Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
201407383/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:3085, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2013 heeft het college geweigerd [appellant] op zijn verzoek in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407383/1/A3.

Datum uitspraak: 18 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Almere,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2014 in zaak nrs. 14/3309 en 14/3609 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2013 heeft het college geweigerd [appellant] op zijn verzoek in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Bij besluit van 25 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.B.M. Swart, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Dodewaard, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp), wordt onder het woonadres verstaan: 1. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; 2. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten. Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder p, wordt onder briefadres verstaan het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen. Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, wordt, indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, op aangifte een briefadres opgenomen. Ingevolge het tweede lid is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ambtshalve een briefadres op te nemen indien het woonadres ontbreekt en geen aangifte wordt gedaan van een briefadres. Ingevolge artikel 2.39, derde lid, kiest, indien een ingezetene geen woonadres heeft, hij een briefadres. Ingevolge artikel 2.45, eerste lid, geeft degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Ingevolge artikel 2.47 verstrekt degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

2. Het college heeft de bij besluit van 25 april 2014 gehandhaafde weigering om [appellant] in te schrijven op het verzochte briefadres gebaseerd op artikel 2.45, eerste lid, van de Wet brp. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] in zijn verzoek alsmede in zijn bezwaarschrift onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen. Hierdoor is niet vast te stellen of [appellant] met een briefadres kan worden opgenomen in de Basisregistratie personen, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op dat standpunt mocht stellen. Hij voert daartoe allereerst aan dat hij alle relevante inlichtingen aan het college heeft verstrekt nu hij zijn noodadressen heeft opgegeven en hij ook heeft verklaard te overnachten in verschillende tuinhuisjes. Dat het college wenst te vernemen in welke tuinhuisjes hij exact verblijft, is volgens hem niet relevant, nu hij daar illegaal in overnacht. Dit brengt tevens mee dat hij een gerechtvaardigde reden heeft om niet kenbaar te maken in welke tuinhuisjes hij overnacht, omdat hij daar anders niet meer kan overnachten. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem als stadsnomade had moeten aanmerken en hem op grond daarvan een briefadres had moeten toekennen.

3.1. Op 6 januari 2014 is de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba) vervangen door de Wet brp. Overeenkomstig hetgeen de Afdeling heeft overwogen over de Wet gba (onder meer in de uitspraak van 27 januari 2010 in zaak nr. 200904982/1/H3; www.raadvanstate.nl), wordt vooropgesteld dat het doel van de Wet brp is dat de in de basisregistratie personen vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de basisregistratie personen gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Voor zover geen adres kan worden aangewezen dat door de betrokkene wordt bewoond, moet ingevolge artikel 1.1 van de Wet brp het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten als diens woonadres worden beschouwd. Eerst bij het ontbreken van een woonadres, geldt een briefadres als adres.

3.2. Op het aanvraagformulier heeft [appellant] bij de vraag op welk adres dan wel adressen hij de komende zes maanden verblijft en voor hoe lang hij daar verblijft drie adressen ingevuld. Voorts heeft hij ingevuld illegaal te overnachten in verschillende tuinhuisjes. Bij de vraag op welk adres dan wel adressen hij zijn privéspullen zoals kleding, meubels, persoonlijke documenten et cetera bewaart, heeft hij niets ingevuld. Uit het verslag van de hoorzitting bij de bezwaarschiftencommissie volgt dat het college tijdens de hoorzitting aan [appellant] uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt te willen weten in welke tuinhuisjes en overige plekken hij verblijft. Nu [appellant] immers heeft verklaard slechts incidenteel op de in het aanvraagformulier genoemde drie adressen te verblijven, wil het college van [appellant] weten waar hij dan wel verblijft. Met die informatie kan vervolgens worden onderzocht of hij daadwerkelijk geen woonadres heeft. Het college heeft daarbij toegelicht dat het altijd uitgebreid onderzoek doet, waarbij over een langere periode meerdere controles worden uitgevoerd. In het besluit op bezwaar van 25 april 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant], hoewel daartoe voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld, nog steeds geen inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen. Ook ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] geen inlichtingen verstrekt. Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen en hij daarom geen recht heeft op een briefadres. Dat [appellant], naar hij stelt, zijn slaapplek in de tuinhuisjes kwijt dreigt te raken indien hij daarover inlichtingen verstrekt, maakt niet dat het college deze inlichtingen niet mocht verlangen om met zekerheid te kunnen vaststellen dat geen briefadres wordt toegekend aan een persoon die beschikt over een woonadres en aan de weigering deze te verstrekken geen consequenties mocht verbinden. Wat betreft zijn betoog dat het college hem als stadsnomade had moeten aanmerken en hem op grond daarvan een briefadres had moeten toekennen, wordt als volgt overwogen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp (Kamerstukken II 2011/2012, 33 219, nr. 3, blz. 39) is de bevoegdheid van het college om iemand een briefadres toe te kennen met name bedoeld voor stadsnomaden die aantoonbaar in een gemeente verblijven zonder daar een vast woonadres te hebben en die geen briefadres willen kiezen. Deze situatie doet zich hier niet voor, nu het college niet heeft kunnen vaststellen of [appellant] een vast woonadres heeft en derhalve ook niet heeft kunnen vaststellen of [appellant] een stadsnomade is. Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellant] dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak maakt op een briefadres, omdat het college volgens hem in een vergelijkbaar geval wel een briefadres heeft toegekend, faalt, nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om rechtens gelijke gevallen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015

176-818.