Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201505104/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4332, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]) vanwege het plaatsen van betonblokken op het perceel kadastraal bekend Haelen, sectie B, nr. 2091 (hierna: perceel B2091) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505104/1/A1.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], gevestigd te Haelen, gemeente Leudal, en [appellant B], wonend te Haelen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 20 mei 2015 in zaak nrs. 15/960 en 15/874 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]) vanwege het plaatsen van betonblokken op het perceel kadastraal bekend Haelen, sectie B, nr. 2091 (hierna: perceel B2091) afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het college naar aanleiding van het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar [appellante] gelast de op perceel B2091 zonder vergunning geplaatste legio betonblokken te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 7.500,00 ineens.

Bij uitspraak van 20 mei 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [verzoeker] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en ing. M.G. Rosenbrand, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Janssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [verzoeker] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bedrijf van [verzoeker] richt zich op recycling van ijzer en metaal en is gevestigd aan de [locatie 1] te Haelen. Het bedrijf van [appellante] is daarnaast gevestigd, op het adres [locatie 2]. Het bedrijf van [appellante] richt zich ook op de recycling van ijzer en metaal. Op de weg waarmee de bedrijven van [verzoeker] en [appellante] zijn ontsloten, bevindt zich een keerlus waar het verkeer kan keren. Op de keerlus, die deels is gelegen op het aan [appellante] toebehorende perceel B2091, is door [appellante] of in zijn opdracht een rij van op enige afstand van elkaar staande series van stapelbare zogeheten legio betonblokken, niet hoger dan 1 m, geplaatst. [verzoeker] stelt dat hij zijn terrein nagenoeg niet kan bereiken, omdat de keerlus niet meer de vereiste diameter van 27,5 m heeft die nodig is om te kunnen keren, waardoor hij in zijn bedrijfsvoering wordt geschaad. In het verleden is aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd om een op de keerlus geplaatst hekwerk en containers te verwijderen en verwijderd te houden. Het hekwerk en de containers zijn vervolgens verwijderd, maar door de betonblokken is hetzelfde effect gecreëerd. Het college heeft [appellante] bij het besluit van 16 maart 2015 gelast de zonder vergunning geplaatste legio betonblokken te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 7.500,00 ineens, wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onderdelen a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [appellante] stelt zich op het standpunt dat de betonblokken rechtmatig zijn geplaatst ter afscheiding van zijn perceel.

Het wettelijk kader

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijfslocaties Jagersweg te Haelen" heeft het deel van het perceel waarop de betonblokken zijn gelegen de bestemming "Verkeer 2".

Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn de als "Verkeer 2" aangegeven gronden bestemd voor onder meer verkeersdoeleinden en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 4.2 zijn op deze gronden onder meer bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen en bovengrondse parkeervoorzieningen toegelaten.

Ingevolge artikel 4.3 mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid van het verkeer, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 8 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 12, onder a, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits niet hoger dan 1 m.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder "erf" verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

De beoordeling van het hoger beroep

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd is over te gaan tot handhavend optreden ten aanzien van de betonblokken. Daartoe voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor het plaatsen van de betonblokken geen omgevingsvergunning is vereist. In dat verband stelt hij dat de betonblokken niet als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden aangemerkt. Voor zover de betonblokken als bouwwerken moeten worden beschouwd, voert [appellante] aan dat deze vergunningvrij konden worden geplaatst, gelet op het bepaalde in artikel 2, onderdeel 12, van bijlage II bij het Bor.

3.1. In de jurisprudentie over het begrip "bouwwerk" in de Woningwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wabo, is bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk", omdat dit in de Woningwet niet is omschreven en in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 september 2012 in zaak nr. 201112262/1/A1), is het begrip bouwwerk ook in de Wabo niet omschreven, maar ziet de Afdeling aanleiding om voor de uitleg van het begrip "bouwwerk" in de Wabo eveneens aansluiting te zoeken bij de hiervoor weergegeven definitie uit de modelbouwverordening.

3.2. De rechtbank heeft de betonblokken op het perceel terecht aangemerkt als bouwwerken. Daartoe heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de betonblokken direct steun vinden op de grond en bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren. De betonblokken zijn geplaatst met als kennelijk doel om deze daar voor langere tijd op dezelfde plek te laten staan. Voorts kan de rij betonblokken worden aangemerkt als een constructie van enige omvang. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat sprake is van bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

3.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de betonblokken niet kunnen worden aangemerkt als een erfafscheiding, aangezien ter plaatse geen erf aanwezig is, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, omdat de grond waarop de betonblokken zich bevinden niet direct bij een hoofdgebouw is gelegen.

3.4. De rechtbank heeft evenwel ten onrechte overwogen dat de betonblokken niet kunnen worden aangemerkt als een perceelafscheiding die ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 12, onder a, van bijlage II van het Bor zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo kan worden opgericht. Ter zitting van de Afdeling is de feitelijke situatie ter plaatse door partijen toegelicht. Gebleken is dat de langwerpige betonblokken per ongeveer vijf stuks naast elkaar zijn gelegen, met enige tussenruimte tot de opvolgende serie betonblokken. Het college heeft ter zitting van de Afdeling onweersproken gesteld dat de locatie van de betonblokken ongeveer overeenkomt met de grens van perceel B2091. Ter zitting is voorts gebleken dat het doel van de betonblokken is om een deel van dat perceel af te grenzen. Aangezien de betonblokken aan de rand van perceel B2091 zijn geplaatst en daar fungeren als afscheiding om te voorkomen dat derden van perceel B2091 gebruik maken, is de Afdeling van de oordeel dat de betonblokken in hun samenhang feitelijk een perceelafscheiding vormen. Nu de betonblokken niet hoger zijn dan 1 m, leidt dit de Afdeling tot de conclusie dat het college niet bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden wegens strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wabo. Dat de desbetreffende gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden kan daaraan niet afdoen.

Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 maart 2015 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2015. Tegen dat nieuwe besluit kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

5. De conclusie van hetgeen onder 4 is overwogen, is dat het college niet bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wabo. Het college dient bij het nemen van een nieuw besluit op het door [verzoeker] tegen het besluit van 21 januari 2015 gemaakte bezwaar te onderzoeken of grond bestaat over te gaan tot handhavend optreden wegens het plaatsen van legio betonblokken op perceel B2091 dan wel het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 20 mei 2015 in zaak nr. 15/960;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leudal van 16 maart 2015, kenmerk LE2015UIT/1490;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Leudal op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leudal tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Leudal aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 828,00 (zegge: achthonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

672.