Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201507716/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507716/1/V1.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2015 en haar uitspraak van 10 september 2015, beide in zaak nr. 14/7389 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij mondelinge tussenuitspraak van 7 juli 2015 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit klevend gebrek te herstellen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 19 augustus 2015 heeft de staatssecretaris in een aanvullend verweerschrift op deze tussenuitspraak gereageerd.

Bij uitspraak van 10 september 2015 heeft de rechtbank het tegen het besluit door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen voormelde uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2016, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.M. de Wit, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. E.M.M. Wantenaar, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling, die de Surinaamse nationaliteit heeft en is geboren in 1936, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft wegens haar gezondheidstoestand.

De vreemdeling krijgt in Nederland mantelzorg. Al haar kinderen verblijven in Nederland; vijf kinderen hebben rechtmatig verblijf en één niet (hierna: de dochter). Het geschil gaat erover of volgens het in paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, over mantelzorg neergelegde beleid (hierna: het beleid) bij de beoordeling van de vraag of medische behandeling in het land van herkomst van een vreemdeling kan plaatsvinden, door de staatssecretaris rekening moet worden gehouden met de voor die vreemdeling benodigde hoeveelheid mantelzorg.

2. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van een vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

2.1. Volgens het beleid blijft uitzetting krachtens artikel 64 van de Vw 2000 achterwege als het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) aangeeft dat sprake is van de volgende situatie:

2.a. de stopzetting van de medische behandeling doet een medische noodsituatie ontstaan; en

b. de medische behandeling van de medische klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst.

Ter toelichting op punt 2.b. is vermeld dat de staatssecretaris concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst kan plaatsvinden als uit een BMA-advies blijkt dat:

- de vreemdeling een medische behandeling ondergaat;

- mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van deze behandeling; en

- sprake is van een medische noodsituatie; en de vreemdeling aantoont, voor zover thans van belang, dat:

- gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen; en

- in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen.

Voorts is vermeld dat de staatssecretaris onder mantelzorg verstaat de vanwege de aard van de medische aandoening noodzakelijke verzorging van de vreemdeling door derden. Deze derden behoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele (thuis)zorg is geen mantelzorg. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling. De staatssecretaris kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst. De staatssecretaris is niet verplicht om onderzoek te doen naar niet of onvoldoende onderbouwde stellingen.

Volgens paragraaf B8/9.1.3 van de Vc 2000 verstaat de staatssecretaris onder medische noodsituatie: die situatie waarbij een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

3. Uit de in opdracht van de staatssecretaris over de vreemdeling opgestelde BMA-adviezen van 26 juni 2014, 23 januari 2015 en 25 februari 2015 volgt dat de vreemdeling een medische behandeling ondergaat, dat bij het uitblijven daarvan een medische noodsituatie niet valt uit te sluiten en dat mantelzorg essentieel is voor het slagen van die medische behandeling, omdat de vreemdeling hulpbehoevend is bij haar algemene dagelijkse levensverrichtingen en toezicht nodig heeft bij het innemen van haar medicatie.

4. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat hij de stelling van de vreemdeling dat medische behandeling voor haar niet aanwezig is in Suriname niet volgt, nu zij hoofdzakelijk mantelzorg krijgt van de dochter op wie net als de vreemdeling een vertrekplicht rust. Voorts is volgens de staatssecretaris weliswaar gesteld dat de mantelzorg eveneens door een zoon van de vreemdeling wordt verleend, maar valt niet in te zien dat die mantelzorg niet alleen door de dochter kan worden verleend.

5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het uitgangspunt van de staatssecretaris dat de voor de vreemdeling noodzakelijke mantelzorg door één persoon kan worden verleend.

6. Bij brief van 10 juli 2015 heeft de huisarts van de vreemdeling laten weten dat de vreemdeling 24-uurs mantelzorg nodig heeft, die niet door één persoon kan worden verleend.

7. Bij brief van 19 augustus 2015 heeft de staatssecretaris in reactie op de tussenuitspraak zijn standpunt over hoe het beleid moet worden uitgelegd uiteengezet. Verder heeft hij er op gewezen dat uit het BMA-advies van 26 juni 2014 blijkt dat ook via thuiszorginstellingen en verzorgingstehuizen de voor de vreemdeling noodzakelijke zorg aanwezig is in Suriname. Bij brief van 1 september 2015 heeft de vreemdeling op deze brief gereageerd.

8. In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet heeft hersteld, zodat het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat uit de bewoordingen van het beleid blijkt dat de term 'medisch noodzakelijke mantelzorg' niet alleen ziet op de beoordeling van de vraag of mantelzorg noodzakelijk is, maar ook hoeveel zorg noodzakelijk is, nu de vreemdeling volgens het beleid immers moet aantonen dat de medisch noodzakelijke mantelzorg wordt verleend door gezins- of familieleden die hier te lande rechtmatig verblijven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de omstandigheden dat er thans meer mantelzorgers zijn die zorg aan de vreemdeling verlenen, dat de huisarts heeft aangegeven dat zij 24-uurs zorg nodig heeft en dat mantelzorg volgens het BMA essentieel is voor het slagen van haar medische behandeling, de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke mantelzorg in Suriname verleend kan worden door alleen de dochter. Voorts heeft de rechtbank overwogen niet het standpunt van de staatssecretaris te volgen dat voor zorg die meer omvat dan de zorg die door één mantelzorger kan worden geboden de hulp van thuiszorginstellingen of verzorgingstehuizen kan worden ingeroepen, nu immers niet in geschil is dat de vreemdeling voor het slagen van de medische behandeling afhankelijk is van de voor haar noodzakelijke mantelzorg.

9. De grieven van de staatssecretaris zijn gericht tegen de onder 5 en 8 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven van het beleid, nu daarin niet wordt gedifferentieerd naar zwaarte van de zorg. Hij betoogt dat volgens het beleid alleen moet worden vastgesteld of mantelzorg medisch noodzakelijk is en of een vreemdeling heeft voldaan aan zijn bewijslast. Een toets door hoeveel personen mantelzorg zou moeten worden verleend in het land van herkomst van een vreemdeling, zou volgens de staatssecretaris betekenen dat allerlei nagenoeg onweegbare factoren die buiten zijn beïnvloedingssfeer en bewijslast liggen, zoals werkzaamheden buiten de deur en gezinssamenstelling van de mantelzorger(s), van belang zouden worden in de bepaling van het aantal vereiste mantelzorgers. Als de zorg in de subjectieve beleving van een mantelzorger teveel zou worden, kan volgens hem het mantelzorgnetwerk naar eigen inzicht worden uitgebreid, waarmee de verantwoordelijkheid voor het regelen van mantelzorg blijft waar die volgens het beleid thuishoort: bij de desbetreffende vreemdeling en diens familie. Volgens de staatssecretaris is het besluit, met zijn standpunt dat er met de dochter in Suriname een familielid voorhanden is dat de noodzakelijke mantelzorg kan verlenen, daarom deugdelijk gemotiveerd. Tot slot voert hij aan dat het vermelde in de brief van 19 augustus 2015 over thuiszorginstellingen en verzorgingstehuizen louter is bedoeld ter informatie.

9.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris naar voren gebracht dat hij niet betwist dat de vreemdeling 24 uur per dag mantelzorg nodig heeft, dat die mantelzorg niet door één persoon kan worden verleend, dat de mantelzorg in Nederland door de dochter en (een aantal van) de andere kinderen van de vreemdeling wordt verleend en dat in Suriname - behalve de dochter - geen gezins- en familieleden van haar aanwezig zijn die de mantelzorg kunnen verlenen.

In antwoord op een vraag van de Afdeling hierover heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het beleid door hem zo wordt gelezen dat de aanwezigheid van één gezins- of familielid dat in staat moet worden geacht de mantelzorg te verlenen, altijd voldoende is om te concluderen dat de medische behandeling in het land van herkomst van een vreemdeling kan plaatsvinden.

9.2. In het beleid heeft de staatssecretaris beleidsregels neergelegd over de inhoud van het begrip mantelzorg en de vaststelling van de beschikbaarheid van zodanige zorg (uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2012 in zaak nr. 201108101/1/V1; www.raadvanstate.nl).

Het begrip 'mantelzorg' komt voor het eerst voor in het Besluit van 4 augustus 2004, nummer WBV 2004/48, houdende wijziging van de Vc 2000, (Stcrt. 2004, nr. 150; hierna: het WBV 2004/48).

9.3. Bij het WBV 2004/48, artikel I, onder L, voor zover thans van belang, werd de nieuwe paragraaf B8/5 'Mantelzorgnetwerk' in de Vc 2000, zoals die destijds luidde, gevoegd, luidende:

"In sommige gevallen stelt de medisch adviseur vast dat een bepaalde medische behandeling slechts kans van slagen heeft indien de betrokken vreemdeling kan terugvallen op een zogenaamd 'mantelzorgnetwerk'. Hiermee wordt bedoeld dat de aard van de aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden, met name familieleden of vrienden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn, tenzij de medisch adviseur dat nadrukkelijk aangeeft.

Indien de medisch adviseur aangeeft dat mantelzorg voor de betrokken vreemdeling noodzakelijk is, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Voorzover een vreemdeling stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, dient hij gegevens en bescheiden te overleggen waaruit dit blijkt. Aan niet (in onvoldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent wordt geen betekenis toegekend. Evenmin rust op het bestuursorgaan de verplichting om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen."

Nadien is de tekst slechts tekstueel en redactioneel aangepast.

9.4. In het beleid en de voorheen geldende paragraaf B8/5 van de Vc 2000 is medische behandeling in het land van herkomst evenals het begrip mantelzorg gekoppeld aan het voorkómen van een medische noodsituatie op korte termijn. Hieruit volgt dat de in het land van herkomst van een vreemdeling aanwezige mantelzorg toereikend moet zijn. Zoals de vreemdeling terecht betoogt, duidt ook de in het onder 2.1 en 9.3 vermelde beleid gebruikte meervoudsvorm en terminologie hierop. Gelet hierop legt de staatssecretaris het beleid ten onrechte zo uit dat, in het geval dat is aangetoond dat een vreemdeling hier te lande medisch noodzakelijke mantelzorg nodig heeft van meer dan één gezins- of familielid, hij niet behoeft te onderzoeken of in het land van herkomst mantelzorg door één familielid toereikend is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de vreemdeling terecht aanvoert, het onzeker is of de in het land van herkomst aanwezige mantelzorger en de desbetreffende vreemdeling de benodigde mantelzorg aldaar zullen kunnen organiseren. Daaraan doet niet af dat, zoals de staatssecretaris ter zitting nader heeft aangevoerd, behalve gezins- en familieleden, ook eventuele anderen, zoals buren en vrienden en de kerk, daarbij kunnen worden betrokken, aangezien dit ook een onzekere factor is. Voorts heeft de rechtbank, nu het volgens het BMA voor het slagen van de medische behandeling van de vreemdeling essentieel is dat zij mantelzorg krijgt, gelet op het beleid, terecht de verwijzing van de staatssecretaris naar thuiszorginstellingen en verzorgingstehuizen verworpen. Nu de staatssecretaris de door de huisarts van de vreemdeling vastgestelde noodzakelijke omvang van de aan haar verleende mantelzorg niet betwist, impliceert dit dat die omvang voldoende objectief kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft aldus terecht overwogen dat uit het beleid niet volgt dat dit alleen ziet op de beoordeling of mantelzorg noodzakelijk is, maar dat het beleid ook ziet op de vraag hoeveel mantelzorg noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb.

De grieven falen.

10. Het hoger beroep is ongegrond.

11. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

154.