Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
201505766/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Brandevoort II - Liverdonk Oost I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505766/1/R2.

Datum uitspraak: 20 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Brandevoort II - Liverdonk Oost I" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, A.A. van Empel en drs. F. Dijker, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Brandevoort II", dat door de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201003049/1/R3 in rechte onaantastbaar is geworden. In het bestemmingsplan is aan de gronden in het uit te werken gebied de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", op de plankaart nader aangeduid als "Liverdonk", toegekend. Voorts is in het bestemmingsplan aan de strook grond aan de zuidzijde van het plangebied de dubbelbestemming "Bovengrondse hoogspanningsleidingen" toegekend.

Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van woningen. Aan de gronden in het uitwerkingsplan zijn de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. Aan de gronden aan de zuidzijde van het plangebied is de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" toegekend.

2. [appellant] woont aan de [locatie] in [woonplaats], direct ten zuidwesten van het plangebied. Hij is het niet eens met het uitwerkingsplan en vreest met name voor wateroverlast op zijn perceel.

Formeel

3. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat het college ook niet op een andere manier met hem heeft overlegd over de vaststelling van het plan.

3.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpuitwerkingsplan maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening neergelegde uitwerkingsplanprocedure. Het niet, onvoldoende of op onjuiste wijze bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

Waterhuishouding

4. [appellant] vreest wateroverlast te zullen ondervinden ten gevolge van de in het plan voorziene bouwmogelijkheden. Bij regenval zal het water ter hoogte van het perceel van [appellant] via een duiker worden afgevoerd. Deze duiker zal de regenval volgens hem niet volledig kunnen opvangen, omdat hij geen riool of sloot bij zijn perceel heeft. Hij vreest dat zijn erf en perceel onder water zullen lopen. [appellant] stelt dat waterschap De Dommel heeft bevestigd dat in de huidige situatie een deel van de percelen in het plangebied afwatert in de richting van het stroomgebied van de Dommel, waar zijn perceel ligt. [appellant] stelt verder dat het stroomgebied niet goed staat weergegeven op de kaart die bij de nota van zienswijzen is gevoegd.

4.1. Onder meer aan een strook van ongeveer 93 m breed en 530 m lang ten zuiden van het plangebied is de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor waterpartijen en waterinfiltratie.

4.2. In de plantoelichting is een beschrijving opgenomen van de wijze waarop met de gevolgen voor de waterhuishouding rekening is gehouden. Hierin staat dat het plan hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd. Ter zitting heeft het college toegelicht op welke wijze dit mogelijk is. Het retentiegebied komt te liggen ter plaatse van de hiervoor, onder 4.1, beschreven strook grond met de bestemming "Groen", tussen het perceel van [appellant] en het westelijke deel van het plangebied. In dit retentiegebied, zo heeft het college ter zitting toegelicht, kan al het hemelwater uit het plangebied worden opgevangen. Tussen het perceel van [appellant] en het westelijke deel van het plangebied ligt een waterscheiding. Deze ligt weliswaar lager dan het westelijke deel van het plangebied en hoger dan het perceel van [appellant], maar omdat het retentiegebied lager komt te liggen dan al deze gronden, zal het plangebied altijd in oostelijke richting naar het retentiegebied afwateren. De bij het perceel van [appellant] aanwezige duiker zal dan ook niet extra worden belast ten gevolge van het plan. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht de gronden in het plangebied in eigendom te hebben en deze bouwrijp te moeten opleveren en dat daaronder ook wordt begrepen het geschikt maken van de gronden voor voldoende afwatering. Over de kaart die bij de nota van zienswijzen is gevoegd heeft het college toegelicht dat hierop de werkgebieden van waterschap De Maas en waterschap De Dommel staan weergegeven. Deze kaart bevat geen weergave van de stroomrichtingen.

Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat het hemelwater van het plangebied niet via het perceel van [appellant] en de daar gelegen duiker zal worden afgevoerd. Gelet hierop is niet aannemelijk dat het uitwerkingsplan leidt tot wateroverlast op het perceel van [appellant]. Het betoog faalt.

Hoogspanningsverbinding

5. [appellant] betoogt dat de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" aan een te smalle strook grond is toegekend. In het bestemmingsplan is volgens hem een bredere strook opgenomen. Verder is op de kaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) een nog bredere magneetveldzone opgenomen voor de aanwezige hoogspanningsverbinding. [appellant] voert aan dat de 150 kV hoogspanningsleiding ten onrechte is samengevoegd met de 380 kV hoogspanningsleiding. Daarnaast voert hij aan dat ten onrechte geen maximaal vermogen voor de hoogspanningsleiding is opgenomen in het plan en dat ten onrechte geen beperking is gesteld aan de mogelijke verhoging van het aantal kV. Volgens [appellant] ligt zijn woning binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla. Dit leidt volgens hem tot gezondheidsrisico's voor zijn gezin. Verder betoogt [appellant] dat de hoogspanningsverbinding leidt tot gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied.

5.1. De Afdeling stelt vast dat de dubbelbestemming "Bovengrondse hoogspanningsleidingen" in het bestemmingsplan aan een strook grond van ongeveer 72 m breed is toegekend. Verder stelt de Afdeling vast dat de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" in het uitwerkingsplan aan een strook grond van ongeveer 72 m breed is toegekend. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

5.2. De Afdeling stelt voorts vast dat het uitwerkingsplan wat betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" overeenkomt met het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" dat aan de orde was in haar uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201306011/1/R3. De gronden die [appellant] thans aanvoert tegen dit plandeel komen overeen met hetgeen hij in die procedure tegen de voorziene hoogspanningsleiding had aangevoerd. Hierover heeft de Afdeling in genoemde uitspraak van 2 april 2014 overwogen:

"Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 februari 2012 in zaak nr. 201103503/1/R3) is een bundeling van de 150 kV hoogspanningsleiding met de 380 kV hoogspanningsleiding in de omgeving van de woning van [appellant] planologisch reeds mogelijk op basis van het bestemmingsplan "Brandevoort II", nu aan de gronden waarop de hoogspanningsleiding staat in dat plan de dubbelbestemming "Bovengrondse hoogspanningsleidingen" is toegekend, zonder dat een beperking was opgenomen met betrekking tot de verhoging van het aantal kV. In het uitwerkingsplan wordt in zoverre geen uitbreiding van de thans al samengevoegde hoogspanningsleiding mogelijk gemaakt ten opzichte van hetgeen in dat opzicht mogelijk was in het bestemmingsplan "Brandevoort II".

De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant] strekt tot het wederom beoordelen van de aanvaardbaarheid van de locatie waar de hoogspanningsleiding is voorzien alsmede de mogelijkheid om de 150 kV hoogspanningsleiding te bundelen met de 380 kV hoogspanningsleiding. De aanvaardbaarheid hiervan moet worden geacht bij de goedkeuring van het bestemmingsplan "Brandevoort II", welk plan onherroepelijk is, te zijn afgewogen. Hoewel aan het college de bevoegdheid was toegekend om ter plaatse van de gronden met de dubbelbestemming "Bovengrondse hoogspanningsleidingen" de onderliggende bestemming "Groendoeleinden, ecologische ontwikkeling en waterhuishouding" uit te werken en deze dubbelbestemming op te nemen, was wat de hoogspanningsleiding betreft geen bevoegdheid toegekend om een wijziging in de dubbelbestemming aan te brengen en was het college gehouden om in zoverre bij het bestemmingsplan "Brandevoort II" aan te sluiten. Gelet hierop beschikte het college niet over de bevoegdheid om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de hoogspanningsleiding opnieuw te beoordelen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" heeft toegekend aan de strook grond aan de zuidzijde van het plangebied, nu dit wat de locatie en het toegestane aantal kV betreft overeen komt met de dubbelbestemming "Bovengrondse hoogspanningsleidingen" in het bestemmingsplan "Brandevoort II".

Het betoog faalt.

5.3. Ook thans strekt het betoog van [appellant] tot het wederom beoordelen van de aanvaardbaarheid van de locatie waar de hoogspanningsleiding is voorzien alsmede de mogelijkheid om de 150 kV hoogspanningsleiding te bundelen met de 380 kV hoogspanningsleiding. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in genoemde uitspraak van 2 april 2014. De omstandigheid dat op de Netkaart van het RIVM een bredere indicatieve zone is opgenomen voor de hoogspanningsverbinding schept voor het college niet de bevoegdheid om de strook grond met de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" te verbreden ten opzichte van het bestemmingsplan. Voorts strekt het betoog tot een beoordeling van het niet opnemen in het uitwerkingsplan van een beperking van het aantal kV. Zoals de Afdeling in genoemde uitspraak van 2 april 2014 heeft geoordeeld, bevat het uitwerkingsplan in zoverre geen uitbreiding van de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het college was niet bevoegd deze mogelijkheden in het uitwerkingsplan te beperken. Het betoog faalt.

Uitwerking

6. [appellant] betoogt dat het plan onvoldoende is uitgewerkt. Hij voert hiertoe aan dat onduidelijk is wat de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan zijn, onduidelijk is waar de ontsluiting van de woningen plaatsvindt, de hoogspanningsverbinding niet met de juiste magneetveldzone van 0,4 microtesla is weergegeven en niet duidelijk is wat de maximale stroomdoorvoer van de hoogspanningsverbinding is. Verder wijst hij erop dat niet duidelijk is waar precies recreatie of ecologie is toegestaan in het plan, omdat beide in het plandeel met de bestemming "Groen" zijn toegestaan.

6.1. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 4.2, is overwogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan zijn. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor, onder 5.2 en 5.3 is overwogen, overweegt de Afdeling dat het college niet bevoegd was om bij de vaststelling van het plan de strook grond met de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" te verbreden ten opzichte van het bestemmingsplan. Het college was evenmin bevoegd een maximale stroomdoorvoer op te nemen in de planregels. Voorts staat in paragraaf 3.5 van de plantoelichting beschreven hoe het plangebied wordt ontsloten. [appellant] heeft niet concreet gemaakt waarom deze beschrijving onduidelijk of onvolledig is.

Over het plandeel met de bestemming "Groen" heeft [appellant] ter zitting naar voren gebracht dat hij wil weten of en waar speelvoorzieningen en uitlaatstroken worden gerealiseerd omdat hij vreest voor overlast. De Afdeling overweegt dat een exacte invulling van het plandeel met de bestemming "Groen" bij de vaststelling van het uitwerkingsplan gelet op de aard en omvang van de toegelaten functies niet is vereist.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

Afsluiting Broekstraat

7. [appellant] betoogt dat in het plan ten onrechte de Broekstraat voor autoverkeer wordt afgesloten. Hij voert aan dat de bereikbaarheid van de modevakschool van [persoon] aan de [locatie] zal verslechteren. Het verkeer van en naar dit bedrijf zal ten gevolge van het plan moeten omrijden en dit leidt volgens [appellant] tot schadelijke gevolgen voor de modevakschool. Volgens hem is onduidelijk op welke wijze en op welke locatie de Broekstraat zal worden afgesloten.

7.1. De Afdeling stelt voorop dat het al dan niet openbare karakter van wegen niet wordt geregeld in een uitwerkingsplan, maar primair in de artikelen 4 en volgende van de Wegenwet. Het plan staat niet in de weg aan het gebruik van de Broekstraat ten behoeve van autoverkeer. Ter zitting heeft het college toegelicht dat nog geen verkeersbesluit is genomen over het openbare karakter van de Broekstraat. Wanneer een dergelijk besluit wordt genomen, kan [appellant] daartegen rechtsmiddelen aanwenden. Het betoog faalt.

Verwijzing naar zienswijze

8. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Slotoverwegingen

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016

653.