Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201601612/1/A1 en 201601612/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:448, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Wilbertoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601612/1/A1 en 201601612/2/A1.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Wilbertoord, gemeente Mill en Sint Hubert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 februari 2016 in zaak nr. 14/4546 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Wilbertoord.

Bij besluit van 5 november 2014 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2014 vernietigd en het college opgedragen binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [partij] te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellante] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 maart 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door C.M.A.P. Burgman-Linssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voort is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3. Het college heeft het besluit van 15 april 2014 op 16 april 2014 verzonden aan [appellante], zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8 van de Awb is aangevangen op 17 april 2014 en geëindigd op 28 mei 2014. [partij] heeft het bezwaarschrift op 16 mei 2014 aan PostNL aangeboden om aangetekend te verzenden. Het bezwaarschrift was weliswaar aan het college gericht, maar met een onjuiste adressering. Op de envelop was een onjuist postbusnummer vermeld. Uit een op het bezwaarschrift geplaatst stempel van ontvangst blijkt dat het bezwaarschrift op 2 juni 2014, na het verstrijken van de termijn, door het college is ontvangen. In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

De rechtbank heeft overwogen dat [partij] aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem op 16 mei 2014 ter post bezorgde poststuk hetzelfde poststuk is als het poststuk dat het college op 2 juni 2014 heeft ontvangen, zodat de postbezorging niet tussentijds is geëindigd, maar pas met de ontvangst van het poststuk op 2 juni 2014. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd en binnen een week na afloop van die termijn is ontvangen en het derhalve tijdig is ingediend.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, heeft miskend dat [partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het buiten de bezwaartermijn door het college ontvangen bezwaarschrift tijdig is verstuurd. Hiertoe voert zij aan dat [partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onjuist geadresseerde bezwaarschrift zonder nieuwe verzending tot een juiste niet aangetekende bezorging op het bezoekadres van de gemeente heeft geleid, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen. Uit de door [partij] overgelegde "detailpagina zending" van PostNL en dan in het bijzonder de mededeling "beschikbaar voor postbushouder" kan volgens [appellante] niet worden opgemaakt dat de postbezorging nog niet was geëindigd op 30 mei 2014, zoals de rechtbank heeft aangenomen. [appellante] voert verder aan dat het aangetekend verzonden poststuk niet aangetekend is ontvangen door het college, zodat de aangetekende verzending niet relevant is voor de beoordeling of de in het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb vermelde uitzondering zich voordoet. Indien al moet worden aangenomen dat middels dezelfde envelop en gedurende de verzending de adressering door iemand is gewijzigd, moet dit als nieuwe verzending worden aangemerkt, waarvan niet duidelijk is wanneer dit heeft plaats gevonden, aldus [appellante].

4.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200707825/1 overwogen dat van de indiening van een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post als bedoeld in artikel 6:9 van de Awb pas sprake is, indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken, waaronder het zorg dragen van een deugdelijke adressering. In de desbetreffende zaak was op 5 november 2007 een beroepschrift verzonden, dat weliswaar aan de Afdeling was gericht, maar met een onjuist postbusnummer. Na ontdekking van de foutieve verzending is het beroepschrift op 8 november 2007 door middel van afgifte bij de Raad van State aangeboden. Het poststuk was voorzien van een zodanige adressering dat TNT Post het niet heeft bezorgd bij de Raad van State, maar op een ander adres. De Afdeling heeft overwogen dat bij die bezorging een einde is gekomen aan de verzending die het gevolg was van de postbezorging van 5 november 2007 en dat deze datum van afstempeling door TNT Post niet als dag van terpostbezorging geldt. De datum van de afgifte van het beroepschrift bij de Raad van State, 8 november 2007, was in dit geval bepalend voor de tijdigheid van het beroep.

4.2. In het licht van de betwisting door het college en [appellante] ligt het op de weg van [partij] om aannemelijk te maken dat het op 16 mei 2014 ter post bezorgde onjuist geadresseerde poststuk op 2 juni 2014 door het college is ontvangen zonder dat een nieuwe verzending heeft plaats gevonden, dan wel dat hij voor afloop van de bezwaartermijn een ander poststuk per post heeft aangeboden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.3. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het op 16 mei 2014 ter post bezorgde bezwaarschrift retour is gestuurd naar [partij] en dat hij het bezwaarschrift opnieuw ter verzending heeft aangeboden. De rechtbank heeft het er dan ook terecht voor gehouden dat de postbezorging niet is geëindigd door terugzending van het onjuist geadresseerde bezwaarschrift aan [partij].

4.4. De rechtbank heeft terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat aan de verzending van het bezwaarschrift een eind is gekomen door bezorging op het op de envelop vermelde onjuiste adres. Uit de door [partij] overgelegde "detailpagina zending" kan worden opgemaakt dat het onjuist geadresseerde bezwaarschrift op 16 mei 2014 door PostNL is opgehaald en in het sorteerproces terecht is gekomen. Voorts kan uit de detailpagina worden opgemaakt dat het poststuk tot en met vrijdag 30 mei 2014 in de afleverroute heeft gezeten en steeds de status "beschikbaar voor postbushouder" heeft gehad. De rechtbank heeft daaruit terecht geconcludeerd dat het poststuk tot dat moment niet is uitgereikt aan de postbushouder dan wel door deze is ontvangen.

De voorzieningenrechter heeft aan de hand van de ter zitting door het college getoonde envelop, waarin het bezwaarschrift is verzonden, vastgesteld dat de op 16 mei 2014 ter post bezorgde envelop dezelfde is als het exemplaar dat op 2 juni 2014 door het college is ontvangen, zij het dat op deze envelop een sticker is geplakt. Deze sticker wordt normaliter door de medewerkers van PostNL gebruikt indien een poststuk onbestelbaar is en retour wordt gestuurd naar de afzender. Op de sticker is evenwel niet aangevinkt dat het poststuk retour wordt gestuurd naar de afzender, maar is het bezoekadres met bijbehorende postcode van de gemeente vermeld. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat een medewerker van PostNL dit adres op of na 30 mei 2014 op de sticker heeft geschreven, waardoor het poststuk het college alsnog heeft bereikt. In aanmerking genomen dat het poststuk op vrijdag 30 mei 2014 nog niet was uitgereikt of ontvangen en het poststuk op maandag 2 juni 2014 door het college is ontvangen, acht de voorzieningenrechter het uitgesloten dat er in het tussenliggende weekend een postbezorging heeft plaats gevonden waardoor een eind is gekomen aan de verzending. Anders dan [appellante] stelt, is de wijziging van de adressering door de postmedewerker niet aan te merken als een nieuwe verzending, nu aan de verzending van het poststuk nog geen eind was gekomen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan de verzending van het op 16 mei 2014 ter post bezorgde bezwaarschrift pas een einde is gekomen bij de bezorging op het bezoekadres van de gemeente op 2 juni 2014. Nu het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van die termijn door het college is ontvangen, is het bezwaarschrift tijdig ingediend. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Deen

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

604.