Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
201406678/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 september 2013 heeft het college [appellant] medegedeeld dat, nu hij openbaar groen van de gemeente heeft gesnoeid, de kosten om het openbaar groen te herstellen op hem zullen worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406678/1/A3.

Datum uitspraak: 4 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Helder,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2014 in zaak nr. 14/437 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

Procesverloop

Bij brief van 26 september 2013 heeft het college [appellant] medegedeeld dat, nu hij openbaar groen van de gemeente heeft gesnoeid, de kosten om het openbaar groen te herstellen op hem zullen worden verhaald.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 18 februari 2015.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:3, tweede lid, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

2. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

Bij brief van 26 september 2013 deelt het college [appellant] mede dat het de kosten van het herstellen van het openbaar groen op hem zal verhalen. Daarnaast gelast het college [appellant] in deze brief onder aanzegging van bestuursdwang bakfietsen en een auto te verwijderen. Het college heeft desgevraagd te kennen gegeven dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen op grond van het Burgerlijk Wetboek zullen worden verhaald.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 december 2013, in zaak nr. 201301910/1/A4) is de beslissing van een bestuursorgaan dat de gemeente een vordering op grond van het Burgerlijk Wetboek zal instellen en de daaraan voorafgaande buitengerechtelijke handelingen zal verrichten, een beslissing ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling dan wel een beslissing tot feitelijk handelen. Een beslissing ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling is ingevolge artikel 8:3, tweede lid, van de Awb niet appellabel. Een beslissing tot feitelijk handelen is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de in de brief van 26 september 2013 vervatte mededeling dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen zullen worden verhaald kon derhalve geen beroep worden ingesteld en gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb evenmin bezwaar worden gemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat het college het bezwaar van [appellant], voor zover gericht tegen de mededeling dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen op hem zullen worden verhaald, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 januari 2014 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant], voor zover gericht tegen de mededeling dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen op hem zullen worden verhaald, ongegrond is verklaard. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2014 in zaak nr. 14/437;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 10 januari 2014, kenmerk AU13.14754, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant], voor zover gericht tegen de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen op hem zullen worden verhaald, ongegrond is verklaard;

V. verklaart het bezwaar van [appellant], voor zover gericht tegen de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder dat de kosten van het herstellen van het openbaar groen op hem zullen worden verhaald, niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Helder tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 20,54 (zegge: twintig euro en vierenvijftig cent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Helder aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.

w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015

434-819.