Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
201306011/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2015/7288
ABkort 2015/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306011/2/R3.

Datum uitspraak: 11 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201306011/1/R3 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 27 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het college het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 18 november 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door drs. F. Dijker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het besluit van 27 mei 2013

1. Gelet op overweging 3.1 van de tussenuitspraak is het beroep tegen het besluit van 27 mei 2013, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Groen", niet-ontvankelijk.

2. De Afdeling heeft ten aanzien van de woningbouw die is voorzien op de plandelen met de bestemming "Wonen" in de tussenuitspraak in 8.3 overwogen dat het besluit van 27 mei 2013 in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat zonder nadere toelichting niet is in te zien dat de in het plan voorziene woningbouw, gelet op de met het plan mogelijk gemaakte omvang van het benodigde infiltratie- en bergingsgebied, geen onaanvaardbare toename van wateroverlast op de gronden van [appellant] tot gevolg heeft.

De Afdeling heeft voorts in de tussenuitspraak in 9.6 overwogen dat het besluit van 27 mei 2013, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen", is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, omdat niet inzichtelijk is gemaakt dat de toegestane geurbelasting die wordt veroorzaakt door het bedrijf van [appellant], rekening houdend met mogelijke cumulatie van geurbelasting, ter plaatse van de in het uitwerkingsplan voorziene woningen in overeenstemming is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening in die zin dat ter plaatse van de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Gelet hierop is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 27 mei 2013, voor zover ontvankelijk, gegrond. Dit besluit dient, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen", te worden vernietigd.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen alsnog te motiveren dat de voorziene woningbouw in het uitwerkingsplan geen onaanvaardbare toename van wateroverlast op de gronden van [appellant] tot gevolg heeft dan wel alsnog een planologische regeling vast te stellen waarbij het benodigde infiltratie- en bergingsgebied ten behoeve van de in het uitwerkingsplan voorziene woningbouw mogelijk wordt gemaakt ter plaatse van de ten zuiden van het plangebied gelegen gronden met de uit te werken bestemming "Groendoeleinden, ecologische ontwikkeling en waterhuishouding".

Voorts heeft de Afdeling het college opgedragen alsnog onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geurhinder vanwege de omliggende veehouderijen en te bezien of gelet daarop ter plaatse van de in het uitwerkingsplan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Het besluit van 8 juli 2014

4. Bij het besluit van 8 juli 2014 heeft het college naar aanleiding van de tussenuitspraak het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" gewijzigd vastgesteld. Hierbij heeft het college in artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, inhoudende dat woningen pas mogen worden gebouwd indien de omgevingsvergunning voor milieu van het bedrijf aan de Kranenbroek 1 is ingetrokken en de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. Voor het overige heeft het college het plan niet gewijzigd ten opzichte van het bij besluit van 27 mei 2013 vastgestelde plan, maar wel opnieuw vastgesteld.

Bij dit besluit zijn voorts de van gemeentewege opgestelde notitie "Nadere onderbouwing waterhuishoudkundige consequenties, uitwerkingsplan Brandevoort II - Liverdonk Oost" van 19 juni 2014 (hierna: notitie onderbouwing water) en de door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant opgestelde notitie "Nadere onderbouwing cumulatie geurbelasting, uitwerkingsplan Brandevoort II - Liverdonk Oost" van 30 juni 2014 (hierna: notitie cumulatie geurbelasting) aan het uitwerkingsplan ten grondslag gelegd.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 8 juli 2014 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

6. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 27 mei 2013, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Groen", niet-ontvankelijk. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het beroep van rechtswege uitstrekt. Daarvan is in dit geval sprake, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 8 juli 2014 is derhalve eveneens in zoverre niet-ontvankelijk.

7. [appellant] heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat de overwegingen 5.3 en 5.3.1 van de tussenuitspraak er ten onrechte van uitgaan dat hij geen belang heeft dat is betrokken bij de hoogspanningsleiding ter plaatse. Hij vreest daarnaast dat de hoogspanningsleiding tot gezondheidsrisico's zal leiden voor de bewoners van de voorziene woningen en de leerlingen van de voorziene basisschool. Ten onrechte is de hiertegen gerichte beroepsgrond buiten beschouwing gelaten.

7.1. Anders dan [appellant] meent, heeft hetgeen is overwogen in 5.3, 5.3.1 en 5.3.2 geen betrekking op de nadelige gevolgen die hij en zijn gezin stellen te ondervinden van de hoogspanningsleiding. In voormelde overwegingen van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het betoog dat de voorziene woningbouw en de basisschool ten onrechte binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla worden mogelijk gemaakt, gelet op artikel 8:69a van de Awb, buiten beschouwing wordt gelaten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [appellant] vreest door de voorziene woningbouw en de bassischool in zijn bedrijfsvoering te worden belemmerd en vanuit dat belang beoogt de bouw van de voorziene woningen en de basisschool te voorkomen, terwijl het beleid ten aanzien van hoogspanningsleidingen niet de strekking heeft die belangen te beschermen.

In een einduitspraak kan, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet worden teruggekomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak op dit punt gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Het betoog faalt.

8. [appellant] heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat de uitbreiding van het bedrijf aan de Broekstraat 75 ten onrechte niet is meegenomen in de notitie cumulatie geurbelasting. Voorts betoogt hij dat het pluimveebedrijf aan de Kranenbroek 1 nog tot 1 januari 2016 in gebruik zal zijn, zodat de basisschool niet al in oktober 2014 in gebruik kon worden genomen. Bovendien ligt de basisschool volgens hem in de geurcontour van de omliggende intensieve veehouderijen.

8.1. De Afdeling overweegt dat [appellant], voor zover dit betoog betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" waar de basisschool is voorzien, hiermee zijn beroepsgronden heeft uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

8.2. In de notitie cumulatie geurbelasting is onder meer als achtergrondbelasting de gecumuleerde belasting van de veehouderijen in een straal van twee km rondom het plangebied onderzocht. Uit de berekeningen blijkt dat voor een deel van het plangebied de achtergrondbelasting meer bedraagt dan 10 ou/m3. Daarbij is volgens de onderbouwing geen sprake meer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de in het uitwerkingsplan voorziene woningen. Het pluimveebedrijf aan Kranenbroek 1 en de varkenshouderij aan de Nuenensedijk 21 zijn aangekocht door de gemeente Helmond en voor beide bedrijven zullen de vergunningen worden ingetrokken. Een berekening van de achtergrondbelasting, rekening houdend met de beëindiging van deze bedrijven, laat zien dat in dat geval de achtergrondbelasting ter plaatse van gevoelige bestemmingen in het hele plangebied maximaal 7 ou/m3 bedraagt. Bij een dergelijke achtergrondbelasting is in de notitie geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de in het uitwerkingsplan voorziene woningen.

8.3. Wat betreft de uitbreiding van het bedrijf aan de Broekstraat 75 overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat het bedrijf aan de Broekstraat 75 voor de vaststelling van het uitwerkingsplan is uitgebreid. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het bedrijf een melkrundveehouderij betreft. Voor melkrundvee is in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor vastgesteld, zodat voor dit bedrijf geldt dat op grond van artikel 3.117, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer tussen een dierenverblijf en de voorziene woningen in beginsel een afstand van minimaal 100 m dient te worden aangehouden. De Afdeling overweegt dat overweging 9.5 van de uitspraak van 2 april 2014 betrekking heeft op de wijze waarop het college in het kader van de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het uitwerkingsplan voorziene woningen rekening had moeten houden met de toegestane geurbelasting die wordt veroorzaakt door het bedrijf van [appellant] voor zover daar dieren worden gehouden waarvoor een geuremmissiefactor is vastgesteld en is geoordeeld dat daarbij tevens rekening dient te worden gehouden met mogelijke cumulatie van geurbelasting. De Afdeling heeft aldus beoogd om in overweging 9.6 van die uitspraak opdracht aan het college te geven om alsnog onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geurhinder vanwege de omliggende veehouderijen met dieren waarvoor een geuremmissiefactor is vastgesteld. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het college bij de berekening van de achtergrondbelasting geen rekening heeft hoeven houden met het bedrijf aan de Broekstraat 75. De zienswijze van [appellant] leidt gelet daarop niet tot het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de cumulatie van geurbelasting en zich gelet daarop niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen is gewaarborgd. Het betoog faalt.

9. [appellant] heeft voorts in zijn zienswijze aangevoerd dat de notitie onderbouwing water niet aantoont dat de in het plan voorziene woningbouw geen onaanvaardbare toename van wateroverlast op zijn perceel tot gevolg heeft. Het plangebied ligt volgens hem voor het grootste gedeelte hoger dan zijn perceel en hij vreest dat het water van dat gebied daarom via de gemeentesloot langs zijn perceel naar de Dommel zal stromen. Volgens hem bestaat de zogenoemde 'rug' in de vorm van een waterscheiding zoals vermeld in de notitie onderbouwing water niet. De duiker onder de Broekstraat ter hoogte van zijn perceel kan niet al het oppervlaktewater verwerken. Gelet op de notitie onderbouwing water had het college volgens [appellant] tot de conclusie moeten komen dat het uitwerkingsplan niet had kunnen worden vastgesteld zonder het infiltratie- en bergingsgebied ten zuiden van het plangebied mogelijk te maken. Hij vreest voorts dat voor het infiltratie- en bergingsgebied geen ander uitwerkingsplan zal worden vastgesteld.

9.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college het plan met inachtneming van de bij het plan te geven regelen moet uitwerken.

De in deze bepaling opgenomen plicht laat het college de vrijheid de uitwerking gefaseerd ter hand te nemen. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college voor fasering mag kiezen voor zover tussen de gronden waaraan een uit te werken bestemming is toegekend een grote mate van samenhang bestaat. Een zodanige samenhang kan bestaan indien de verwezenlijking van het uitwerkingsplan ingrijpende gevolgen heeft voor de niet in het uitwerkingsplan opgenomen gronden.

9.2. In de notitie onderbouwing water is opgenomen dat het perceel van [appellant] op ongeveer 18.7 meter +NAP ligt. De ontwerphoogte van het plangebied is ongeveer 18.5 +NAP. Dit is hoger dan het maaiveld in de huidige situatie. De gronden in het gebied moeten worden opgehoogd om de voorziene woningen voldoende droog te leggen. Het plangebied zal volgens de notitie na ophoging nog steeds lager liggen dan het perceel van [appellant].

In de notitie onderbouwing water is voorts opgenomen dat het hogere gebied tussen het perceel van [appellant] en het plangebied, dat wordt aangeduid als een 'rug', een waterscheiding vormt tussen het deel oostelijk en westelijk van deze rug. Volgens de notitie watert het gebied oostelijk van deze rug af naar het beheergebied van waterschap Aa en Maas. Het gebied westelijk van deze rug watert af naar het beheergebied van waterschap De Dommel. In de notitie onderbouwing water wordt geconcludeerd dat de aanwezigheid van deze waterscheiding waarborgt dat er geen oppervlakkige afstroming van water van het plangebied naar het perceel van [appellant], dat aan de zuidwestzijde van de rug ligt, kan plaatsvinden.

In het bestreden besluit stelt het college dat in de notitie onderbouwing water is aangetoond dat door de voorziene woningbouw in het uitwerkingsplan geen wateroverlast op het perceel van [appellant] zal ontstaan.

9.3. De Afdeling overweegt dat het perceel van [appellant] blijkens de bij de notitie onderbouwing water gevoegde Actuele Hoogtekaart Nederland en de daarop ter zitting door partijen gegeven toelichting lager ligt dan het westelijke gedeelte van het plangebied, welk gedeelte van het plangebied het meest dichtbij zijn perceel ligt. Derhalve kan het standpunt van het college dat het hele plangebied - ook na ophoging - lager ligt dan het perceel van [appellant] niet worden gevolgd.

De Afdeling stelt verder vast dat de op de Actuele Hoogtekaart Nederland geprojecteerde waterscheiding overeenkomt met de westelijke plangrens en dat dit tevens de grens is tussen het beheergebied van waterschap De Dommel en het beheergebied van waterschap Aa en Maas. De stelling van het college dat de waterscheiding bestaat uit een hoger gelegen gebied, zodat het gebied oostelijk van deze rug afwatert naar het beheergebied van waterschap Aa en Maas, wordt niet ondersteund door de Actuele Hoogtekaart Nederland. Op deze kaart is te zien dat ook de gronden ter plaatse van de waterscheiding lager liggen dan het westelijke gedeelte van het plangebied, zodat de Afdeling het standpunt van het college dat de westelijke grens van het plangebied als rug kan worden aangeduid en het hele plangebied derhalve afwatert naar het beheergebied van waterschap Aa en Maas niet kan volgen. Gelet hierop is niet uitgesloten dat het water van het westelijke gedeelte van het plangebied in zuidwestelijke richting via het perceel van [appellant] en de daargelegen duiker zal worden afgevoerd.

De Afdeling overweegt dat zowel in de plantoelichting van het bestemmingsplan "Brandevoort" als in de plantoelichting van het uitwerkingsplan is opgenomen dat een infiltratie- en bergingsgebied ter plaatse van de ten zuiden van het plangebied gelegen gronden met de uit te werken bestemming "Groendoeleinden, ecologische ontwikkeling en waterhuishouding" nodig is als onderdeel van het totale waterhuishoudings- en rioleringsplan voor Brandevoort. Gelet op het vorenstaande is onvoldoende gewaarborgd dat de in het uitwerkingsplan voorziene woningbouw, gelet op de met het plan mogelijke gemaakte beperkte omvang van het benodigde infiltratie- en bergingsgebied, geen onaanvaardbare toename van wateroverlast op de gronden van [appellant] tot gevolg heeft. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het college niet in redelijkheid voor fasering heeft kunnen kiezen door te stellen dat een afdoende waterafvoer is gewaarborgd indien voor het overgrote deel van het infiltratie- en bergingsgebied een afzonderlijk uitwerkingsplan zal worden vastgesteld. Voor zover het college ter zitting heeft gesteld dat het infiltratie- en bergingsgebied ten zuiden van het plangebied feitelijk al bestaat, neemt dit niet weg dat voor het overgrote deel hiervan geen planologische regeling is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

10. Met betrekking tot de overige beroepsgronden die [appellant] heeft aangevoerd tegen het besluit van 27 mei 2013, welke worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 juli 2014, ziet de Afdeling thans geen aanleiding anders te oordelen dan zij in de tussenuitspraak heeft gedaan.

11. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 8 juli 2014, wat betreft de plandelen met de bestemming "Wonen", is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb en artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Slotoverwegingen

12. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

13. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 27 mei 2013 en 8 juli 2014, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Groen", niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 27 mei 2013 en 8 juli 2014, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Helmond van 27 mei 2013 en 8 juli 2014 tot vaststelling en gewijzigde vaststelling van het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost", voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen";

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Helmond op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Helmond aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Lap

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015

45-758.