Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
201401588/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2013, met kenmerk 41538, heeft de raad het bestemmingsplan "Bavel, Pastoor Doensstraat-Kloosterstraat" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2015/7326
BR 2015/52 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
TBR 2015/83 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2015/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401588/1/R3.

Datum uitspraak: 18 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te [woonplaats], gemeente Breda,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Breda,

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2013, met kenmerk 41538, heeft de raad het bestemmingsplan "Bavel, Pastoor Doensstraat-Kloosterstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 16 oktober 2014, met kenmerk 42568, heeft de raad het bestemmingsplan "Bavel, Pastoor Doensstraat-Kloosterstraat" gewijzigd en geheel opnieuw vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hun zienswijze over het besluit van 16 oktober 2014 naar voren gebracht.

De raad heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bogor Projectontwikkeling B.V. (hierna: Bogor) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2015, waar [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.H.M. Verdaas, de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Zwier, advocaat te Breda, mr. E.P.C. Remijn, C.M.H.A. van Bijsterveld, M.N. de Pooter en M.T.M. Burm, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Bogor verschenen, vertegenwoordigd door mr. L.C.J. Dekkers, advocaat te Alphen aan den Rijn, J. van der Burg, ir. A.E.M. van de Reijt en J.P. Bouter.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Beroepen van rechtswege

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

3.1. Het besluit van 16 oktober 2014 is een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en de beroepen hebben van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

Het plan

4. Het plan voorziet in een herontwikkeling van de percelen Pastoor Doensstraat 4 en Kloosterstraat 11-19, te Bavel en maakt onder meer een supermarkt, winkels, (zorg-)woningen en een parkeerplaats mogelijk. Het plangebied bestaat uit twee plandelen met de bestemmingen "Centrum" en "Verkeer". Aan de gronden met de bestemming "Centrum" zijn twee bouwvlakken toegekend. Het zuidelijke bouwvlak is onder meer voorzien van de aanduiding "supermarkt".

5. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

c. detailhandel, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "supermarkt" maximaal 1 supermarkt is toegestaan met een maximum brutovloeroppervlakte (hierna: bvo) van 1.642 m²;

d. ter plaatse van de aanduiding "laad- en losplaats" uitsluitend voor expeditieruimte, te weten uitsluitend bestemd voor het laden en lossen van goederen;

met dien verstande dat de onder a tot en met i genoemde functies uitsluitend op de begane grond zijn toegestaan;

j. wonen op de verdiepingen (…) waarbij het aantal woningen niet mag worden vermeerderd;

k. in afwijking van het bepaalde onder j is ter plaatse van de aanduiding "wonen" op de verdiepingen het volgende toegestaan:

1. maximaal 8 gestapelde woningen (…) en maximaal 22 zorgwoningen, of

2. maximaal 33 zorgwoningen met daarbij behorend:

l. groen;

n. parkeren;

o. verkeer.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen, straten, paden;

b. parkeren.

Procedureel

6. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de in paragraaf 4.2 van de plantoelichting vermelde parkeerbalans van het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng van 16 juli 2012 (hierna: parkeerbalans) ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen en dat afdeling 3.4 van de Awb bij het besluit van 16 oktober 2014 had moeten worden gevolgd.

6.1. Met de terinzagelegging van het vastgestelde besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad de parkeerbalans van het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng van 16 juli 2012 ter inzage gelegd. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben derhalve op de parkeerbalans kunnen reageren. Met hun zienswijzen over dit besluit hebben zij dit ook gedaan. Voorts bestond voor het opnieuw doorlopen van afdeling 3.4 van de Awb geen aanleiding, nu de wijzigingen ten opzichte van het bij besluit van 19 december 2013 vastgestelde plan niet van dien aard zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Slechts in dat geval had de verplichting bestaan om afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. De betogen falen.

7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de onderzoeksrapporten die aan het plan ten grondslag liggen en die in opdracht van de initiatiefnemer Bogor zijn uitgevoerd, niet onafhankelijk zijn en dat het plan in strijd met artikel 3:9 van de Awb is vastgesteld.

7.1. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:5, eerste lid, wordt onder adviseur verstaan: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren in zake door een bestuursorgaan te nemen besluit en niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3:9 dient een bestuursorgaan indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

7.2. Aan het plan liggen verschillende onderzoeksrapporten ten grondslag van de adviesbureaus Goudappel Coffeng, AT Milieuadvies B.V, SAB, Natuurkompas en Royal HaskoningDHV Nederland. Dit zijn geen adviseurs als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Awb. Derhalve is artikel 3:9 van de Awb niet van toepassing. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeksrapporten die aan het plan ten grondslag liggen reeds vanwege de opdrachtgever, Bogor, niet op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De betogen falen.

Verkeer

8. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betwisten de juistheid van het akoestisch onderzoek wegverkeer Centrumontwikkeling Bavel van SAB van 19 september 2014 (hierna: onderzoeksrapport wegverkeer). Hiertoe voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met het ophalen en wegbrengen van schoolgaande kinderen. Verder voeren zij aan dat een bijlage bij het onderzoeksrapport wegverkeer (hierna: verkeersprognose van 13 juni 2013), die als bron is gebruikt voor het onderzoeksrapport wegverkeer, ten onrechte niet uitgaat van de CROW-publicatie 317 en van een te klein percentage vrachtverkeer. Zij betogen verder dat het extra verkeer als gevolg van het plan, met name het vrachtverkeer, overlast met zich brengt ter plaatse van de Lange Vore en in de smalle steeg die op deze straat uitkomt en waar bergingen van omwonenden zijn gesitueerd.

Dit levert volgens hen verkeersonveilige situaties op.

8.1. De raad stelt dat het onderzoeksrapport wegverkeer zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de extra motorvoertuigbewegingen die het plan tot gevolg heeft, niet tot afwikkelingsproblemen op de toeleidende infrastructuur zal leiden.

8.2. De Afdeling stelt vast dat in het rapport verkeergegevens is uitgegaan van kencijfers voor verkeersgeneratie op basis van de CROW-publicatie 317. De betogen over de CROW-publicatie 317 missen derhalve feitelijke grondslag.

In het aanvullend verweerschrift en ter zitting heeft de raad toegelicht dat het aantal te verwachten motorvoertuigbewegingen op de wegen rondom het plangebied, waaronder de Lange Vore, in 2023 ongeveer 2000 per etmaal zal bedragen. Hierbij is rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van het plan, waarbij van belang is dat in de verkeersprognose zowel de gevolgen van de mogelijkheden binnen het noordelijke als het zuidelijke bouwvlak zijn meegenomen. Op het parkeerterrein in het plangebied zullen volgens de raad 1.535 motorvoertuigbewegingen per etmaal plaatsvinden. In het aanvullend verweerschrift en ter zitting heeft hij hierover toegelicht dat, nu het de bedoeling is dat de inrit van het parkeerterrein aan de Kloosterstraat wordt gesitueerd en de uitrit aan de Lange Vore, ongeveer 750 motorvoertuigbewegingen per etmaal zullen plaatsvinden vanaf voormeld parkeerterrein naar de uitrit op de Lange Vore. Deze uitrit betreft de 4 m brede steeg waarop [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] doelen. De motorvoertuigbewegingen zullen zich volgens de raad gelijkmatig over de Lange Vore verdelen, zodat niet valt te verwachten dat alle 750 motorvoertuigbewegingen per etmaal langs de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zullen plaatsvinden. Dit uitgangspunt is volgens de Afdeling niet onredelijk. Volgens de raad kunnen vrachtwagens die de steeg uitrijden naar de Lange Vore, de draai goed maken. Verder heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat de wegen rondom het plangebied voldoende geschikt zijn om de verwachte motorvoertuigbewegingen op te vangen en dat de verkeerstoename acceptabel is voor een centrumlocatie in Bavel met diverse voorzieningen. Deze toelichting van de raad mede in aanmerking genomen, hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksrapport wegverkeer dan wel het rapport verkeergegevens zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij het vaststellen van het plan niet heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot ernstige afwikkelingsproblemen op de toeleidende infrastructuur.

De betogen falen.

Parkeren

9. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betwisten de juistheid van de parkeerbalans. Hiertoe voeren zij aan dat de parkeerbalans niet actueel is, ten onrechte is gebaseerd op verouderd gemeentelijk beleid in plaats van de CROW-publicatie 317 en niet uitgaat van de maximale planologische mogelijkheden van het plan.

Zij betogen verder dat een grote parkeerdruk op de Lange Vore zal ontstaan, gelet op de vele en grootschalige functies waarin het plan voorziet en het te geringe aantal parkeerplaatsen. Het parkeren in de Lange Vore brengt naast hinder ook verkeersonveilige situaties met zich, nu deze straat smal is en hierover veel vrachtverkeer rijdt.

9.1. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda van 10 september 2004 (hierna: parkeernota 2004), omdat de voorziene ontwikkeling reeds enkele jaren voor de vaststelling van het nieuwe parkeerbeleid is aangevangen. Van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda uit 2013 (hierna: parkeernota 2013) wordt pas uitgegaan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een aanvang nemen nadat de parkeernota 2013 is vastgesteld. Voorts stelt de raad dat in de Lange Vore geen onaanvaardbare parkeerdruk zal ontstaan.

9.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder n, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor parkeren.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor parkeren.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder a, dient bij het bouwen op grond van deze planregels te allen tijde te worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van de normering inzake parkeren is vastgelegd in de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda zoals vastgesteld op 20 juni 2013.

9.3. Bij de parkeerbalans is niet uitgegaan van de parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie 317. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder andere haar uitspraak van 3 oktober 2013, in zaak nr. 201300554/1/R3 is de raad voor de berekening van de parkeerbehoefte niet gehouden om de parkeerkencijfers van het CROW te gebruiken. Hij heeft de vrijheid om in afwijking van deze cijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeerkencijfers te gebruiken. Dat de raad voor de vaststelling van de parkeerbehoefte gebruik heeft gemaakt van gemeentelijke kencijfers is derhalve in beginsel niet onredelijk. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is in de parkeerbalans gebruik gemaakt van de gemeentelijke parkeernota 2004. Ten tijde van de vaststelling van het plan gold de parkeernota 2013 echter reeds, zodat de parkeerbehoefte niet is vastgesteld op grond van het geldende parkeerbeleid. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel gebonden aan het ten tijde van deze vaststelling geldende gemeentelijke beleid, zodat hij niet heeft mogen uitgaan van de gemeentelijke parkeernota 2004. Bij zijn aanvullend verweer heeft de raad een nieuwe parkeerbalans van het adviesbureau Goudappel Coffeng van 23 december 2012 overlegd, waarmee de parkeerbehoefte opnieuw is onderzocht. Hierbij is terecht aan de parkeernota 2013 getoetst. De raad heeft toegelicht dat, nu het maximaal toegestane bvo van de supermarkt 1.642 m² bedraagt, het maximaal toegestane bvo van overige winkels binnen dit bouwvlak 260 m² bedraagt. Deze toelichting ziet echter uitsluitend op het zuidelijke bouwvlak, waarop het bouwplan van Bogor betrekking heeft, terwijl in het plan twee bouwvlakken met de bestemming "Centrum" zijn opgenomen waarbinnen detailhandel is toegestaan. Door de verplaatsing van de bestaande supermarkt van het noordelijke naar het zuidelijke bouwvlak komt in het noordelijke bouwvlak winkelruimte vrij die op grond van dit plan voor detailhandel kan worden gebruikt. Gelet op de gegevens uit de verkeersprognose van 13 juni 2013 beslaat deze vrijkomende winkelruimte 800 m² bvo en bevat het noordelijke bouwvlak voorts 150 m² bvo aan nieuwe winkelruimte. In de parkeerbalansen is met deze extra 950 m² bvo voor detailhandel echter geen rekening gehouden. De Afdeling stelt daarom vast dat zowel met de oude als met de nieuwe parkeerbalans niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Gelet op de geldende gemeentelijke parkeernormen, die voor winkels 4 parkeerplaatsen voorschrijven per 100 m² bvo, levert dit tijdens de piekdrukte op de zaterdagmiddag een tekort van 38 parkeerplaatsen op.

9.4. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 16 oktober 2014 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit gebrek kleeft eveneens aan het besluit van 19 december 2013.

Geluid

10. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betwisten de juistheid van het akoestisch onderzoek industrielawaai Centrumontwikkeling Bavel van 19 september 2014 (hierna: onderzoeksrapport industrielawaai). Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte niet is uitgegaan van de CROW-publicatie 317, dat de geluidbelasting op de gevels van hun woningen niet is weergegeven in het rapport en dat geen rekening is gehouden met gebruik van het parkeerterrein in de nacht door cafébezoekers. [appellant sub 2] heeft verder aangevoerd aan dat geen rekening is gehouden met dichtslaande autoportieren, winkelwagentjes en het starten en wegrijden van auto’s op het parkeerterrein.

Voorts betogen zij dat zij geluidoverlast zullen ervaren als gevolg van de voorziene supermarkt, de extra motorvoertuigbewegingen en het parkeerterrein. De gebruiksregels als bedoeld in artikel 3, lid 3.3 van de planregels, zoals het parkeerverbod dat volgens hen niet in een plan kan worden opgenomen en evenmin kan worden gehandhaafd, bieden hiervoor geen adequate oplossing.

10.1. In het onderzoeksrapport industrielawaai is bij de bepaling van de geluidbelasting rekening gehouden met de bronnen waaraan [appellant sub 2] refereert, te weten rijdende winkelwagentjes, optrekkende auto’s, dichtslaande autoportieren en gebruik van het parkeerterrein in de avond en nachtperiode. In het onderzoeksrapport industrielawaai is voorts uitgegaan van de CROW-publicatie 317. Deze betogen missen derhalve feitelijke grondslag.

Uit paragraaf 4.1 van het onderzoeksrapport industrielawaai volgt verder dat de geluidbelasting op de omliggende woningen ten gevolge van de supermarkt is berekend. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet in de tabel in deze paragraaf zijn vermeld, omdat daarin vijf andere woningen staan vermeld op welke gevels de hoogste langtijdgemiddelde geluidbelasting is berekend. Bij het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting berekend op gevels van woningen die representatief zijn voor woningen in de nabijheid van het plangebied. Dat uit de resultaten conclusies worden getrokken over geluidbelasting voor de onderhavige woningen, acht de Afdeling niet onjuist. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] wel is berekend. De raad heeft hierover toegelicht dat de woning aan de Lange Vore 12 in het akoestisch onderzoek industrielawaai is opgenomen als Lange Vore 14 en dat de woning aan nummer 23 is opgenomen als nummer 25 en heeft aannemelijk gemaakt dat dit komt door verschuiving van de huisnummering in de kadastrale ondergrond. Het betoog faalt.

10.2. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij de bedoeling heeft om zowel met een verkeersmaatregel als met het plan te regelen dat op bepaalde parkeerplaatsen op het parkeerterrein niet geparkeerd mag worden in de avond en nacht.

Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is, omdat het parkeerverbod niet kan worden gehandhaafd, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat handhaving van het verbod onmogelijk is zodat dit aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

10.3. Gelet op het geconstateerde gebrek in de parkeerbalansen zal de Afdeling de beroepsgrond over de mate van geluidbelasting als gevolg van het parkeren bij de einduitspraak beoordelen.

Luchtkwaliteit

11. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betwisten het memo "Luchtkwaliteit Centrumontwikkeling Bavel" van SAB van 26 juni 2013 (hierna: memo luchtkwaliteit) en betogen dat de luchtkwaliteit aanzienlijk zal verslechteren als gevolg van het plan.

11.1. De raad stelt onder verwijzing naar het memo dat uit het onderzoek naar de luchtkwaliteit is gebleken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zoals bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer.

11.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3.1 van de Wro, welke uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

c. dat een uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgesteld.

In voorschrift 2.1 van deze bijlage staat dat voor stikstofdioxide de grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter (hierna: µg/m³) als jaargemiddelde geldt. In voorschrift 4.1 staat dat voor zwevende deeltjes een jaargemiddelde concentratie geldt van 40 µg/m³.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), draagt met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide (NO2) niet de 3% grens overschrijdt.

11.3. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het memo luchtkwaliteit zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het plan niet heeft mogen baseren. De enkele niet onderbouwde stelling dat de prognose van motorvoertuigbewegingen en het percentage vrachtverkeer dat daarvan onderdeel uitmaakt onjuist zijn, kan niet tot deze conclusie leiden.

Niet in geschil is dat de extra motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan tot enige verslechtering van de luchtkwaliteit zullen leiden in de omgeving van het plangebied. Uit het onderzoek naar de luchtkwaliteit volgt dat de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan is berekenend met behulp van de NIBM-rekentool. Volgens deze berekeningen stijgt het percentage zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide als gevolg van de gehele ontwikkeling niet meer dan de NIBM-grens van 3% van 40 µg/m³, te weten 1,2 µg/m³, zodat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht van zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De betogen falen.

Privacy

12. [appellanten sub 1] betogen dat zij in hun privacy worden aangetast, omdat vanuit de voorziene woningen in het plangebied in hun woning kan worden gekeken. Ook [appellant sub 2] betoogt aantasting van haar privacy te zullen ondervinden, nu vanaf het parkeerterrein in haar tuin en in haar woning kan worden gekeken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet onaanvaardbaar zal worden aangetast als gevolg van het plan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plangebied is gesitueerd op een centrumlocatie en dat het bouwvlak voor de voorziene nieuwbouw op een afstand van ongeveer 60 m van de woning van [appellanten sub 1] is gelegen. De betogen falen. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat een groene haag van ongeveer 2 m hoog tussen het parkeerterrein en de woning van [appellant sub 2] zal worden geplant om doorkijk tegen te gaan en heeft Bogor ter zitting aangeboden een erfafscheiding voor het perceel van [appellant sub 2] te realiseren.

Hangjeugd

13. Wat de door [appellant sub 2] gevreesde overlast betreft van hangjeugd die zich zal ophouden op het parkeerterrein, en welke jeugd volgens haar niet geweerd zal worden met de voorziene slagboom die het parkeerterrein zal afsluiten, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat met het plan een onveilige situatie zal ontstaan waarin valt te verwachten dat hangjeugd voor een zodanige overlast zullen zorgen dat de raad het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Waardedaling

14. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De betogen falen.

Zienswijzen

15. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad niet gemotiveerd is ingegaan op alle onderdelen van hun zienswijzen, die als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. [appellanten sub 1] wijzen in dit verband op het door Van Dongen geformuleerde voorstel om het plan een kwartslag te draaien teneinde verkeersproblemen weg te nemen.

15.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Over het voorstel van Van Dongen heeft de raad gesteld dat dit, gelet op de stedenbouwkundige inpassing van het plan, niet wenselijk is. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Het betoog faalt.

Conclusie

16. De beroepen van rechtswege zijn gegrond. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb, op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient hiertoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 9.3:

- alsnog te onderzoeken wat de totale parkeerbehoefte vanwege het plan is, waarbij uitgegaan dient te worden van de maximale mogelijkheden van het plan;

- alsnog deugdelijk te motiveren hoe in deze parkeerbehoefte kan worden voorzien, dan wel het plan te wijzigen;

- een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken, en

- de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen.

Bij de eventuele voorbereiding van een besluit tot wijziging van het plan hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.

17. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Breda op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak:

- alsnog te onderzoeken wat de totale parkeerbehoefte vanwege het plan is, waarbij uitgegaan dient te worden van de maximale mogelijkheden van het plan;

- alsnog deugdelijk te motiveren hoe in deze parkeerbehoefte kan worden voorzien, dan wel het plan gewijzigd vast te stellen;

- een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken, en

- de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Kramer w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015

459-813.