Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
201402973/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Hoogdonkseweg 6" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Natuurbeschermingswet 1998
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2015/6162
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6839
NJB 2015/825
ABKort 2015/180
BR 2015/56 met annotatie van H.E. Woldendorp
M en R 2015/92 met annotatie van Mr. drs. M.M. Kaajan
JOM 2015/1114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402973/1/R3.

Datum uitspraak: 1 april 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Deurne, de vereniging Vereniging Stop de Stank Deurne, gevestigd te Deurne, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, en anderen (hierna: [appellanten sub 1] ),

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Deurne,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Hoogdonkseweg 6" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2014, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.P.G. Ricken-Cleven, werkzaam bij de gemeente, en M.J.T.H. van der Heijden, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan voorziet in een vormverandering van een agrarisch bouwblok met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Hoogdonkseweg 6 te Liessel, waar een intensieve veehouderij is gevestigd om de bouw van een stal met een inpandige loods mogelijk te maken.

Gevolgen voor Natura 2000-gebied

2. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel. Zij betogen dat op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), gelezen in samenhang met artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, voor dit plan een passende beoordeling en een milieueffectrapport (hierna: MER) hadden moeten worden gemaakt. De stelling van het college dat uit artikel 19kd van de Nbw 1998 volgt dat een passende beoordeling niet is vereist omdat de stikstofdepositie vanwege het plan door toepassing van zogenoemde externe saldering per saldo zal afnemen, laat volgens hen onverlet dat op grond van artikel 6, derde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) een passende beoordeling moet worden gemaakt.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit artikel 19kd van de Nbw 1998 volgt dat niet is vereist dat een passende beoordeling wordt gemaakt als per saldo geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt. In de aan de orde zijnde situatie neemt de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied vanwege de voorziene uitbreiding van de intensieve veehouderij niet toe door toepassing van externe saldering, aldus het college. Het college stelt dat daarom geen passende beoordeling is vereist en evenmin een MER. Voorts stelt het college dat het wijzigingsplan geen ruimere bouwmogelijkheden biedt dan het voorheen geldende bestemmingsplan. Volgens het college kan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan dezelfde staloppervlakte worden gebouwd als op grond van het wijzigingsplan. Het wijzigingsplan voorziet daarom niet in een toename van de stikstofdepositie, aldus het college.

2.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

Ingevolge artikel 19kd, eerste lid, voor zover hier van belang, worden onder significante gevolgen als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, niet verstaan de gevolgen van de in een plan voorziene activiteiten, door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied in de volgende gevallen:

a. het plan was van toepassing op de referentiedatum en is sedertdien niet of niet in betekenende mate gewijzigd, en heeft sedertdien per saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaakt;

b. het plan is van toepassing geworden na de referentiedatum, of is nadien in betekenende mate gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als gevolg van die activiteit of dat gebruik of dat plan, per saldo niet is toegenomen of zal toenemen.

Ingevolge het derde lid wordt onder «referentiedatum» als bedoeld in het eerste lid verstaan:

a. voor gebieden ter uitvoering van richtlijn 92/43/EEG:

1°. 7 december 2004, of

2°. de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG, voor zover die verklaring plaatsvindt na 7 december 2004;

b. voor gebieden ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een dergelijk gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

2.3. Ingevolge artikel 2 van de planregels zijn de regels van het "Bestemmingsplan Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van Deurne op 11 december 2007 en door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 8 augustus 2008 gedeeltelijk goedgekeurd, met inbegrip van het bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied", vastgesteld op 9 november 2010 door de gemeenteraad van Deurne en onherroepelijk geworden op 4 maart 2011, van toepassing op dit wijzigingsplan, met dien verstande dat artikel 3.8.2, onder e, als volgt wordt aangevuld: het gebruiken van meer dan één bouwlaag binnen bedrijfsgebouwen voor het houden van dieren.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de op plankaart 1 voor "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor onder meer de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

2.4. Het gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, van de Nbw 1998. De instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied hebben onder meer betrekking op voor verzuring en vermesting gevoelige habitats en soorten die van die habitats afhankelijk zijn. Gezien de huidige stikstofdepositie in het gebied is sprake van een overbelaste situatie. Een toename van de stikstofdepositie kan daarom een significant verslechterend effect hebben.

2.5. Het wijzigingsplan maakt door de vormverandering van het bouwblok de bouw van een extra stal met een oppervlakte van 5.000 m² mogelijk. De maximale ammoniakemissie neemt vanwege deze vormverandering toe met 360,9 kg per jaar aldus het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" van Roba Advies van januari 2013. Daarbij is van belang dat de op 14 februari 2008 vergunde ammoniakemissie voor de intensieve veehouderij aan de Hoogdonkseweg 6 per jaar 5.111,4 kg is en de aangevraagde ammoniakemissie voor de situatie waarin het wijzigingsplan voorziet 5.472,3 kg per jaar is. Deze toename van de ammoniakemissie is verrekend met de afname van de ammoniakemissie van 439,2 kg per jaar vanwege het gedeeltelijk intrekken van de milieuvergunning voor de inrichting aan de Snoertsebaan 9.

2.6. In verband met het standpunt van het college dat het plan dezelfde bouwmogelijkheden voor stallen biedt als het voorheen geldende plan en daarom niet voorziet in een toename van stikstofdepositie ziet de Afdeling zich geplaatst voor de vraag hoe artikel 19kd van de Nbw 1998 zich verhoudt tot artikel 19j van de Nbw 1998, waarin het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn voor plannen is geïmplementeerd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012, in zaak nr. 201109053/1/R2, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader. De Afdeling ziet in de wijziging van artikel 19kd van de Nbw 1998 geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken. Daarbij is van belang dat oordeel dit niet in strijd is met de tekst van artikel 19kd van de Nbw 1998. Voorts dient deze bepaling volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in onder meer het arrest van 24 januari 2012, in zaak C-282/10, Maribel Dominguez, ECLI:EU:C:2012:33 (punten 24 en 25), zoveel mogelijk conform de Habitatrichtlijn te worden geïnterpreteerd om de werking van de richtlijn te verzekeren. Het nemen van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als uitgangspunt doet recht aan het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Overigens vindt de Afdeling hiervoor ook steun in de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2013 (kenmerk DGNR-PDJNG / 13114907), waarin de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de interpretatie van artikel 19kd van de Nbw 1998. In deze brief staat dat met artikel 19kd van de Nbw 1998 is beoogd vast te leggen onder welke voorwaarden de stikstofaspecten van een plan in het kader van de plantoets niet opnieuw beoordeeld hoeven te worden, overeenkomstig de jurisprudentie van de Afdeling. Artikel 19kd van de Nbw 1998, zo staat in de brief, moet ten aanzien van plannen overeenkomstig deze vaste jurisprudentie worden toegepast. Derhalve dient te worden bezien of de in het wijzigingsplan voorziene uitbreiding van de veehouderij ten opzichte van de feitelijke situatie significante gevolgen kan hebben.

2.7. Zoals eerder door de Afdeling is overwogen (onder meer de uitspraak van 7 mei 2008, in zaak nr. 200604924/1, gaat bij de beoordeling of sprake kan zijn van significante gevolgen als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw het erom dat bezien wordt of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Bij die beoordeling mogen maatregelen worden betrokken die op het bedrijf zelf worden genomen, zogenoemde interne saldering, zo volgt uit de uitspraak van 31 maart 2010, zaak nr. 200903784/1. Wanneer het plan als zodanig significante effecten kan hebben, dient ingevolge artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 een passende beoordeling te worden gemaakt. Bij die beoordeling kan de toepassing van een maatregel zoals het (gedeeltelijk) intrekken van een milieuvergunning van een ander bedrijf ten behoeve van het aan de orde zijnde bedrijf, zogenoemde externe saldering, worden betrokken, waarna beslist kan worden over de vaststelling van het plan. Artikel 19kd, eerste lid, aanhef en onder b, van de Nbw 1998 dat de vaststelling van een plan zonder passende beoordeling mogelijk maakt als er per saldo geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt ziet, gelet op het voorgaande, alleen op de situatie waarbij maatregelen op het eigen bedrijf worden genomen. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de uitleg door het college van artikel 19kd, eerste lid, aanhef en onder b, van de Nbw 1998 in dit geval op een onjuiste lezing berust. De uitleg gegeven door het college dat uit die bepaling volgt dat een passende beoordeling achterwege kan blijven bij dit plan, dat als zodanig significante effecten kan hebben, zou immers in strijd zijn met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, dat een implementatie vormt van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het huidige artikel 19kd van de Nbw 1998 moet zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn worden uitgelegd. Het resultaat van deze richtlijnconforme interpretatie is dat artikel 19kd van de Nbw 1998 niet van toepassing is in geval van externe saldering, hetgeen niet strijdig is met de bewoordingen van deze wettelijke bepaling. De Afdeling vindt voor het oordeel dat artikel 19kd Nbw niet van toepassing is in geval van externe saldering overigens ook steun in eerdergenoemde brief van de minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2013. In deze brief staat dat met artikel 19kd van de Nbw 1998 is beoogd vast te leggen onder welke voorwaarden de stikstofaspecten van een plan in het kader van de plantoets niet opnieuw beoordeeld hoeven te worden, overeenkomstig de bestaande jurisprudentie van de Afdeling. De strekking van het artikel is dat, indien de in een plan voorziene activiteiten niet, of per saldo niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie, er voor het element stikstof geen passende beoordeling noodzakelijk is. Artikel 19kd van de Nbw 1998 moet ten aanzien van plannen overeenkomstig deze vaste jurisprudentie worden toegepast.

Gelet op het voorgaande heeft het college in dit geval ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 19kd, eerste lid, aanhef en onder b, van de Nbw 1998.

2.8. Dit leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat het plan is vastgesteld in strijd met de Nbw 1998. Nu artikel 19kd, eerste lid, aanhef en onder b, van de Nbw 1998 niet van toepassing is op het voorliggende plan, dient het plan te worden getoetst aan artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998. Het staat immers vast dat het plan leidt tot een toename van de stikstofdepositie van het bedrijf en dat het plan dan ook significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 moet een passende beoordeling worden gemaakt. Aan het plan ligt ten grondslag het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" van januari 2013 van ROBA Advies. Hierin is de ammoniakemissie van het bedrijf na uitbreiding met een nieuwe stal berekend, evenals de afname van de ammoniakemissie vanwege de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9. De Afdeling ziet aanleiding om te bezien of dit rapport kan gelden als een passende beoordeling en om aan de hand hiervan in het licht van hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd te beoordelen of het plan in overeenstemming is met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

3. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte de afname van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor de Snoertsebaan 9 als mitigerende maatregel is betrokken bij de vraag of is verzekerd dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Zij voeren aan dat geen directe samenhang bestaat tussen de voorziene uitbreiding en de gedeeltelijke intrekking van die milieuvergunning. In dit verband wijzen zij erop dat in het intrekkingsbesluit staat dat de rechten worden overgedragen aan [belanghebbende], [locatie] te [plaats]. Ook wijzen zij erop dat het verzoek om vormverandering van het bouwblok geruime tijd na het nemen van het besluit tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9 is ingediend. [appellanten sub 1] voeren ook aan dat tegelijk met het intrekkingsbesluit een revisievergunning is verleend voor het perceel Snoertsebaan 9. Hierbij is de vleesvarkenshouderij op het perceel gewijzigd in een paardenhouderij met konijnen en kippen. Zij stellen dat daarom geen sprake is van een bedrijfsbeëindiging ten behoeve van een uitbreiding elders, maar van een bedrijfswijziging. Ook voeren zij aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, in zaak nrs. 201303243/1/R2 en 201303324/1/R2 en 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2, dat de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9 is verleend op 14 december 2004 en derhalve dateert van na de zogenoemde referentiedatum die geldt voor het Natura 2000-gebied. Verder voeren zij aan dat de toestemming die op de referentiedatum gold van rechtswege is vervallen met het verlenen van de revisievergunning op 18 mei 2010 met een lagere ammoniakemissie. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, in zaak nr. 201211640/1/R2, stellen zij dat ten opzichte daarvan sprake is van een toename van de stikstofdepositie en ammoniakemissie.

3.1. [appellanten sub 1] stellen terecht dat het aanmerken van de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9 als mitigerende maatregel ten behoeve van de in het plan voorziene uitbreiding slechts mogelijk is als er een directe samenhang bestaat tussen de gedeeltelijke intrekking en de voorziene uitbreiding.

3.1.1. Op de percelen [locatie] en Hoogdonkseweg 6 is het bedrijf Swipigs Liessel B.V. gevestigd, ten behoeve waarvan het voorliggende wijzigingsplan is opgesteld. In de aanvraag van 15 maart 2010 tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning van het perceel Snoertsebaan 9 staat dat de gedeeltelijke intrekking geschiedt ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf van [belanghebbende], [locatie], locatie Hoogdonkseweg 6, ter compensatie van de uitbreiding van de ammoniakemissie- en depositie op de Deurnsche Peel, als gevolg van de uitbreidingsplannen voor de locatie Hoogdonkseweg 6 te Liessel. De aanvraag maakt deel uit van het intrekkingsbesluit. Bij afzonderlijke besluiten, beide genomen op 18 mei 2010, heeft het college van burgemeester en wethouders de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9 gedeeltelijk ingetrokken en een revisievergunning verleend voor een recreatie- en groepsaccommodatie en paarden- en kleindierenhouderij voor het perceel Snoertsebaan 9. Met het besluit tot gedeeltelijke intrekking is de bij het besluit van 14 december 2004 vergunde ammoniakemissie van 840 kg per jaar voor het perceel verminderd met 439,2 kg per jaar. Bij besluit van 18 mei 2010 voor een revisievergunning voor een recreatief bedrijf is een ammoniakemissie van 399,78 kg per jaar vergund. De veehouderij op het perceel Snoertsebaan 9 is in 2010 beëindigd, zo heeft het college verklaard, en de agrarische bestemming van het perceel is in het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd in een recreatieve bestemming.

3.2. Gelet op de vermelding van de bij het besluit tot gedeeltelijke intrekking behorende aanvraag dat de intrekking geschiedt ten behoeve van een uitbreiding op het perceel waarop het wijzigingsplan betrekking heeft, de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor het perceel Snoertsebaan 9, de daadwerkelijke beëindiging van de vleesvarkenshouderij ter plaatse en de gewijzigde bestemming van dit perceel bestaat naar het oordeel van de Afdeling een zodanig directe samenhang tussen de voorziene uitbreiding en de beëindiging van de veehouderij aan de Snoertsebaan 9, dat de raad de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning van dat bedrijf heeft mogen aanmerken als mitigerende maatregel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door de gedeeltelijke intrekking van de vergunning en de wijziging van de bestemming van het perceel is gewaarborgd dat de agrarische activiteiten aan de Snoertsebaan 9 niet worden hervat. Dat de aanvraag tot het vaststellen van het voorliggende wijzigingsplan op 5 oktober 2011 is ingediend, geruime tijd na het intrekkingsbesluit van 18 mei 2010, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.3. Uit zowel het besluit tot gedeeltelijke intrekking als het besluit tot het verlenen van de revisievergunning volgt dat de vleesvarkenshouderij op het perceel Snoertsebaan 9 is beëindigd. De bestemming van het perceel is daartoe ook gewijzigd in een recreatieve bestemming. Het standpunt van [appellanten sub 1] dat sprake is van een wijziging van de varkensveehouderij op dat perceel volgt de Afdeling daarom niet. Voorts is van de op 14 december 2004 vergunde ammoniakemissie van 840 kg per jaar een ammoniakemissie van 439,2 kg per jaar gebruikt voor saldering om de voorliggende uitbreiding mogelijk te maken en is de resterende ammoniakemissie vergund voor een recreatief bedrijf op het perceel Snoertsebaan 9. De omstandigheid dat de besluiten van het college hiertoe gelijktijdig op 18 mei 2010 zijn genomen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte is uitgegaan van de ammoniakemissie uit de milieuvergunning van 14 december 2004. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ammoniakemissie uit de milieuvergunning van 14 december 2004 lager is dan de vergunde ammoniakemissie op de referentiedatum van het Natura 2000-gebied. Nu de voor de referentiedatum verleende vergunning een emissie van 922,5 kg per jaar toestond, is terecht van de met de vergunning van 2004 overeenkomende emissie uitgegaan. De betogen falen.

3.4. Het betoog van [appellanten sub 1] dat de milieuvergunning voor de Snoertsebaan 9 dateert van na de referentiedatum en daarom niet voor externe saldering mag worden gebruikt, voor zover relevant, faalt. De gebieden Mariapeel en Deurnese Peelgebieden zijn bij besluiten van onderscheidenlijk 29 oktober 1986 en 12 mei 1992 aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/ EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979 L 103), zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20; hierna: Vogelrichtlijn). Voor Vogelrichtlijngebieden is de referentiedatum de datum waarop het aanwijzingsbesluit van kracht werd, tenzij die datum voor 10 juni 1994 ligt. In die situaties geldt 10 juni 1994 als referentiedatum. Voor de varkenshouderij op het perceel Snoertsebaan 9 is op 22 augustus 1989, derhalve voor de referentiedatum een milieuvergunning verleend.

4. [appellanten sub 1] voeren aan dat in het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Het plan staat er niet aan in de weg dat andere diercategorieën worden gehouden of andere huisvestingssystemen worden toegepast die een hogere ammoniakemissie hebben. Ook is het volgens hen mogelijk om stallen te bouwen op enkele open ruimten achter de bedrijfswoning.

4.1. Het bouwblok is in het wijzigingsplan strak om de bestaande en de voorziene bebouwing gelegd. Het betoog dat het wijzigingsplan meer bouwmogelijkheden voor stallen biedt, mist feitelijke grondslag.

4.2. In het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" is ervan uitgegaan dat de nieuwe stal wordt uitgevoerd met een biologische luchtwasser die de ammoniakemissie met 85% reduceert en van varkens als te houden diercategorie.

Voor het oordeel dat ten onrechte niet is uitgegaan van andere huisvestingssystemen en luchtwassers bestaat geen aanleiding. Hiertoe wordt overwogen dat deze vergunningplichtige inrichting na uitbreiding op grond van de geldende milieuregelgeving, waaronder het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, in werking zal moeten zijn en geen verdere uitbreidingsruimte voor stallen meer heeft. Derhalve is niet aannemelijk dat deze veehouderij legaal in werking zou kunnen zijn met minder geavanceerde huisvestingssystemen en luchtwassers dan waarvan in het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" is uitgegaan.

In dit geval brengen de maximale planologische mogelijkheden met zich dat op grond van het plan ter plaatse een intensieve veehouderij is toegestaan binnen het agrarische bouwblok. In het plan is niet vastgelegd dat in de bebouwing uitsluitend varkens mogen worden gehouden, zodat planologisch niet is uit te sluiten dat ter plaatse een andere diersoort met een hogere ammoniakemissie kan worden gehouden. Indien de gewenste diercategorie wel zou zijn vastgelegd in het plan was de situatie waarvan uit is gegaan bij het berekenen van de stikstofdepositie vanwege het bedrijf in zoverre planologisch vastgelegd en hadden significante gevolgen als gevolg van het wijzigingsplan uitgesloten kunnen worden. Nu dit niet het geval is, heeft het college zijn standpunt dat het plan geen significante effecten kan hebben niet mogen baseren op het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6". Het betoog slaagt.

5. [appellanten sub 1] voeren verder aan dat de stikstofdepositie niet op alle relevante onderdelen van het Natura 2000-gebied is berekend in het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6". In dit verband stellen zij dat ten onrechte geen berekening is uitgevoerd ter plaatse van de exclave De Bult. Dit klemt volgens hen temeer nu het plangebied dichter bij de exclave ligt en daardoor een grotere stikdepositie heeft op de exclave De Bult dan het perceel waarmee wordt gesaldeerd.

5.1. Uit de AAgro-Stacks berekeningen in het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" volgt dat op verschillende coördinaten in onder meer het

Natura 2000-gebied de stikstofdepositie is berekend. Het college heeft echter in het verweerschrift erkend dat de stikstofdepositie niet is berekend ter plaatse van de exclave De Bult. In zoverre is het rapport "Ammoniak Hoogdonkseweg 6" onvolledig en heeft het college dit rapport op dit punt niet aan het plan ten grondslag kunnen leggen. Het betoog slaagt.

6. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in strijd met

artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 op het standpunt gesteld dat het plan geen significante gevolgen kan hebben en heeft het ten onrechte het plan vastgesteld zonder een voorafgaande passende beoordeling en een MER. Het plan is derhalve vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 en artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Geur

7. [appellanten sub 1] betogen dat de geurbelasting vanwege de intensieve veehouderij na de voorziene uitbreiding daarvan zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de omwonenden. Zij voeren aan dat de geurbelasting zal leiden tot een percentage van 20 geurgehinderden en dat uit bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij volgt dat bij dat percentage sprake is van een matig tot tamelijk slecht leefklimaat. Zij betogen verder dat het geurrapport ondeugdelijk is, omdat bij het berekenen van de achtergrondbelasting ten onrechte is uitgegaan van het middelpunt van het bouwblok als broncoördinaat en van standaardwaarden in plaats van de werkelijke waarden van de emissiepunthoogte, de gemiddelde hoogte van de gebouwen, de emissiepuntdiameter en de uittreedsnelheid. Zij stellen - onder verwijzing naar p. 10, 11 en 32 van de Gebruikershandleiding V-stacks gebied 2010.1 (hierna: de Gebruikershandleiding) - dat de berekening van de achtergrondbelasting daarom slechts een quick scan is. Daarnaast voeren zij aan dat bij het percentage rekenuren 10 is ingesteld, terwijl op p. 19 van de Gebruikershandleiding staat dat dit percentage voor een kritische finale berekening op 25 moet worden ingesteld. Nu de geurbelasting is gemeten op de grens van hetgeen acceptabel wordt geacht, had een dergelijke berekening volgens hen moeten worden uitgevoerd. [appellanten sub 1] voeren verder aan dat de geurbelasting ten onrechte niet is berekend ter plaatse van het perceel Berktsedijk 9. Zij wijzen erop dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het perceel Berktsedijk 10 toeneemt tot 20,04 ou/m³ en verwachten dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het perceel Berktsedijk 9 nog hoger is. Ook is de geurbelasting ter plaatse van een nabijgelegen kalksteenfabriek ten onrechte niet berekend.

Ook [appellanten sub 2] vrezen voor geuroverlast vanwege de voorziene uitbreiding. Zij voeren aan dat het provinciebestuur heeft geconstateerd dat de berekening van de geurbelasting onjuist is. Ook voeren zij aan dat bij één woning een geurbelasting van 17,5 ou/m³ is gemeten door een adviesbureau en dat een ander adviesbureau bij dezelfde woning een geurbelasting van 56 ou/m³ heeft gemeten. Het college stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de geurbelasting vanwege de intensieve veehouderij na uitbreiding daarvan aanvaardbaar is.

7.1. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de te verwachten geurbelasting, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Geurberekening achtergrondbelasting Hoogdonkseweg 6 te Liessel" van ROBA Advies van januari 2014 (hierna: het geurrapport). In het geurrapport is zowel de voor- als de achtergrondbelasting op de omliggende woningen berekend. Uit de berekeningen volgt dat de achtergrondbelasting op de omliggende woningen 7,04 tot 20,04 ou/m³ bedraagt en dat het percentage geurgehinderden tussen de 12 en 20 ligt. De conclusie van het geurrapport is dat ten opzichte van de referentiesituatie in de nieuwe situatie een lichte wijziging optreedt van de achtergrondbelasting op de omliggende geurgevoelige objecten. De voorgrondbelasting wordt in de nieuwe situatie dermate sterk teruggedrongen dat de overbelaste situatie in de huidige vergunde situatie wordt opgelost, zo staat in het geurrapport.

7.2. Uit de gebiedsvisie "Evaluatie gebiedsvisie ten behoeve van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Deurne" (hierna: de gebiedsvisie), vastgesteld op 18 januari 2011, volgt dat voor de achtergrondbelasting in het buitengebied een waarde van 20 ou/m³ wordt nagestreefd. In bijlage 6 en 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij is een relatie gegeven tussen de achtergrondbelasting en de geurhinder. Uit de tabellen in deze bijlagen volgt dat bij een achtergrondbelasting van 20 ou/m³ een geurhinderpercentage van 20 hoort en dat bij dat geurhinderpercentage sprake is van een matig tot tamelijk slecht woon- en leefklimaat. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op de beleidsvrijheid die het college toekomt bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat, geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid een achtergrondbelasting van 20 ou/m³ aanvaardbaar heeft kunnen achten.

7.3. Uit bijlage 3 van het geurrapport volgt dat voor het berekenen van de achtergrondbelasting is uitgegaan van 10 rekenuren en van standaardwaarden voor de parameters van de veehouderijen in de omgeving, behoudens voor de veehouderijen op de percelen Moorveld 21, Donkweg 3 en Loon 39 en 60. Het college heeft toegelicht dat de geurbelasting van alle veehouderijen binnen een straal van twee km van het plangebied is meegenomen in het geuronderzoek en dat gebruik is gemaakt van die waarden om het model werkbaar te houden. Voor de veehouderijen op de percelen Moorveld 21, Donkweg 3 en Loon 39 en 60 is gebruik gemaakt van de werkelijke gegevens van die veehouderijen, uitgaande van recente ontwikkelingen op die locaties, omdat, zoals het college onweersproken heeft gesteld, dat de meest relevante veehouderijen zijn voor de geurbelasting bij de woningen in de omgeving van het plangebied. Het college heeft voorts gesteld dat de achtergrondbelasting op sommige woningen toeneemt vanwege een toename van de geurbelasting op die woningen door andere voorgenomen ontwikkelingen in de omgeving dan die van het wijzigingsplan "Hoogdonkseweg 6". Deze ontwikkelingen zijn meegenomen in het geuronderzoek.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de gebruikte waarden voor de veehouderijen die in het onderzoek zijn betrokken onvoldoende representatief zijn om aan het geuronderzoek ten grondslag te leggen. Ten aanzien van het percentage rekenuren wordt overwogen dat op p. 9 van de Gebruikershandleiding staat dat het percentage rekenuren zowel de rekentijd als de rekennauwkeurigheid bepaalt. De aanbevolen waarde is 10%, voor een snelle eerste som kan 3% worden genomen en voor een kritische finale berekening 25%, zo staat in de Gebruikershandleiding. In hetgeen [appellanten sub 1] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding om het in het geuronderzoek genomen uitgangspunt van een percentage van 10% rekenuren onredelijk te achten. Dat bij één woning een achtergrondbelasting van 20,04 ou/m³ is gemeten, geeft, gelet op de toelichting van het college en de gemeten achtergrondbelasting bij de overige woningen die ruim onder de 20 ou/m³ ligt, onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat met dit percentage rekenuren een onvoldoende nauwkeurig beeld van de achtergrondbelasting is verkregen.

Het ontbreken van een berekening van de achtergrondbelasting ter plaatse van het perceel Berktsedijk 9 en de kalksteenfabriek leidt niet tot het oordeel dat het geuronderzoek dusdanig ondeugdelijk is dat het college zich er niet in redelijkheid op heeft mogen baseren. Hiertoe wordt overwogen dat de woning Berktsedijk 10 een stijging van de achtergrondbelasting, die bij deze woning maatgevend is, vanwege het plan zal ondervinden van 0,05 ou/m³, tot 20,04 ou/m³. De woning Berktsewijk 9 ligt, gezien vanaf het plangebied, achter de woning Berktsedijk 10. Het standpunt van het college dat de stijging van de achtergrondbelasting vanwege het plan niet groter zal zijn dan bij de woning Berktsedijk 10, acht de Afdeling aannemelijk. Over de kalksteenfabriek wordt overwogen dat de woning Hoogdonkseweg 16 een voorgrondbelasting van 14 ou/m³ en een achtergrondbelasting van 15,79 ou/m³ zal ondervinden. De Afdeling acht het aannemelijk dat de geurbelasting bij de kalksteenfabriek, die gezien vanaf het plangebied achter die woning staat, niet hoger zal zijn.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat in het geurrapport niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan.

Met de enkele stelling dat het provinciebestuur van Noord-Brabant heeft geconstateerd dat de berekening van geurhinder ondeugdelijk is, hebben [appellanten sub 2] niet aangegeven op welke punten het geurrapport ondeugdelijk zou zijn. Met deze algemene stelling hebben zij derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het geurrapport gebreken vertoont.

In een advies van het adviesbureau Bergs Advies, waarnaar [appellanten sub 2] verwijzen, zijn hogere waarden voor de achtergrondbelasting berekend dan in het geurrapport. Het college heeft toegelicht dat Bergs Advies de geurbelasting heeft berekend vanaf andere meetpunten die minder nauwkeurig zijn dan in het geurrapport. Volgens het college was het voorheen gebruikelijk om in het Bestand Veehouderijbedrijven Brabant, van welke gegevens bij het berekenen van de geurbelasting gebruik is gemaakt, het coördinaat van de inrichting op de bedrijfswoning te leggen, hetgeen niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Inmiddels zijn alle coördinaten van inrichtingen op het middelpunt van de stallen gelegd, wat de feitelijke situatie het beste benadert. Hiervan is in het geurrapport gebruik gemaakt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding om niet van de juistheid van het standpunt van het college uit te gaan. Het betoog faalt.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het geurrapport dusdanige gebreken vertoont dat het college zijn besluitvorming daar niet op heeft mogen baseren.

7.4. Uit de tabellen 3 en 3a van het geurrapport volgt dat de voorziene uitbreiding en wijziging van de intensieve veehouderij leidt tot een geringe stijging van de achtergrondbelasting bij een aantal woningen en tot een daling van de achtergrondbelasting bij de woningen Hoogdonkseweg 11, 12, 13, 14, 16 en Bulseweg 2. Ook volgt uit deze tabellen dat het percentage geurgehinderden dat bij de gewijzigde achtergrondbelasting hoort gelijk blijft ten opzichte van de huidige situatie. Het plan leidt dus niet tot een toename van het percentage geurgehinderden en brengt in zoverre dus geen verandering in de kwalificatie van het woon- en leefklimaat van het gebied. Zoals uit overweging 7.2. volgt, heeft het college de achtergrondbelasting vanwege het plan aanvaardbaar kunnen achten. Het betoog dat het plan vanwege de geurbelasting leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de omwonenden, faalt.

Overige beroepsgronden

8. [appellanten sub 2] betogen - kort gezegd - dat het bouwblok dat in het voorheen geldende plan was opgenomen ter plaatse van het perceel Hoogdonkseweg 6 op merkwaardige wijze en in strijd met het reconstructieplan De Peel tot stand is gekomen. De ruimte binnen het vorige bouwvlak die niet kan worden benut, is in dit plan samengevoegd om door een vormverandering ruimte te creëren voor een nieuwe stal. Zij betogen dat hierdoor geen sprake meer is van vormverandering, maar van een nieuw bouwblok. [appellanten sub 2] betogen voorts dat het wijzigingsplan in strijd is met het gemeentelijke beleid. Hiertoe voeren zij aan dat het perceel niet in een landbouwontwikkelingsgebied ligt waar de agrarische functie voorop staat en nieuwe agrarische ontwikkelingen in beginsel passend zijn, maar in overig agrarisch gebied. In de gemeentelijke structuurvisie staat dat het overig agrarisch gebied bedoeld is als een gemengd gebied waar de agrarische functie voorop staat, maar niet dominant is. De agrarische functies in dit gebied zijn voornamelijk grondgebonden. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat momenteel een onderzoek plaatsvindt in opdracht van het Rijk naar de gevolgen van intensieve veehouderijen voor de volksgezondheid. Gelet op de onduidelijkheden over de geurbelasting vanwege het bedrijf en de gezondheidsrisico's voor omwonenden, had het college het plan niet daarop vooruitlopend mogen vaststellen.

8.1. De betogen van [appellanten sub 2] ten aanzien van de wijze van totstandkoming van de omvang van het bouwblok dat in het voorheen geldende plan was opgenomen, kunnen niet in deze procedure, waarin het wijzigingsplan ter beoordeling staat, aan de orde komen.

8.2. Het betoog dat geen sprake is van een vormverandering van een bouwblok maar van een nieuw bouwblok, faalt. In het voorheen geldende plan was reeds een bouwblok opgenomen voor het perceel Hoogdonkseweg 6. Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in een vormverandering van dat bouwblok, zodat de onbebouwde ruimte binnen dat bouwblok kan worden benut.

8.3. In de "Structuurvisie Deurne", die is vastgesteld op 6 december 2011, staat ten aanzien van "Overig agrarisch gebied" dat dit gebied een gemengd gebied zonder uitgesproken dominante functie is, hoewel de agrarische functie voorop staat en dat de agrarische functies binnen dit gebied voornamelijk grondgebonden zijn. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij in het "Overig agrarisch gebied" niet is toegestaan. Het betoog dat het wijzigingsplan in strijd met de "Structuurvisie Deurne" is, faalt.

8.4. De omstandigheid dat een onderzoek plaatsvindt in opdracht van het Rijk naar de gevolgen van intensieve veehouderijen voor de volksgezondheid, brengt niet met zich dat het college het wijzigingsplan niet had mogen vaststellen. Het betoog faalt.

9. [appellanten sub 2] stellen voorts dat zij overlast ondervinden van het bedrijf, doordat het verkeer van en naar de intensieve veehouderij illegaal gebruik maakt van de niet-verharde wegen Bulseweg en de Donkseweg. Zij vrezen dat de overlast die hierdoor wordt veroorzaakt groter wordt als de intensieve veehouderij mag uitbreiden.

9.1. Het betoog van [appellanten sub 2] dat het verkeer van en naar het bedrijf gebruik maakt van de Bulseweg en de Donkseweg ondanks de verbodsborden voor ander verkeer dan bestemmingsverkeer die bij die wegen zijn geplaatst, betreft een handhavingsaspect. Handhavingsaspecten kunnen niet in deze wijzigingsplanprocedure aan de orde komen. Hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren, geeft geen aanleiding voor het oordeel het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verkeer van en naar het bedrijf kan worden afgewikkeld op de bestaande wegen zonder overlast te veroorzaken.

10. [appellanten sub 2] betwisten dat een uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is. Zij voeren aan dat de productie van het bedrijf bewust wordt vergroot zodat het eigen afmestbedrijf die productie niet meer kan verwerken en een uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is. Dit is volgens hen een oneigenlijk argument voor de uitbreiding.

10.1. In paragraaf 7.1 van de plantoelichting staat dat er aantoonbare ruimtelijk-economische belangen zijn voor de uitbreiding ter plaatse. Het bedrijf moet voldoen aan de milieu- en welzijnseisen. De aanpassingen die hiervoor doorgevoerd dienen te worden, zijn alleen rendabel als er een uitbreiding plaatsvindt. [belanghebbende] heeft naast de vleesvarkenshouderij aan de Hoogdonkseweg 6 nog een zeugenhouderij. Op dit moment heeft de zeugenhouderij een grotere omvang ten opzichte van het aantal vleesvarkens dat gehuisvest kan worden. In de toelichting staat dat door de uitbreiding aan de Hoogdonkseweg in vleesvarkens een "gesloten varkenshouderij" op beide locaties ontstaat. Alle biggen welke worden geproduceerd binnen de eigen fokkerij kunnen dan worden gehuisvest op de Hoogdonkseweg. Hiermee heeft [belanghebbende] de keten van fokkerij tot levering aan de slachterij in eigen handen, wat een economisch voordeel met zich brengt en uit het oogpunt van dierengezondheid een verbetering teweeg brengt voor het bedrijf. Doordat het bedrijf een gesloten eenheid is en minder afhankelijk van andere partijen binnen de keten, kan tevens de arbeid binnen het bedrijf veel efficiënter worden benut. Daarnaast betekent de uitbreiding op het bedrijf een verbetering voor de omgeving, daar de nieuwste technieken worden toegepast wat betreft, geur-, ammoniak-, en fijnstofreductie. Zodoende is er een noodzaak de uitbreidingen uit te voeren om het bedrijf ook in de toekomst rendabel te houden, zo staat in de plantoelichting. Het standpunt van het college dat de uitbreiding noodzakelijk is om het bedrijf rendabel te houden gezien de aanpassingen die het bedrijf moet ondergaan om te kunnen voldoen aan milieu- en dierenwelzijnseisen, acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

11. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw, gelezen in samenhang met artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

12. Het college dient ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 18 februari 2014 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hoogdonkseweg 6";

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Deurne op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor onder II. vermelde onderdeel wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deurne tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015

618.