Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:872

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
201407257/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:4552, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 1.829,45 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407257/1/A2.

Datum uitspraak: 18 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wezep, gemeente Oldebroek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2014 in zaak nr. 13/7034 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 1.829,45 toegekend.

Bij besluit van 22 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 7.810,86 toegekend.

Bij uitspraak van 22 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] is op 15 februari 2015 overleden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht, of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] was ten tijde van belang eigenaar van de woning met tuin, erf en ondergrond op het perceel aan de [locatie] te Wezep (hierna: het perceel). Op 6 maart 2012 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade, bestaande uit een vermindering van de waarde van zijn eigendom, die hij heeft geleden als gevolg van het bestemmingsplan Wezep, Bovenheigraaf, van 12 april 2011 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit plan is de planologische basis voor het oprichten van zeven woningen op een dichtbij het perceel gelegen gebied (hierna: het plangebied) dat onder het bestemmingsplan Wezep-West van 13 september 2005 (hierna: het oude bestemmingsplan) voor woondoeleinden was bestemd.

4. Het college heeft aan het besluit van 22 oktober 2013 een advies van het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur van 22 mei 2013 ten grondslag gelegd. In dat advies is, wat de planologische mogelijkheden van het plangebied betreft, een vergelijking tussen het oude en het nieuwe bestemmingsplan gemaakt. De vergelijking berust onder meer op de veronderstelling dat het krachtens het oude bestemmingsplan mogelijk was om in het plangebied, dichtbij de grens met het perceel, een bij een andere woning behorend vrijstaand bijgebouw op te richten, zodat [appellant] onder het oude planologische regime niet zeker was van een vrij uitzicht en de planologische verandering slechts een geringe aantasting van het uitzicht tot gevolg heeft.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014 in zaak nr. 201300738/1/A2 heeft overwogen dat het krachtens het oude bestemmingsplan mogelijk was om in het plangebied, dichtbij de grens met het perceel, een bij een andere woning behorend vrijstaand bijgebouw op te richten. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte met een wijziging van de eigendomsverhoudingen in het plangebied rekening is gehouden.

5.1. In de eigendomsverhoudingen is geen grond te vinden voor het oordeel dat bebouwing van het plangebied met een vrijstaand bijgebouw, na verkoop van een deel van dit gebied aan de eigenaar van de woning van een belendend perceel, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Bij de planvergelijking is de feitelijke situatie, zoals de eigendom van een perceel, niet van belang. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 in zaak nr. 201403533/1/A2. Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014 in zaak nr. 201302431/1/A2 kan [appellant] niet baten, omdat die uitspraak, naar het college terecht heeft aangevoerd, niet ziet op een vergelijkbaar geval.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015

452.