Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
201405882/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:7973, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 16 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/99 met annotatie van mr. M. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405882/1/V1.

Datum uitspraak: 5 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juni 2014 in zaken nrs. 13/30872, 13/30502, 13/30871, 13/30873 en 13/30874 in het geding tussen:

[de vreemdelingen]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juni 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

Desgevraagd hebben de staatssecretaris en de vreemdelingen een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdelingen hebben aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling). Zij hebben een beroep gedaan op de van de Regeling deel uitmakende overgangsregeling, ten tijde van de aanvragen neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

De vreemdelingen vormen een gezin bestaande uit moeder, vader, twee minderjarige dochters en een minderjarige zoon. Zij hebben bij hun aanvragen de zoon aangemerkt als hoofdpersoon.

2. Volgens paragraaf B22/3.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvragen, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de onder a tot en met d weergegeven vereisten. Een van die vereisten (a) houdt in dat het moet gaan om een vreemdeling die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode. Een ander vereiste (b) houdt in dat het moet gaan om een vreemdeling die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst en na die aanvraag op de startdatum van de peilperiode ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.

De staatssecretaris hanteert als peilperiode 29 oktober 2012 tot 1 februari 2013. Indien een vreemdeling in de peilperiode 21 jaar wordt of indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt gedurende de peilperiode, werpt de staatssecretaris dit niet tegen.

De staatssecretaris verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (de hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eerst op 6 maart 2008 ten behoeve van de hoofdpersoon een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend en dat hij op de einddatum van de peilperiode vier jaar en 11 maanden in Nederland heeft verbleven. De staatssecretaris heeft de aanvragen van de vreemdelingen afgewezen omdat zij niet voldoen aan het hiervoor met (b) aangeduide vereiste.

4. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in het geval van de vreemdelingen heeft vastgehouden aan het met (b) aangeduide vereiste, terwijl hij aan vreemdelingen die net niet voldoen aan het hiervoor met (a) aangeduide vereiste wel een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling heeft verleend, en het vergelijkbare vereisten betreft. De staatssecretaris wijst erop dat hij heeft toegelicht dat hij zijn beleid ruimhartig toepast met betrekking tot zeer beperkte overschrijdingen van het met (a) aangeduide vereiste, maar dat dat niet geldt voor de overige in de Regeling gestelde vereisten, en dat het daarbij gaat om overschrijdingen van maximaal tien dagen, en niet van 23 dagen zoals in deze zaak. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat hij met die toelichting een deugdelijke motivering heeft gegeven.

Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de vreemdelingen had moeten horen op hun bezwaar.

4.1. De staatssecretaris heeft toegelicht dat voormelde ruimhartige toepassing van de Regeling alleen geldt voor beperkte overschrijdingen van het met (a) aangeduide vereiste, terwijl de vreemdelingen niet voldoen aan het met (b) aangeduide vereiste. Er is in zoverre dus geen sprake van gelijke, althans rechtens vergelijkbare, gevallen. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris in een situatie als deze, waar het gaat om begunstigend beleid tot het voeren waarvan de staatssecretaris niet was gehouden, een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris derhalve met vorenstaande toelichting deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in het geval van de vreemdelingen heeft vastgehouden aan het met (b) aangeduide vereiste.

Daaraan doet het door de vreemdelingen overgelegde besluit van de staatssecretaris van 31 oktober 2014 niet af. Dat besluit strekt weliswaar tot verlening van een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling aan een andere vreemdeling die niet aan het met (b) aangeduide vereiste voldoet, maar de staatssecretaris heeft desgevraagd toegelicht dat dat besluit berust op een ambtelijke misslag. Hij heeft erop gewezen dat in de bij dat besluit behorende minuut staat dat het gehele feitencomplex, het vertrekmoratorium voor Irak en het herkomstgebied van de desbetreffende vreemdeling maken dat hij voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling in aanmerking komt. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht, houden die omstandigheden echter geen verband met het met (b) aangeduide vereiste, zodat zij er ten onrechte toe hebben geleid dat de desbetreffende vreemdeling werd geacht toch aan de vereisten van de Regeling te voldoen. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat de staatssecretaris is gehouden tot herhaalde met zijn beleid strijdige besluitvorming.

De grief slaagt in zoverre.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2008 in zaak nr. 200802115/1), mag de staatssecretaris met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de besluiten van 16 juli 2013 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen onder 4.1. is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

De grief slaagt ook in zoverre.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 november 2013 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de staatssecretaris wegens bijzondere omstandigheden met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de Regeling had moeten afwijken. Die omstandigheden bestaan er volgens de vreemdelingen uit dat zij net niet voldoen aan het hiervoor met (b) aangeduide vereiste, dat de kinderen van het gezin in Nederland zijn geworteld en zijn verwesterd, dat de zoon en de oudste dochter medische problemen hebben en dat de veiligheidssituatie in Afghanistan slecht is.

6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200808634/1/V3, is voor een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb vereist dat de aangevoerde omstandigheden binnen de strekking en reikwijdte vallen van het gevoerde beleid inzake de uitoefening van de in de desbetreffende procedure aan de orde zijnde bevoegdheid. Voorts volgt uit die uitspraak dat omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van dat beleid vallen en die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, niet als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb zijn aan te merken.

6.2. Dat er vreemdelingen zijn die niet voldoen aan het hiervoor met (b) aangeduide vereiste, maar niettemin geruime tijd in Nederland verblijven en hier zijn geworteld, is een omstandigheid die door de staatssecretaris bij de vaststelling van de Regeling is betrokken. De overige door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheden vallen buiten de strekking en reikwijdte van de Regeling. De aangevoerde omstandigheden zijn derhalve niet aan te merken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft beoordeeld of aanleiding bestaat om hun wegens bijzondere individuele omstandigheden een verblijfsvergunning te verlenen met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid. Zij wijzen erop dat de staatssecretaris meermalen van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt met betrekking tot vreemdelingen die een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling hadden gedaan.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 22 november 2014 in zaak nr. 201404129/1/V1, brengt geen rechtsregel mee dat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling tevens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden impliceert. Dat de staatssecretaris in sommige gevallen aanleiding heeft gezien om ambtshalve een zodanige verblijfsvergunning te verlenen, laat onverlet dat hij daartoe niet verplicht is en dat de vreemdelingen een daartoe strekkende aanvraag kunnen indienen indien zij van mening zijn aanspraak te hebben op een zodanige vergunning.

De beroepsgrond faalt.

8. Aan de hiervoor niet besproken in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juni 2014 in zaken nrs. 13/30872, 13/30502, 13/30871, 13/30873 en 13/30874;

III. verklaart het in die zaken ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Mulder

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2015

747.