH Gaming maakt het college misbruik van zijn bevoegdheid door bij haar dwangsommen in te voeren terwijl het college ermee bekend is dat JVH Gaming de speelautomatenhal niet exploiteerde. Tevens stelt JVH Gaming dat zij het niet in haar macht had om de overtreding te beëindigen.

2.1. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 januari 2014 ligt een controlerapport van 22 oktober 2013 ten grondslag. Bij die controle is geconstateerd dat de speelautomatenhal geopend was en dat er op dat moment 25 personen in het pand aanwezig waren die van de speelautomaten gebruik maakten. JVH Gaming heeft dit niet bestreden.

Bij brief van 2 december 2013 heeft het college JVH Gaming in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorgenomen besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang teneinde de exploitatie van een casino, dan wel speelautomatenhal, te beëindigen. In die brief is vermeld dat JVH Gaming tot 20 januari 2014 in de gelegenheid wordt gesteld de exploitatie te staken, waarna het college tot toepassing van bestuursdwang zal overgaan. Anders dan JVH Gaming betoogt, heeft het college met de brief van 2 december 2013 de bij het besluit van 8 juli 2013 gestelde begunstigingstermijn, verbonden aan de opgelegde last onder dwangsom, niet gewijzigd. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat op 22 oktober 2013 niet aan de last was voldaan en dat de dwangsom is verbeurd.

2.2. De betogen dat JVH Gaming en Entertainment overtreder was en dat JVH Gaming het niet in haar macht had om de overtreding te beëindigen, zijn gericht tegen de bij het besluit van 8 juli 2013 opgelegde last onder dwangsom. Daartegen heeft JVH Gaming zoals vermeld geen rechtsmiddelen aangewend en deze staat dan ook in rechte vast.

De rechtbank heeft, gelet op onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015 in zaak nr. 201501650/1/A1, terecht overwogen dat bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, waaronder de bevoegdheid tot het opleggen van die last, niet meer aan de orde kunnen komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit tot invordering misbruik van bevoegdheid oplevert.

Het betoog faalt.

3. JVH Gaming betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die het college aanleiding hadden moeten geven om van de invordering af te zien. Daartoe voert zij aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot het aanschrijven van de juiste rechtspersoon. Voorts had het college, gelet op de brief van 2 december 2013, er kennelijk geen belang bij direct bestuursdwang toe te passen in verband met de aanstaande verplaatsing van de speelautomatenhal naar een andere locatie.

3.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201301106/1/A1), bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. De rechtbank heeft dergelijke bijzondere omstandigheden terecht niet aanwezig geacht. Dat het college nadat de last onder dwangsom van 8 juli 2013 was uitgewerkt, voornemens was een last onder bestuursdwang op te leggen, is geen omstandigheid die maakt dat het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. De verplaatsing van de speelautomatenhal en de voorgeschiedenis daarvan, zijn evenmin dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat, zoals JVH Gaming ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, regelmatig overleg met het college is gevoerd, maakt het besluit om tot invordering over te gaan niet reeds daarom onredelijk. Verder kan hetgeen JVH Gaming heeft aangevoerd over de wijze van aanschrijving van de verschillende rechtspersonen niet meer aan de orde komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking, zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

672.