Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201307140/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 3.46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/114 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307140/3/R1.

Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Bergen (NH),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellante] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door ing. F. Zomers, en de raad, vertegenwoordigd door drs. S. Plezier en mr. P.J.M. Hink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van het onderhavige beroep afgesplitst van zaak nr. 201307140/1/R1. De behandeling van de overige beroepen tegen het besluit van 2 juli 2013 is onder voormeld zaaknummer voortgezet.

[appellante] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is een tweede onderzoek ter zitting achterwege gebleven waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een actualisering van het planologisch-juridisch kader voor het landelijke gebied ten zuiden van de kern Bergen. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Inleiding

3. [appellante] en anderen exploiteren op het perceel [locatie] een stoeterij, met de activiteiten stallen, africhten, fokken en weiden van paarden, die bestaat uit een paardenhouderij en een paardenfokkerij. Zij vrezen dat hun bedrijf niet als zodanig is bestemd. Verder had volgens hen een bedrijfswoning op hun perceel moeten worden toegestaan. Ook vrezen zij dat de woonbestemming op het perceel Voert 9 hen zal beperken in hun bedrijfsvoering.

[locatie]

4. [appellante] en anderen betogen dat het gebruik van het perceel [locatie] ten behoeve van de paardenhouderij ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Het gaat volgens hen om het stallen, africhten en weiden van paarden. Ten onrechte geldt voor de paardenhouderij, anders dan voor de paardenfokkerij, alleen een aanduiding en geen bestemming, aldus [appellante] en anderen. Het is volgens hen niet juist dat de paardenhouderij als niet-agrarische nevenfunctie wordt aangemerkt.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat zowel het grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder het fokken valt, als de paardenhouderij, waar de overige activiteiten toe worden gerekend, als zodanig zijn bestemd.

6. In het plan is aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch - Natuurontwikkeling" toegekend en voorzien van de aanduidingen "paardenhouderij" en "bedrijfswoning uitgesloten".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Natuurontwikkeling" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1.8, onder b;

[…]

c. het uitoefenen van een ander agrarisch bedrijf voor zover het een bestaand bedrijf danwel een rechtsopvolger betreft ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

[…]

e. ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij": tevens voor een paardenhouderij;

[…]

i. de in lid 5.5 in tabel 3 genoemde nevenfuncties, welke rechtstreeks dan wel via afwijking toelaatbaar zijn;

j. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater; met dien verstande dat:

k. bedrijfswoningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten".

Ingevolge artikel 1, lid 1.8 wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

[…]

b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond (waaronder ook paardenfokkerij verstaan wordt);

[…]

In lid 5.5, tabel 3, is een paardenhouderij aangemerkt als een niet-agrarische nevenfunctie op bouwvlakken met de bestemming "Agrarisch - Natuurontwikkeling", welke slechts is toegelaten door middel van afwijking.

Ingevolge lid 1.74 is een paardenfokkerij een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij.

Ingevolge lid 1.75 is een paardenhouderij een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden.

7. De Afdeling stelt vast dat dat het bedrijf van [appellante] en anderen als zodanig is bestemd. Gelet op de bestemming "Agrarisch - Natuurontwikkeling" die aan het perceel van [appellante] en anderen is toegekend en het bepaalde in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 1, lid 1.8, aanhef en onder b en lid 1.74, van de planregels is ter plaatse een grondgebonden veehouderij toegestaan, waaronder ook een paardenfokkerij wordt begrepen. Derhalve is het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij planologisch toegestaan. Voorts overweegt de Afdeling dat gelet op de aanduiding "paardenhouderij" die voor het perceel geldt en het bepaalde in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder e, in samenhang bezien met artikel 1, lid 1.75, van de planregels ter plaatse tevens een paardenhouderij is toegestaan. Derhalve is het stallen, africhten en weiden van paarden, voor zover dat geen verband houdt met de paardenfokkerij, eveneens planologisch toegestaan. Artikel 5, lid 5.5, tabel 3, van de planregels, voor zover dat ziet op een paardenhouderij, is, anders dan [appellante] en anderen veronderstellen, niet van toepassing op hun bestaande paardenhouderij, omdat ter plaatse de aanduiding "paardenhouderij" geldt. Dat voor de paardenhouderij niet een door [appellante] en anderen gewenste bestemming geldt, maar een aanduiding maakt het voorgaande niet anders.

Het betoog faalt.

8. Voorts voeren [appellante] en anderen aan dat de aanwezige bebouwing op het perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd, omdat die niet binnen de toegekende bouwvlakken ligt. Het gaat volgens hen om de voedersilo, paddock, verlichte paardenbak, mestopslag en opslag voor kuilgras. [appellante] en anderen betogen verder dat artikel 5, lid 5.2.1, onder c, van de planregels, anders dan de raad heeft beoogd, nog op te richten bebouwing ten behoeve van de paardenhouderij buiten het bouwvlak mogelijk maakt.

[appellante] en anderen wensen een afzonderlijk bouwvlak voor de paardenhouderij alsmede een bouwvlak voor de paardenfokkerij. Op die manier kan met de aanwezige voormelde voorzieningen worden geschoven binnen de bouwvlakken en alleen dan kunnen de paardenhouderij en de paardenfokkerij bedrijfsmatig worden geëxploiteerd, aldus [appellante] en anderen.

9. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, van de planregels mogen op de gronden ten behoeven van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen;

b. bedrijfswoningen, tenzij ter plaatse de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is opgenomen.

c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning;

d. kassen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw";

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f. faciliteiten ten dienste van een paardenfokkerij;

g. ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij": faciliteiten ten behoeve van een paardenhouderij;

h. mest- en voedersilo's en andere ondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 5.2.1 gelden voor het bouwen de volgende regels:

a. gebouwen en overkappingen, kassen, silo's (niet zijnde sleufsilo's), paardenbakken, tredmolens en bouwwerken ten behoeve van mestopslag, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan;

b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat buiten het bouwvlak bestaande bunkers zijn toegestaan, welke niet aangepast of gewijzigd mogen worden;

c. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" de ten tijde van de ter visielegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezige voorzieningen buiten het bouwvlak toegestaan;

d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's en gaas- of boogkassen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan;

e. voor zover dakoverstekken van gebouwen meer bedragen dan 1 m, wordt de ruimte onder de dakoverstek meegerekend in de ten hoogste toegestane oppervlakte en/of inhoud.

10. De twee bouwvlakken op het perceel [locatie] dienen ertoe de in de jaren ’80 vergunde schuur en kapberg als zodanig te bestemmen. De veronderstelling van [appellante] en anderen dat de aanwezige voedersilo, paddock, verlichte paardenbak, mestopslag en opslag voor kuilgras niet als zodanig zijn bestemd, is niet juist. Uit artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels volgt immers dat het gaat om voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" die reeds ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp aanwezig waren. Niet in geschil is dat de voedersilo, paddock, verlichte paardenbak, mestopslag en de opslag voor kuilgras reeds ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp aanwezig waren en derhalve zijn die als zodanig bestemd. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Met de uitleg van die bepaling oordeelt de Afdeling verder dat de stelling van [appellante] en anderen dat artikel 5, lid 5.2.1, onder c, van de planregels nog op te richten bebouwing ten behoeve van de paardenhouderij buiten het bouwvlak mogelijk maakt, onjuist is.

De raad heeft zich over de wens van [appellante] en anderen van afzonderlijke bouwvlakken voor de paardenhouderij en de paardenfokkerij, ter zitting op het standpunt gesteld dat een toename van het aantal bouwvlakken op het perceel [locatie] ongewenst is, omdat dat in strijd is met het gemeentelijk beleid het buitengebied zo open mogelijk te houden. Voorts ziet de raad de noodzaak van de gewenste bouwvlakken niet in en wijst hij erop dat die bouwvlakken in het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aankoop van het perceel door [appellante] en anderen ook niet waren opgenomen. Onder die omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen de gewenste bouwvlakken niet toe te kennen.

Het betoog faalt.

11. [appellante] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte niet in een mogelijkheid voor de bouw van een bedrijfswoning is voorzien, nu zij de veiligheid en gezondheid van de paarden moeten kunnen garanderen en daarnaast 7,5 ha aan grond moeten onderhouden. Anders dan de raad stelt, wordt de openheid van het gebied door een bedrijfswoning volgens hen niet onaanvaardbaar aangetast. Zij doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat op het perceel Voert 9 wel een bedrijfswoning is toegestaan. Voorts rijmt het niet toestaan van een bedrijfswoning volgens hen niet met het feit dat ter plaatse een bedrijf is gevestigd. Het standpunt van de raad dat het mogelijk maken van een bedrijfswoning tot precedentwerking zou leiden, is volgens [appellante] en anderen niet juist, omdat zij als enige in de omgeving een bedrijfsmatige paardenhouderij exploiteren. Dat het perceel in het verleden deel uitmaakte van het naastgelegen perceel Voert 9 zou volgens [appellante] en anderen niet van betekenis mogen zijn bij de keuze van de raad om geen bedrijfswoning toe te staan.

12. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen op de gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd bedrijfswoningen, tenzij ter plaatse de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is opgenomen.

13. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] en anderen de noodzaak voor een bedrijfswoning niet hebben aangetoond. Het bedrijf functioneert sinds 2004 al zonder een dergelijke woning. Daarnaast is het toekennen van een bedrijfswoning in strijd met het provinciaal beleid, omdat het perceel van [appellante] en anderen, uitgezonderd de delen van het perceel waar een bouwvlak is voorzien, niet in bestaand bebouwd gebied ligt. Voorts is een bedrijfswoning ook in strijd met de gemeentelijke structuurvisie, omdat die voorschrijft het buitengebied zoveel mogelijk te vrijwaren van bebouwing. Daarnaast volgt uit die structuurvisie dat veetelers de hoeders zijn van het landschap en ook om die reden niet gewenst is de paardenhouderij van een bedrijfswoning te voorzien. De door [appellante] en anderen genoemde precedentwerking en de omstandigheid dat het perceel eerder deel uitmaakte van het naastgelegen perceel hebben geen rol gespeeld bij de keuze om geen bedrijfswoning toe te staan, aldus de raad.

Onder voormelde omstandigheden acht de Afdeling het standpunt van de raad niet onredelijk. De door [appellante] en anderen aangevoerde omstandigheden dat zij dure paarden houden en 7,5 ha grond in eigendom hebben, maken niet dat een bedrijfswoning noodzakelijk is. De Afdeling acht in dat verband van belang dat [appellante] en anderen de keuze hebben gemaakt om ter plaatse dure paarden te houden, terwijl zij wisten dat een bedrijfswoning mogelijk niet zou kunnen worden gebouwd omdat onder het voorheen geldende plan geen bouwvlak was toegekend aan [locatie]. Dat voor het naastgelegen perceel Voert 9 geen agrarische bestemming meer geldt, maakt het oordeel gelet op het voorgaande niet anders. Over de door [appellante] en anderen gemaakte vergelijking met het perceel Voert 9 wordt overwogen dat op dat perceel geen bedrijfswoning is voorzien, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] en andere genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

Voert 9

14. [appellante] en anderen voeren aan dat aan het naastgelegen perceel Voert 9 ten onrechte een woonbestemming is toegekend, omdat geen rekening is gehouden met de locatie van de ten behoeve van hun bedrijfsmatige paardenhouderij aanwezige mestplaat. [appellante] en anderen vrezen hierdoor in hun bedrijfsvoering en hun uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt. Volgens hen is bij de verlening van de milieuvergunning voor hun paardenhouderij de woning op het perceel Voert 9 als agrarische bedrijfswoning aangemerkt en niet als burgerwoning.

14.1. Volgens de raad ligt een woonbestemming voor het perceel Voert 9 voor de hand, omdat op dat perceel de agrarische bedrijfsvoering is beëindigd. De raad stelt zich op het standpunt dat deze woonbestemming niet tot beperkingen voor het bedrijf van [appellante] en anderen zal leiden, ook al is de afstand van de woning op het perceel Voert 9 tot de mestplaat 22,5 m. De raad wijst daarbij erop dat in de milieuvergunning die op 8 augustus 2005 aan de paardenhouderij van [appellante] en anderen is verleend voorschriften waren opgenomen over de mestopslag om overlast te voorkomen.

14.2. Het perceel Voert 9 ligt buiten de bebouwde kom.

14.3. In de milieuvergunning voor de paardenhouderij was voorgeschreven dat de mest eenmaal daags uit de paardenboxen moest worden verwijderd. Voorts was voorgeschreven dat de mest minimaal eens per twee maanden diende te worden afgevoerd uit de inrichting. Verder moest de opslag van vaste mest buiten de stal geschieden in een mestdichte opslag (mestopslag), die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening. De stapeling van de mest moest zodanig plaatsvinden dat uitzakkend vocht niet uit de opslag kan vloeien. Tot slot was in de milieuvergunning voorgeschreven dat de bovenafdekking van de opslag van de vaste mest gesloten diende te zijn, behoudens de korte perioden van het laden en lossen van mest.

14.4. Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer vindt het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen plaats op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opgeslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Ingevolge het derde lid, onder a, treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken, indien het tweede lid van toepassing is.

14.5. De Afdeling stelt vast dat de milieuvergunning die aan het bedrijf van [appellante] en anderen is verleend niet meer geldt, nu dit bedrijf onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Voorts stelt de Afdeling vast dat de afstand van 50 m die in artikel 3.46, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer staat genoemd niet van toepassing is op het bedrijf, nu de mestplaat reeds voor 1 januari 2013 aanwezig was en verplaatsing daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dit betekent dat [appellante] en anderen op grond van het derde lid van artikel 3.46 maatregelen of voorzieningen dienen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken. De woning op het perceel Voert 9 beperkt [appellante] en anderen dus in de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf. [appellante] en anderen werden evenwel reeds voor de vaststelling van het plan door deze woning in hun bedrijfsvoering beperkt, gelet op de voorschriften die in de milieuvergunning waren opgenomen. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de woonbestemming voor het perceel Voert 9 tot meer beperkingen leidt. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 3.46 van het Activiteitenbesluit milieubeheer ook bescherming toekomt aan agrarische bedrijfswoningen van andere inrichtingen. In die bepaling wordt voor het beschermingsniveau geen onderscheid gemaakt tussen agrarische bedrijfswoningen en burgerwoningen.

Het betoog faalt.

Conclusie

15. Het beroep van [appellante] en anderen is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen veroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Driel Kluit

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

703.