Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
201401191/1/A2 en 201401988/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:4830, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak nr. 201401988/1/A2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401191/1/A2 en 201401988/1/A2.

Datum uitspraak: 25 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2014 in zaak nr. 13/6195 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Den Haag,

en

de Belastingdienst/Toeslagen,

alsmede op het hoger beroep van:

[wederpartij],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2014 in zaak nr. 13/9122 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Zaak nr. 201401988/1/A2

Bij besluit van 2 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.153,00.

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch de betalingsregeling gewijzigd vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.138,00.

Bij uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak (hierna: aangevallen uitspraak 1). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

Zaak nr. 201401191/1/A2

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.929,00.

Bij besluit van 2 oktober 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] tegen het besluit van 12 juli 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch de betalingsregeling gewijzigd vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 784,00.

Hiertegen heeft [wederpartij] beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 2 oktober 2013 herroepen (lees: ingetrokken), het door [wederpartij] tegen het besluit van 12 juli 2013 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en de betalingsregeling gewijzigd vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 704,00.

Bij mondelinge uitspraak van 28 januari 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 2 oktober 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 10 januari 2014 ontstane beroep ongegrond verklaard (hierna: aangevallen uitspraak 2). Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [wederpartij] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 30 september 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft de zaken vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2. Ingevolge artikel 4:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.

Ingevolge het vierde lid kan het bestuursorgaan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.

Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, heeft de belanghebbende de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Ingevolge artikel 31 worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, maant de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende schriftelijk aan, indien deze niet binnen de gestelde termijn het bedrag van de terugvordering, daaronder begrepen de in artikel 27 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten, betaalt, om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.

Ingevolge het tweede lid kan de invordering van het bedrag van de terugvordering geschieden bij een door de Belastingdienst/Toeslagen uit te vaardigen dwangbevel. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Awb kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde renten worden ingevorderd.

Ingevolge het derde lid geschiedt de betekening van het dwangbevel met overeenkomstige toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990.

De in artikel 31 van de Awir bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir stelt de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40,00 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

Ingevolge het derde lid eindigt een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40,00 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40,00 verlangen.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

Ingevolge het zesde lid zijn de voorgaande leden niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt onder betalingscapaciteit verstaan: het positieve verschil in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.

De Belastingdienst/Toeslagen voert ten aanzien van de toepassing van de Uitvoeringsregeling Awir en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 beleid, neergelegd in de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad).

Volgens artikel 79.7 van de Leidraad, voor zover hier van belang, is uitgangspunt dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20,00 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag meer bedraagt dan € 480,00 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is.

Volgens artikel 79.8, voor zover hier van belang, kan de Belastingdienst/Toeslagen een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De artikelen 11, 12 en 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner. Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen.

Volgens artikel 79.8a geldt in aanvulling op artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir het volgende. Voor een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner kan de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- De belanghebbende verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen om een dergelijke regeling.

- De belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat hij niet meer beschikt over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld.

- De regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.

Als het mogelijk is om een regeling van korter dan 24 maanden te treffen, moet die kortere regeling worden overeengekomen, afhankelijk van de betalingscapaciteit. Een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner en waarvoor geen betalingsregeling overeengekomen kan worden, moet geheel worden ingevorderd. Als belanghebbende of diens partner aannemelijk maakt dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte ontvangen voorschot, belichaamd in de toeslagschuld, houdt de Belastingdienst/Toeslagen, op verzoek, bij de verrekening van een voorschot met die toeslagschuld, er rekening mee dat belanghebbende een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet.

Besluitvorming van de Belastingdienst/Toeslagen

3. Bij besluit van 4 december 2010 is aan [wederpartij] een voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2011 toegekend van € 14.875,00.

[wederpartij] heeft in 2011 twee wijzigingen doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. De op 9 november doorgegeven wijziging heeft geleid tot het besluit 29 november 2011, waarbij het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2011 gewijzigd is vastgesteld op 16.983,00.

Bij besluit van 2 juli 2013 is de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2011 - definitief - vastgesteld op nihil.

3.1. Bij besluit van 29 december 2011 is aan [wederpartij] een voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2012 toegekend van € 30.406,00.

Bij brieven van 4 augustus 2012, 14 augustus 2012, 3 september 2012 en 8 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [wederpartij] verzocht om gegevens over haar kinderen of aanvullende informatie over de kinderopvang door te geven. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op deze brieven geen reactie van [wederpartij] ontvangen.

Naar aanleiding van een door [wederpartij] op 17 september 2012 doorgegeven wijziging aan de Belastingdienst/Toeslagen, is bij besluit van 23 oktober 2012 het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2012 gewijzigd vastgesteld op € 26.428,00.

Bij besluit van 21 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] voor het jaar 2012 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

3.2. Bij besluit van 2 januari 2013, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 juli 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen beslist op het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling van 17 december 2012. In het verweerschrift bij de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen het standpunt ingenomen dat in het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 bij de vaststelling van de betalingsregeling ten onrechte de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 en kindgebonden budget over de berekeningsjaren 2010 en 2011 zijn betrokken. In het verweerschrift heeft de Belastingdienst/Toeslagen verder vermeld dat de regeling voor de betaling van de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 dient te worden vastgesteld op 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.067,00, ingaande 31 juli 2013.

Bij besluit van 12 juli 2013, gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen beslist op een ander verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. Bij besluit van 10 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 2 oktober 2013 ingetrokken, omdat in dat besluit bij de vaststelling van de betalingsregeling ten onrechte de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2010 en huurtoeslag over het berekeningsjaar 2011 zijn betrokken. Daarnaast is bij besluit van 10 januari 2014 de regeling voor de betaling van de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2011 vastgesteld op 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 704,00, ingaande 31 januari 2013.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van [wederpartij] het ontstaan van de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2011 en 2012 is te wijten aan opzet of grove schuld van haar of haar partner. Het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling, namelijk een regeling die is afgestemd op de betalingscapaciteit, heeft de Belastingdienst/Toeslagen om die reden afgewezen. De dienst heeft [wederpartij] alleen een betalingsregeling toegestaan waarbij de als gevolg van deze terugvorderingen ontstane toeslagschuld in 24 gelijke maanden geheel wordt terugbetaald.

Aangevallen uitspraken

4. In de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2012 is te wijten aan opzet of grove schuld van [wederpartij]. De rechtbank heeft overwogen dat de nalatigheid die [wederpartij] kan worden verweten, gelegen is in de omstandigheid dat zij niet heeft gereageerd op de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 4 augustus 2012. Naar het oordeel van de rechtbank valt dit niet aan te merken als een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van onachtzaamheid. De rechtbank heeft om die reden het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 vernietigd.

In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het standpunt heeft ingenomen dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van [wederpartij]. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [wederpartij] redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat tot een te hoog bedrag aan voorschotten kinderopvangtoeslag over 2011 zou worden toegekend. Daarom was sprake van grove schuld in de zin van ernstige nalatigheid bij [wederpartij], aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen [wederpartij] terecht slechts in aanmerking gebracht voor een betalingsregeling waarbij het terugvorderingsbedrag in 24 gelijke maanden volledig wordt terugbetaald.

Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 heeft miskend dat hij het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling, afgestemd op haar betalingscapaciteit, mocht afwijzen. De Belastingdienst/Toeslagen voert daartoe aan dat het handelen, dan wel nalaten van [wederpartij] moet worden aangemerkt als opzet of grove schuld. De Belastingdienst/Toeslagen acht daartoe redengevend dat [wederpartij] in het berekeningsjaar 2012 ten behoeve van haar kinderen geen kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) heeft genoten en derhalve wist, dan wel behoorde te weten dat zij geen recht had op de door haar ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag.

5.1. De Belastingdienst/Toeslagen kan uitstel van betaling van het bedrag van de terugvordering verlenen. Het beleid van de Belastingdienst/Toeslagen houdt in dat in beginsel een standaardbetalingsregeling wordt aangeboden, waarbij het gehele bedrag van de terugvordering in maximaal 24 gelijke termijnen dient te worden betaald. Als de belanghebbende niet in staat is het bedrag van de terugvordering te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardbetalingsregeling, dan kan de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek een persoonlijke betalingsregeling aanbieden waarbij rekening wordt gehouden met de betalingscapaciteit van de belanghebbende en van diens eventuele toeslagpartner.

5.2. Op grond van artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir staat de Belastingdienst/Toeslagen geen betalingsregeling toe indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In aanvulling hierop voert de Belastingdienst/Toeslagen beleid, neergelegd in de Leidraad, dat in een dergelijke situatie onder bepaalde voorwaarden wel een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden kan worden toegestaan. De regeling moet dan wel leiden tot betaling van de volledige schuld binnen die periode. Dit betekent dat in het geval waarin volgens de Belastingdienst/Toeslagen het ontstaan van de toeslagschuld is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling - een regeling waarbij rekening wordt gehouden met de betalingscapaciteit - zal worden afgewezen.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft naar voren gebracht dat hij voor de invulling van de begrippen opzet of grove schuld in dit soort situaties aansluit bij de definities van deze begrippen in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen.

Volgens paragraaf 2, ten eerste, van dit besluit is grove schuld een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat dit mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

Volgens die paragraaf, ten tweede, is opzet het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet.

Volgens die paragraaf, ten derde, dient de Belastingdienst/Toeslagen de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. De Belastingdienst/Toeslagen kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.

5.3. Niet in geschil is dat [wederpartij] in het berekeningsjaar 2012 voor haar kinderen geen gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang of opvang in een kindercentrum. Zij heeft dus geen kosten van kinderopvang gemaakt waarvoor aanspraak kan bestaan op kinderopvangtoeslag, als bedoeld in artikel 1.5 van de Wko. [wederpartij] had, gelet hierop, redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zij geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag, zodat haar ten onrechte voorschotten waren toegekend. Anders dan [wederpartij] stelt, is niet aannemelijk geworden dat zij de Belastingdienst/Toeslagen over deze situatie heeft geïnformeerd. Daar komt bij dat [wederpartij] op 17 september 2012 een digitale wijziging van haar gegevens betreffende het recht op kinderopvangtoeslag aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven die niet strekte tot beëindiging van de voorschotverlening. Zij is derhalve ernstig nalatig geweest de juiste gegevens over haar recht op kinderopvangtoeslag aan de Belastingdienst/Toeslagen te verstrekken. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontstaan van de toeslagschuld van [wederpartij] is te wijten aan grove schuld. De dienst heeft daarom het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling op goede gronden afgewezen.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak 1 dan ook ten onrechte tot een andere conclusie gekomen. De rechtbank heeft in die uitspraak ten onrechte overwogen dat [wederpartij] alleen valt te verwijten dat zij niet heeft gereageerd op de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 4 augustus 2012.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen is gegrond. De aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 toetsen in het licht van de overige daartegen bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden.

Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit op bezwaar van 12 juli 2013

7. [wederpartij] voert aan dat het door de Belastingdienst/Toeslagen in het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 vastgestelde maandelijkse termijnbedrag van € 1.138,00 te hoog is, gezien haar inkomen en dat van haar partner, de overige schulden en de gezinssituatie met vier kinderen. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de betalingsregeling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met andere toeslagschulden, aldus [wederpartij].

7.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat een persoonlijke betalingsregeling wordt toegekend voor een periode van twee jaar en dat bij een dergelijke regeling geen dwanginvordering door de deurwaarder plaatsvindt. Indien door de Belastingdienst/Toeslagen geen persoonlijke betalingsregeling is toegestaan en de belanghebbende in gebreke blijft de toeslagschuld te voldoen, zal wel dwanginvordering plaatsvinden. Dit laat onverlet dat de deurwaarder ook in die situatie verplicht is rekening te houden met de beslagvrije voet van de schuldenaar als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. De toeslagschuld wordt dan afhankelijk van de hoogte van de beslagruimte ingevorderd.

7.2. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, mocht de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling afwijzen, omdat het ontstaan van de toeslagschuld is te wijten aan grove schuld. De Uitvoeringsregeling Awir staat in een dergelijke situatie de Belastingdienst/Toeslagen niet toe om bij de vaststelling van de betalingsregeling rekening te houden met de persoonlijke financiële situatie van de belanghebbende of met andere toeslagschulden. Uit de Leidraad volgt dat in dit geval de gehele toeslagschuld in maximaal 24 maanden wordt terugbetaald. De Belastingdienst/Toeslagen is niet gehouden een langere terugbetalingstermijn te bieden, nu de Uitvoeringsregeling Awir daarvoor geen ruimte biedt. Hierbij zij aangetekend dat de Belastingdienst/Toeslagen, in het geval die dienst de toeslagschuld verrekent met het voorschot op een tegemoetkoming, op verzoek van de belanghebbende rekening dient te houden met de omstandigheid dat de belanghebbende maandelijks een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet.

Het betoog van [wederpartij] heeft betrekking op de vraag in hoeverre de deurwaarder van de Belastingdienst/Toeslagen beslag mag leggen en of de beslagvrije voet daarbij in acht wordt genomen. Dit moet worden onderscheiden van de vaststelling van de hoogte van de maandelijkse termijnen van de betalingsregeling door die dienst, waar de in geding zijnde besluitvorming over gaat. De vraag of de deurwaarder bij de dwanginvordering van de toeslagschuld op de juiste wijze rekening houdt met de beslagvrije voet kan in deze procedure niet aan de orde komen. Voor zover [wederpartij] meent dat haar inkomen door de invordering van de toeslagschuld beneden de beslagvrije voet komt, zal zij zich tot de Belastingdienst/Toeslagen en zo nodig tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

8. Zoals hiervoor onder 3.2 is weergegeven, heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het verweerschrift in beroep van 18 oktober 2013 het standpunt ingenomen dat de regeling voor de betaling van de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 dient te worden vastgesteld op 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.067,00, ingaande op 31 juli 2013. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het verweerschrift erkend dat het in het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 vermelde termijnbedrag onjuist is berekend.

Gelet op het voorgaande zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit op bezwaar van 12 juli 2013 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

8.1. Gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen en nu niet is gebleken dat het termijnbedrag van € 1.067,00 onjuist is, bestaat aanleiding het geschil definitief te beslechten. De Afdeling zal, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 2 januari 2013 te herroepen in die zin dat de betalingsregeling in verband met de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2012 wordt vastgesteld op 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.067,00, ingaande op 31 juli 2013. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Het hoger beroep van [wederpartij]

9. [wederpartij] betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte de betalingsregeling niet heeft afgestemd op haar betalingscapaciteit. Zij voert aan dat zij vertrouwde op haar adviseur dat zij recht had op kinderopvangtoeslag. [wederpartij] brengt verder naar voren bereid te zijn de teruggevorderde voorschotten kinderopvangtoeslag te betalen, maar dat de door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde maandelijkse termijnen van € 704,00 te hoog zijn, gezien haar inkomenssituatie. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de betalingsregeling ten onrechte geen rekening gehouden met andere toeslagschulden, aldus [wederpartij].

9.1. Dit betoog is gelijkluidend aan het hiervoor onder 7 weergegeven betoog van [wederpartij].

In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het standpunt heeft ingenomen dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan grove schuld van [wederpartij], aangezien, zoals ter zitting bij de rechtbank namens haar is toegegeven, [wederpartij] in het berekeningsjaar 2011 voor haar kinderen geen gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang of opvang in een kindercentrum. Aldus heeft zij geen kosten van kinderopvang gemaakt waarvoor aanspraak kan bestaan op kinderopvangtoeslag, als bedoeld in artikel 1.5 van de Wko. [wederpartij] had, gelet hierop, redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zij geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag, zodat haar ten onrechte voorschotten waren toegekend. De stelling van [wederpartij] dat zij vertrouwde op haar adviseur, wat daar verder ook van zij, doet daar niet aan af.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 7.1 en 7.2 is overwogen, is de Belastingdienst/Toeslagen niet gehouden een langere terugbetalingstermijn te bieden dan de geboden betalingsregeling van 24 gelijke termijnen, nu de Uitvoeringsregeling Awir daar geen ruimte voor biedt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2 terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling mocht afwijzen.

10. Het hoger beroep van [wederpartij] is ongegrond. De aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

Proceskosten

11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [wederpartij] ongegrond;

II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2014 in zaak nr. 13/9122, voor zover aangevallen;

III. verklaart het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2014 in zaak nr. 13/6195;

V. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

VI. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 12 juli 2013, kenmerk IVT/144905383/61610;

VII. herroept het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 2 januari 2013, kenmerk IVT/144905383/57557, in die zin dat de regeling voor betaling van de reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 wordt vastgesteld op 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 1.067,00, ingaande op 31 juli 2013;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IX. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [wederpartij] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 88,00 (zegge: achtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Koster

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015

710.