Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201505033/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:2917, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2016/36
JB 2016/116 met annotatie van C.N.J. Kortmann
JIN 2016/161 met annotatie van C.N.J. Kortmann
JOM 2016/1015
JOM 2016/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505033/1/A2.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amstelveen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2015 in zaak nr. 14/7020 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2016, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. X. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy, advocaat te Breda, vergezeld door mr. E.N. Schotburg en E. Bakker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is drs. G. Rooijackers, werkzaam bij de Sman Business Value, van de zijde van [appellant] als deskundige verschenen

Overwegingen

1. In dit geding is in geschil of [appellant] schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming in verband met een bouwplan.

procesverloop in de bouwprocedure

2. [appellant] is architect. Op 24 augustus 2010 heeft hij het perceel met opstallen aan de [locatie] te Amstelveen (hierna: het perceel) gekocht om daarop, na sloop van de bestaande opstallen, twee woningen te realiseren. De ene woning was bestemd voor bewoning door [appellant] zelf en de andere voor de verkoop. Bij overeenkomst van 1 maart 2011 heeft [appellant] de helft van het nog te bouwen woonhuis voor € 1.950.000,00 aan [persoon] verkocht. In artikel 16 van de overeenkomst is bepaald dat de overeenkomst door de koper kan worden ontbonden indien uiterlijk op 1 oktober 2011 niet met de bouw is aangevangen, dat het slaan van de eerste paal als feitelijke start van de bouw wordt gezien en dat de verkoper het uiterlijk op 1 oktober 2011 aan de koper zal laten weten als deze datum niet haalbaar is.

3. Op 9 december 2010 heeft [appellant] bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het perceel, waarvan de hoofdingang bereikbaar is via een trap. Op 17 februari 2011 heeft [appellant], na overleg met de gemeente en de welstandscommissie, een gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het perceel, waarbij de trap naar de hoofdingang is vervangen door een ophoging van de grond bij de voordeur.

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft het college de gewijzigde aanvraag afgewezen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het te realiseren bouwplan gemeten vanaf het peil hoger is dan de ingevolge de bestemmingsplanvoorschriften toegestane bouwhoogte en dat het bouwplan voorts in strijd is met verscheidene bepalingen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening en met de redelijke eisen van welstand. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college nogmaals geweigerd omgevingsvergunning te verlenen na wijziging van de motivering en bepaald dat dit besluit in de plaats treedt van het besluit van 16 maart 2011.

Bij besluit van 18 juli 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 29 april 2011 in stand gelaten, in die zin dat de weigering van de omgevingsvergunning is gebaseerd op strijd met het geldende bestemmingsplan. Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het college het besluit van 18 juli 2011 gewijzigd.

Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 18 juli en 5 oktober 2011 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat omgevingsvergunning ten onrechte is geweigerd op de grond dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge de bestemmingsplanvoorschriften toegestane bouwhoogte.

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar, dit bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 april 2011 in stand gelaten. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de voorziene entreeportalen groter zijn dan het maximum van 5 m2 en het entreeportaal aan de linkerzijde hoger is dan de eerste bouwlaag. Daarnaast zijn de voorziene kelders gedeeltelijk onder de gronden met de bestemming "Tuinen" gelegen, terwijl kelders, indien op de plankaart gronden bij de woningen als "te bebouwen erven" zijn aangeduid, slechts zijn toegestaan onder het bouwvlak van een woning of onder de bij een woning behorende voor bebouwing in aanmerking komende erven.

Bij uitspraak van 14 november 2012 in zaak nr. 201201382/1/A1 heeft de Afdeling het door het college tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2011 ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, die uitspraak bevestigd en het beroep van [appellant] tegen het besluit van 6 februari 2012 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan wat de kelders betreft in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften.

4. Op 15 november 2012 heeft [appellant] een gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een dubbel woonhuis met bijgebouw op het perceel. Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college de aanvraag ingewilligd en omgevingsvergunning verleend. Op 11 juli 2013 is met de bouw aangevangen.

verzoek om schadevergoeding

5. Bij brief van 30 januari 2014 heeft [appellant] het college verzocht om vergoeding van de ten gevolge van de onjuiste motivering van het besluit van 16 maart 2011 geleden schade van € 474.284,00 wegens vertraging bij de realisering van het bouwplan en de verkoop van de helft van het woonhuis. Indien het college meteen te kennen had gegeven dat het bouwplan op het onderdeel van de kelders in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften, zou hij eerder in staat zijn geweest om het bouwplan aan te passen, zodat tijdig met de bouw van het woonhuis kon worden aangevangen en [persoon] de overeenkomst niet had ontbonden. In dit verband wijst hij op het geringe tijdsverloop tussen de gewijzigde aanvraag van 15 november 2012 en het positieve besluit van 7 februari 2013. Volgens [appellant] bestaat de schade uit extra financieringskosten, gederfde verkoopopbrengst van de helft van het woonhuis, kosten van juridische bijstand, meerwerk als gevolg van de vertraging, dubbele woonlasten, parkeerkosten en kosten van eigen tijdsbesteding.

standpunt van het college

6. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om schadevergoeding heeft het college ten grondslag gelegd dat de door [appellant] gestelde schade niet het gevolg van het besluit van 16 maart 2011 is, omdat het college, gelet op het besluit van 6 februari 2012, ten tijde van het nemen van het rechtens onjuist bevonden besluit van 16 maart 2011 een rechtmatig besluit had kunnen nemen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Daartoe heeft het college uiteengezet dat [appellant] na kennisneming van de voor hem ongunstige besluiten geen gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend en in alle gevallen rechtsmiddelen heeft aangewend. Volgens het college ligt het daarom in de rede dat [appellant] in de hypothetische situatie, waarin het college op 16 maart 2011 een rechtmatig besluit had genomen door de aanvraag om omgevingsvergunning af te wijzen op de grond dat het bouwplan op het onderdeel van de kelders in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften, tegen de afwijzing bezwaar had gemaakt, tegen de ongegrondverklaring van dat bezwaar beroep bij de rechtbank had ingesteld en tegen de ongegrondverklaring van dat beroep hoger beroep bij de Afdeling had ingesteld, alvorens een gewijzigde aanvraag in te dienen, na kennisneming van de voor hem ongunstige uitspraak van de Afdeling. Voor het bepalen van het tijdsverloop in de hypothetische situatie heeft het college aansluiting gezocht bij de feitelijke gang van zaken. Daaruit heeft het college de conclusie getrokken dat omgevingsvergunning na 1 oktober 2011 zou zijn verleend. Verder heeft het college vastgesteld dat de bouw van het woonhuis in werkelijkheid vijf maanden na de verlening van omgevingsvergunning is aangevangen. Volgens het college dient het ervoor te worden gehouden dat [appellant] in de hypothetische situatie dezelfde voorbereidingstijd nodig zou hebben gehad.

Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden.

oordeel van de rechtbank

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor schadevergoeding vereiste oorzakelijk verband tussen het besluit van 16 maart 2011 en de gestelde schade ontbreekt. In hoger beroep is in geschil of dit oordeel juist is en het verzoek reeds daarom terecht is afgewezen.

oorzakelijk verband

8. Vaststaat dat het besluit van 16 maart 2011 rechtens onjuist is en dat dit voor het college de verplichting met zich kan brengen om de door [appellant] ten gevolge van dat besluit geleden schade te vergoeden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de schade in een zodanig verband tot dat besluit staat, dat zij aan het college, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Dat is niet het geval, indien ten tijde van het nemen van het rechtens onjuiste besluit een rechtmatig besluit kon worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad.

9. Indien een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een rechtens onjuist bevonden besluit wordt gedaan, is het aan het bestuursorgaan dat dat besluit heeft genomen, om aannemelijk te maken dat ten tijde van het nemen van dat besluit ook een rechtmatig besluit kon worden genomen. Dat later, zonder dat de daarvoor in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden zijn gewijzigd, een besluit is genomen dat niet is vernietigd, maakt in beginsel aannemelijk dat een rechtmatig besluit kon worden genomen.

beoordeling van de hogerberoepsgronden

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, indien het college op 16 maart 2011 een rechtmatig besluit had genomen door omgevingsvergunning te weigeren op de grond dat het bouwplan op het onderdeel van de kelders in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften, dit besluit naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Daartoe voert hij aan dat in het hypothetische geval waarin het besluit van 16 maart 2011 slechts op deze weigeringsgrond had berust, hij het bouwplan onmiddellijk zou hebben aangepast en het college alsnog omgevingsvergunning zou hebben verleend, zodat vóór 1 oktober 2011 met de bouw was begonnen en de koopovereenkomst niet was ontbonden.

10.1. Dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 maart 2011, als gewijzigd bij het besluit van 29 april 2011, en beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2011, als gewijzigd bij het besluit van 5 oktober 2011, betekent niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet aannemelijk is dat hij zich bij het besluit van 16 maart 2011 zou hebben neergelegd en een nieuwe aanvraag met een aangepast bouwplan zou hebben ingediend, indien dat besluit slechts had berust op de grond dat het bouwplan op het onderdeel van de kelders in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften.

Integendeel, nu dit gebrek ziet op een aspect van ondergeschikte betekenis van het bouwplan, lag het veeleer in de lijn der verwachtingen dat [appellant], als redelijk denkend en handelend aanvrager en ontwikkelaar van het project, zo spoedig mogelijk een nieuwe aanvraag met een aangepast bouwplan had ingediend, in plaats van over dat aspect te procederen en daardoor het risico te nemen dat het college niet of niet tijdig omgevingsvergunning verleent en de koper de overeenkomst ontbindt. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt ook dat [appellant] in staat was het bouwplan op korte termijn aan te passen. [appellant] heeft met de in hoger beroep overgelegde verklaring van 22 juni 2015 aannemelijk gemaakt dat [persoon] tegen het aangepaste bouwplan geen bezwaar zou hebben gehad. Derhalve dient het ervoor te worden gehouden dat, rekening houdend met de wettelijke beslistermijn, tijdig omgevingsvergunning zou zijn verleend, indien het besluit van 16 maart 2011 slechts had berust op de grond dat het bouwplan op het onderdeel van de kelders in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften. [appellant] heeft voorts aannemelijk gemaakt dat hij, als redelijk denkend en handelend vergunninghouder, vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2011 met de bouw van het woonhuis zou zijn aangevangen en dat hij zich daarvan niet had laten weerhouden, indien omwonenden tegen de verleende omgevingsvergunning bezwaar hadden gemaakt. In dat geval had [persoon] geen beroep kunnen doen op de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst.

De conclusie is dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het, ten tijde van het nemen van het rechtens onjuist bevonden besluit van 16 maart 2011, ook een rechtmatig besluit had kunnen nemen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad.

Het betoog slaagt.

eerste tussenconclusie

11. Uit de bespreking van de hogerberoepsgronden volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voor schadevergoeding vereiste oorzakelijk verband tussen het besluit van 16 maart 2011 en de door [appellant] gestelde schade ontbreekt. Dat betekent echter nog niet dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. In het besluit van 16 september 2014, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie, heeft het college zich immers tevens op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. De Afdeling zal hierna aan de hand van de daartegen door [appellant] aangevoerde beroepsgronden beoordelen of dat standpunt juist is. Indien dat het geval is, is het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen, zodat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

12. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de koopovereenkomst niet was ontbonden, hij een deel van de financieringskosten van het nog te bouwen woonhuis niet had gemaakt, omdat hij met de ontvangen koopsom voor de woning van € 1.950.000,00 een deel van de lening had kunnen aflossen, zodat hij over dat deel geen rente meer had hoeven betalen. Verder wijst hij op het verschil tussen die koopsom en de meest recente taxatiewaarde van die woning van € 1.750.000,00.

Uit het besluit van 16 september 2014, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie, valt af te leiden dat het college vergoeding van deze schadeposten heeft geweigerd op de grond dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen deze schadeposten en het rechtens onjuist bevonden besluit van 16 maart 2011. Volgens het college is niet aannemelijk dat de eerste paal van het woonhuis uiterlijk op 1 oktober 2011 zou zijn geslagen, indien het college op 16 maart 2011 een rechtmatig besluit zou hebben genomen, zodat deze schadeposten ook bij een rechtmatig besluit zouden zijn opgekomen.

13. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10.1 is overwogen, betoogt [appellant] in beroep terecht dat het college niet heeft onderkend dat vergoeding van het grootste deel van de gestelde schade, bestaande uit de extra financieringskosten en gederfde verkoopopbrengst van de helft van het woonhuis, niet kan worden geweigerd op de grond dat die schade geen gevolg is van het rechtens onjuist bevonden besluit van 16 maart 2011.

tweede tussenconclusie

14. Het college heeft in het besluit van 16 september 2014, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie, onvoldoende gemotiveerd dat [appellant] geen schade heeft geleden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

slotsom

15. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 16 september 2014 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college met inachtneming van de overwegingen van de uitspraak van de Afdeling opnieuw op het door [appellant] tegen het besluit van 19 maart 2014 gemaakte bezwaar dient te beslissen. Daartoe dient het college na te gaan of en zo ja, in hoeverre schadevergoeding kan worden toegekend in verband met extra financieringskosten, gederfde verkoopopbrengst van de helft van het woonhuis en de overige door [appellant] in diens verzoekschrift en bezwaarschrift gestelde schadeposten.

16. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

17. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2015 in zaak nr. 14/7020;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 16 september 2014;

V. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.050,40 (zegge: tweeduizend vijftig euro en veertig cent), waarvan € 1.984,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

452.