Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201505776/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2015 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeer voor zes te bouwen woningen aan de Vrachelsestraat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505776/1/R2.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout (hierna: vereniging Den Hout), gevestigd te Den Hout, gemeente Oosterhout, appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeer voor zes te bouwen woningen aan de Vrachelsestraat.

Tegen dit besluit heeft vereniging Den Hout beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2016, waar vereniging Den Hout, vertegenwoordigd door A. Eland en A. Jongevos, en de raad, vertegenwoordigd door ing. S.B. Snoeren en ing. R.K. Janssen, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door S.P.E. van der Zon, zijn verschenen.

Verder is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lithos Bouw en Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 26 mei 2015 heeft de raad van de gemeente Oosterhout het bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout, herziening IV (Vrachelsestraat-Molenakker)" vastgesteld. In verband met dit besluit heeft het college hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld voor zes van de met dit plan mogelijk gemaakte woningen aan de Vrachelsestraat.

2. Vereniging Den Hout voert aan dat de in het bestemmingsplan voorziene woningen een forse geluidsbelasting zullen ondervinden. Zij stelt dat door de nieuwe woningen meer naar achteren te situeren en een kleiner aantal woningen met een kleiner bouwvolume te realiseren, de geluidsbelasting op deze woningen kan worden beperkt. Voorts betwist vereniging Den Hout het standpunt van het college dat de kosten van een aanpassing van het wegdek met het oog op geluidsreductie niet in verhouding staan tot de te bouwen woningen.

Verder zullen deze woningen door reflectie leiden tot een toename van de geluidsbelasting op de bestaande woningen in de omgeving. Volgens de vereniging Den Hout is verzuimd om deze impact van de woningen op de bestaande omgeving bij het akoestische onderzoek te betrekken.

2.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

2.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

2.3. Afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wgh bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidsbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

De regeling in artikel 83 van de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidsbelasting na het zo mogelijk treffen van maatregelen bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Het doel van vereniging Den Hout is het behartigen van de belangen van haar leden inzake hun woonomgeving. Niet is gebleken dat de vereniging beoogt op te komen voor de belangen van personen met concrete interesse in de koop en/of bewoning van de te bouwen woningen. Zij verzet zich immers tegen de komst van die woningen. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van vereniging Den Hout. Hetgeen zij heeft aangevoerd over de bij die woningen optredende geluidsbelasting kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen zij daarover heeft aangevoerd.

2.4. Voor zover vereniging Den Hout aanvoert dat de geluidsbelasting op de bestaande woningen als gevolg van de geluidsreflectie door de nieuwe woningen onaanvaardbaar is, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van heden in zaak nr. 201505775/1/R2 over het bestemmingsplan. In deze uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat vereniging Den Hout niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geluidsbelasting op de bestaande woningen als gevolg van geluidsreflectie onaanvaardbaar zal zijn. Het betoog faalt.

2.5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Lap

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

288-656.