Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
201304978/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:2948, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304978/2/A2.

Datum uitspraak: 4 maart 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Tilburg,

(hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 april 2013 in zaak nr. 12/2793 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2014, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 juni 2014 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 13 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin vastgestelde gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen.

Bij besluit van 19 september 2014 heeft het college zijn besluit om het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen gehandhaafd.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Desgevraagd heeft het college een reactie op deze zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2015, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is firma [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtgde], verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

2. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1] te Tilburg (hierna: de woning).

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend van de bepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum 1e herziening" ten behoeve van de vestiging van een horeca-inrichting in het pand aan de [locatie 2] (hierna: het pand) met bijbehorend terras aan de achterzijde.

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college de adviezen van de SAOZ van juli 2011 en van 17 februari 2012 niet aan het besluit op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen, omdat niet kan worden uitgegaan van de conclusie van de SAOZ dat de vestiging van de horeca-inrichting met bijbehorend terras, niet tot een relevante verzwaring van de gebruiksmogelijkheden heeft geleid. Gelet hierop is het besluit van 25 april 2012 in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak daarom opgedragen het gebrek in het besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen door alsnog het besluit van 25 april 2012 toereikend te motiveren en zo nodig te wijzigen. Daartoe diende het college, door het maken van een nieuwe vergelijking tussen het gewijzigde planologische regime en het bestemmingsplan inzichtelijk te maken of en zo ja in hoeverre [appellant] als gevolg van het besluit van 20 maart 2007 in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade heeft geleden.

4. Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 25 april 2012 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

5. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak nader advies gevraagd aan de SAOZ. In een advies van september 2014 heeft de SAOZ uiteengezet dat [appellant] door het besluit van 20 maart 2007 in een enigszins nadeliger positie is komen te verkeren. De waarde van de woning is ten tijde van de inwerkingtreding van dat besluit op 20 maart 2007 met € 10.000,00 van € 450.000,00 naar € 440.000,00 gedaald. De SAOZ heeft voorts uiteengezet dat nu artikel 6.2, tweede lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, van de schade in ieder geval een gedeelte, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, voor rekening van [appellant] blijft. De vestiging van een horeca-inrichting met bijbehorend terras in binnenstedelijk gebied is in zijn algemeenheid aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee de verzoeker om een tegemoetkoming rekening had kunnen houden. Gelet op de structuur van de omgeving, zijnde een centrumgebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid, kan de nieuwe ontwikkeling gezien de aard en omvang daarvan ter plaatse in redelijkheid als passend worden aangemerkt. De planologische ontwikkeling is mogelijk gemaakt en moet in zoverre als passend in het gevoerde ruimtelijke beleid worden beschouwd. De afstand tot de woning van [appellant], zijnde ongeveer 25 m, is zodanig, dat de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat in beperkte mate merkbaar zullen zijn. De door de ontwikkeling ontstane schade, zijnde ongeveer 2,2% van de waarde van het object in de oude situatie, moet als gering worden aangemerkt. Gelet hierop dient volgens de SAOZ op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro de schade volledig voor rekening van [appellant] te worden gelaten.

Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit van 19 september 2014. Dat besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van deze wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

6. Het betoog van [appellant] in de zienswijze naar aanleiding van het besluit van 19 september 2014, dat uit de tussenuitspraak volgt dat het college niet ter uitvoering van de opdracht om het gebrek te herstellen, opnieuw advies mocht vragen aan de SAOZ, berust op een onjuiste lezing van de tussenuitspraak. Uit de tussenuitspraak volgt dit niet. Het stond het college vrij om opnieuw advies te vragen aan de SAOZ. Het betoog faalt derhalve.

7. [appellant] betoogt verder in zijn zienswijze dat het college, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, bij het vaststellen van de geleden schade onvoldoende rekening heeft gehouden met de toegenomen geluidsoverlast en de toegenomen druk op de omgeving door de mogelijkheid die het besluit van 20 maart 2007 biedt om in het pand een horeca-inrichting te vestigen met bijbehorend terras aan de achterzijde.

Ter nadere motivering van zijn standpunt verwijst [appellant] naar een in zijn opdracht opgesteld deskundigenrapport van mr. ing. H.C.J.M. Oldenkotte, werkzaam bij J.H. Oldenkotte & Zn, makelaars- en assurantiekantoor B.V, van 3 november 2014. Oldenkotte heeft uiteengezet dat de SAOZ niet heeft vermeld dat er vanuit de woning van [appellant] uitzicht is op het pand en het terras. De horecabestemming maakt een intensief gebruik mogelijk van het terras en de naastgelegen kinderspeelplaats. Een wisselwerking tussen het terras en de kinderspeelplaats ligt voor de hand. Oldenkotte heeft, rekening houdend met onder meer deze factoren, de waardevermindering getaxeerd op 15.000,00.

Verder wijst [appellant] op een tweetal door hem overgelegde verklaringen van huurders van de bovenverdieping van een nabijgelegen gebouw met direct uitzicht op het terras van de horeca-inrichting, waaruit volgens hem blijkt dat de geluidsoverlast is toegenomen.

7.1. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie bij het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

7.2. Het advies van de SAOZ van september 2014 biedt op de wijze, als hiervoor bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellant] door de planologische wijziging een planschade, in de vorm van waardevermindering van de woning, ten bedrage van € 10.000,00 heeft geleden. Uit het advies blijkt dat de door [appellant] gestelde schadefactoren daarbij zijn betrokken. In tegenstelling tot hetgeen Oldenkotte in zijn deskundigenrapport heeft gesteld, is de SAOZ ingegaan op de vraag of het besluit van 20 maart 2007 heeft geleid tot een verslechtering van het uitzicht. De SAOZ heeft geconcludeerd dat het besluit, gelet op de reeds bestaande bebouwingsmogelijkheden, de afstand en situering van de woning ten opzichte van het plangebied, niet heeft geleid tot een verslechtering van het uitzicht. Daarnaast heeft de SAOZ rekening gehouden met de mogelijkheid om de gronden, gelegen ten westen van het pand, te gebruiken als kinderspeelplaats en daarbij ook rekening gehouden met de intensivering van het gebruik door het betrekken van de speeltuin bij de horeca-activiteiten van de horeca-inrichting die is gevestigd in het pand. De SAOZ heeft geconcludeerd dat hoewel de kinderspeelplaats thans in feitelijk opzicht kan worden betrokken bij de horeca-inrichting, de kinderspeelplaats in planologisch opzicht reeds tot een ruime belasting voor de omgeving heeft geleid. Tevens zijn de waarde van de woning onder het oude en het nieuwe planologische regime en de waardevermindering vastgesteld, deels met de bijstand van een makelaar-taxateur, die de situatie ter plaatse heeft opgenomen en zijn bevindingen heeft neergelegd in een taxatieverslag.

Dat Oldenkotte de waardevermindering op een bedrag van € 15.000,00 heeft getaxeerd, betekent niet dat het advies van de SAOZ onjuist is, nu het verschil tussen de taxaties binnen in beginsel aanvaardbare marges valt. Bovendien biedt het deskundigenrapport van Oldenkotte geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de SAOZ over de waardevermindering, nu het rapport niet op een planologische vergelijking is gebaseerd. Dat, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, Oldenkotte een makelaar is die in de regio Tilburg veelvuldig wordt gevraagd om taxaties op te stellen, maakt het voorgaande niet anders.

De verklaringen van de huurders bieden evenmin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de SAOZ.

8. [appellant] betoogt tot slot in de zienswijze dat het college zich in het nadere besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de schade op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro volledig voor rekening van [appellant] blijft, omdat de schade volledig binnen het normaal maatschappelijk risico zou vallen. Hij voert, onder verwijzing naar het deskundigenrapport van Oldenkotte, daartoe aan dat gezien de bestaande ruimtelijke structuur en het door de gemeente gevoerde planologische beleid om horeca alleen binnen horeca-concentratiegebieden toe te staan, de planologische ontwikkeling niet in de lijn der verwachtingen lag. Hij wijst erop dat de gemeente de Nieuwlandstraat/Noordstraat en Stationsstraat heeft miskend als ontwikkeling, dat deze straten aan de rand van het centrum liggen en dat het in de directe omgeving de tendens is dat bedrijvigheid in de zin van winkels en wonen met bedrijvigheid, plaats maakt voor wonen.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 5 september 2012, in zaak nr. 201113115/1/T1/A2), komt aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, zelfstandige betekenis toe. Alleen die schade wordt vergoed, welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologisch beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

8.2. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van september 2014, op het standpunt mogen stellen dat de vestiging van een horeca-inrichting met bijbehorend terras in binnenstedelijk gebied in beginsel als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken. Het college heeft voorts, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, gewezen op de structuur van de omgeving, zijnde een centrumgebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat in de directe omgeving van het pand diverse gronden bestemd zijn voor horeca en dat er een grote verscheidenheid aan functies is in de directe omgeving van het pand. Het college heeft voorts ter zitting nader toegelicht dat de omstandigheid dat het pand niet is gelegen in een horeca-concentratiegebied, op zichzelf niet betekent dat de ontwikkeling niet in het gevoerde planologisch beleid past. Het college heeft zich daarnaast, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van september 2014, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwe ontwikkeling, gelet op de aard en omvang daarvan, ter plaatse als passend kan worden beschouwd en dat, gelet op de afstand van de woning tot het pand, de gevolgen van de ontwikkeling voor het woon- en leefklimaat in beperkte mate merkbaar zullen zijn. Gelet hierop zal ter plaatse geen grote aantasting van de bestaande stedelijke structuur en het woonklimaat plaatsvinden. Daar komt bij dat de schade, gezien de door de SAOZ verrichte taxatie, relatief gering van omvang is en dat, ingevolge artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, in ieder geval een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk voor het ontstaan van de schade voor rekening van [appellant] blijft. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de schade niet uitstijgt boven de financiële nadelen die behoren tot het normale maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen.

9. Het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van 19 september 2014 is ongegrond.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor het door Oldenkotte aan [appellant] uitgebrachte deskundigenrapport overweegt de Afdeling dat deze kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en dat het inroepen van die deskundige redelijk was en de hoogte van de deskundigenkosten redelijk is. Deze kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling kent een verblijfsvergoeding en daarnaast een reiskostenvergoeding toe, vastgesteld op een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is geweest.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 april 2013 in zaak nr. 12/2793;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 25 april 2012;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 19 september 2014 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2219,34 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegentien euro en vierendertig cent) waarvan € 1.470,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015

97-680.